Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:931

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
22-003162-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde (mensenhandel) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan in zijn geheel vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-003162-13

Parketnummer: 09-754036-12

Datum uitspraak: 10 maart 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juli 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1983 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 30 april 2015 en 25 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld waarbij in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op zijn plaats is. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn heeft de advocaat-generaal voorts gevorderd dat de door hem geëiste gevangenisstraf met 14 dagen wordt verminderd. Gelet hierop luidt zijn definitieve eis als volgt: een gevangenisstraf voor de duur van 166 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 66 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2012 tot en met 10 februari 2012 te Leiden en/of Den Haag, althans te Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een persoon genaamd [benadeelde partij], door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld of één of meer feitelijkheden en/of door afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van een of meer personen waaronder voornoemde [benadeelde partij] (in de prostitutie)

en/of

die [benadeelde partij], (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel enige handeling(en) heeft/hebben ondernomen waarvan hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat [benadeelde partij], zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van die Vliet,

en/of

die [benadeelde partij], (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij], met of voor een derde

immers heeft/is verdachte en/of hebben/zijn verdachte mededader(s)

- die [benadeelde partij] een telefoon gegeven waarop klanten haar konden bereiken en/of

- een advertentie opgesteld en/of foto(s) uitgezocht voor een internetsite waarbij verdachte de werknaam "Jelena" heeft bedacht en/of

- tegen die [benadeelde partij] gezegd dat ze voor hem moest werken en/of

- tegen die [benadeelde partij] gezegd dat ze van hem was en/of

- die [benadeelde partij] laten overnachten in zijn woning en/of

- die [benadeelde partij] begeleid naar een escortafspraak in Den Haag en/of

- die [benadeelde partij] bewogen/op het idee gebracht om in huis klanten te ontvangen en/of

- die [benadeelde partij] (voortdurend) onder toezicht gehouden en/of controle gehouden en/of

- tegen die [benadeelde partij] gezegd dat zij acht uur op een dag moest werken (in de prostitutie) en/of

- doorgedraaid toen [benadeelde partij] tegen een klant vertelde dat zij een dag later beschikbaar zou zijn en/of

- die [benadeelde partij] gedwongen, althans bewogen, om (een groot deel van) de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte, af te staan en/of af te dragen terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die [benadeelde partij] zonder vast woon-en/of verblijfplaats was en/of geen werk en/of geen inkomen had.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof verstaat de tenlastelegging aldus dat daarin aan verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd -:

a. het door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld of één of meer feitelijkheden en/of door afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde partij] in de prostitutie (art. 273f, eerste lid, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht) en/of

b. het dwingen of bewegen van die [benadeelde partij] om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten in de escort/prostitutie (etc.) (art. 273f, eerste lid, sub 4, Wetboek van Strafrecht) en/of

c. het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander (art. 273f, eerste lid, sub 6, van het Wetboek van Strafrecht) en/of

d. het dwingen of bewegen van die [benadeelde partij] om hem te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij] met of voor een derde (art. 273f, eerste lid, sub 9, van het Wetboek van Strafrecht).

Het hof stelt hieromtrent op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

Het hof stelt voorop dat hij de verklaringen van [benadeelde partij] en [getuige] met behoedzaamheid heeft gewaardeerd vanwege de ten processe gebleken beperkingen op psychisch en/of cognitief vlak.

Het hof stelt voorts voorop dat uit het dossier voldoende kan worden opgemaakt dat [benadeelde partij] gelet op de positie waarin zij feitelijk verkeerde, zonder werk en geld en zonder reguliere verblijfplaats, in een voor haar kwetsbare positie verkeerde. De vraag die het hof vervolgens moet beantwoorden is of zij door misbruik van die positie door de verdachte tot de door haar verleende diensten in de prostitutie is gebracht. Is dit laatste het geval geweest, dan is de instemming van [benadeelde partij] met die diensten immers niet meer relevant. Het hof stelt hieromtrent het volgende vast.

Aangeefster [benadeelde partij] heeft na een gesprek met haar vriendin [getuige] in overleg met haar maar wel zelfstandig besloten om in de prostitutie te gaan werken. Zij had geen werk en huisvesting en zag dit als een manier om snel veel geld te kunnen verdienen. [benadeelde partij] vond in dit opzicht in het bijzonder de door [getuige] geopperde mogelijkheid een uitkering aan te vragen te lang duren en had geen zin in een verblijf in de plaatselijke daklozenopvang. [getuige] heeft [benadeelde partij] in contact gebracht met [medeverdachte]. Nadat ze was weggegaan bij deze persoon is zij via [getuige] in contact gekomen met de verdachte. De verdachte had in de tenlastegelegde periode een woning in Leiden. De verdachte heeft [benadeelde partij] in de periode van 6 februari 2012 tot en met 10 februari 2012 gehuisvest en opgenomen in zijn woning. [benadeelde partij] heeft over die periode verklaard dat de verdachte goed voor haar was. Hij zorgde voor haar en zij had altijd voldoende te eten en drinken. Op 10 februari 2012 heeft de verdachte [benadeelde partij] eenmaal begeleid naar een escortafspraak in Den Haag. Het bedrag dat [benadeelde partij] bij de klant in Den Haag had verdiend, te weten € 125,--, heeft zij vervolgens afgedragen aan de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij dat geldbedrag van [benadeelde partij] heeft gekregen om boodschappen van te doen. [benadeelde partij] heeft niet verklaard over meer klanten die van haar diensten gebruik zouden hebben gemaakt dan deze ene klant. Wel heeft [benadeelde partij] over een andere mogelijke klant verklaard, zij het dat zij die niet ’s avonds wilde ontvangen omdat zij ook haar rust nodig had.

Uit de verklaringen van [benadeelde partij] volgt naar het oordeel van het hof dat het haar eigen keuze was om in de prostitutie te gaan werken. Uit het dossier kan niet volgen dat de verdachte [benadeelde partij] heeft gedwongen om tegen haar zin haar klant aan te nemen. In dit opzicht kan naar het oordeel van het hof niet worden gesteld dat de verdachte [benadeelde partij] “door misbruik van” haar kwetsbare positie heeft gehuisvest en opgenomen (sub 1) of dat hij haar daardoor heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten in de prostitutie (sub 4). [benadeelde partij] was naar het oordeel van het hof zelf degene die afspraken maakte met klanten en dus ook zelf bepaalde wanneer en hoeveel klanten ze op een dag wilde ontvangen. Dit vindt, naast hetgeen hiervoor is gesteld, ook bevestiging in de verklaring van de desbetreffende klant in Den Haag, die ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij niet de indruk had dat [benadeelde partij] gedwongen bij hem was. De enkele omstandigheid dat verdachte [benadeelde partij] begeleidde naar deze afspraak, leidt het hof nog niet tot een ander oordeel omtrent de vrijwilligheid/het ontbreken van dwang. In de escort-service worden prostituees immers veelal begeleid naar klanten, omdat vooraf niet duidelijk is in welke omstandigheden zij zich begeven en wat zij kunnen verwachten. Minst genomen is die begeleiding bepaald niet ongebruikelijk in de reguliere escortservice

Voorts kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte haar gedwongen heeft, “door misbruik van” haar kwetsbare positie, tot de afgifte van het door haar verdiende geldbedrag van € 125,-- (sub 9). Niet blijkt van een druk op [benadeelde partij] die zodanig is dat deze als dwang in de zin van art. 273f, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat verdachte om dit geld gevraagd zou hebben in een drukke trein, kan niet zonder meer als dwingen in de hiervoor bedoelde zin van de wet worden aangemerkt. Ook uit de verklaring [benadeelde partij] zelf kan naar het oordeel van het hof worden opgemaakt dat zij dat bedrag heeft afgedragen veeleer vanuit een vorm van sociale druk, nadat de verdachte daar om had verzocht. Verdachtes verklaring daaromtrent, inhoudende dat hij dat geldbedrag zou aanwenden voor het doen van boodschappen, kan naar het oordeel van het hof bovendien niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven, mede gelet op de omstandigheid dat [benadeelde partij] bij hem inwoonde en de verdachte degene was die de boodschappen deed en kookte en dat naar de ervaring van [benadeelde partij] ook genoegzaam deed.

Bij de beantwoording van de vraag of er ook overigens sprake is geweest van enige vorm van uitbuiting als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht – waaronder ter zake het vereiste van dubbel opzet op uitbuiting als bedoeld in artikel 273f, lid 1, sub 6 van het Wetboek van Strafrecht, gelet op het voor het hof vaststaande financiële voordeel dat de verdachte uit de prostitutie van [benadeelde partij] heeft gehad – hanteert het hof bovendien de volgende twee criteria:

  1. was er sprake van een inbreuk op fundamentele rechten als de menselijke waardigheid, de lichamelijke integriteit of de persoonlijke vrijheid en/of

  2. verkeerde betrokkene in een situatie die niet gelijk was aan de omstandigheden waarin een mondige prostituée in Nederland pleegt te verkeren.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de afgedragen verdiensten rond de enkele klant alsook de zeer korte periode van huisvesting indachtig, concludeert het hof dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om tot het oordeel te kunnen komen dat aan één van voormelde criteria is voldaan.

Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde in al haar onderdelen.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van € 5.900,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, waarvan € 1.900,-- aan materiële schade en

€ 4.000,-- aan immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering verlaagd, nu het Schadefonds Geweldsmisdrijven de vordering tot een bedrag van € 4.500,-- heeft vergoed. De vordering van de benadeelde partij is in hoger beroep derhalve aan de orde tot een bedrag van € 1.400,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op de materiële schade. Voor het overige heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als vermeld onder 1 en 2 op de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen, zullen worden verbeurd verklaard. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het in beslag genomen voorwerp, als vermeld onder 3 op de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen, zal worden teruggeven aan de verdachte.

Het hof zal ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als vermeld onder 1 en 2 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten.

Het hof zal voorts ten aanzien van het in beslag genomen en nog niet teruggeven voorwerp, als vermeld onder 3 op de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen, de teruggave aan de verdachte gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan in zijn geheel vrij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1.00 STK Geheugensimm T.Mobile.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Geheugensimm, 06-84707421, en

- 1.00 STK Agenda, Boek/karto met aantekeningen prostitutieadvertentie.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,

mr. TH.W.H.E. Schmitz en mr. G. Knobbout,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 maart 2016.