Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:930

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
22-000031-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2540, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in de bewezenverklaarde periode van negen manden schuldig gemaakt aan mensenhandel door de kwetsbare [benadeelde partij] (destijds 19/20 jaar oud) te bewegen hem te bevoordelen uit de opbrengst van de door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden. De verdachte heeft het slachtoffer bewogen (een groot deel van) de door haar ontvangen geldbedragen af te staan dan wel af te dragen aan de verdachte.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden. Voorts legt het hof gebiedsverbod ((raam)prostitutiegebieden) op aan de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000031-14

Parketnummer: 09-754242-12

Datum uitspraak: 24 maart 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 december 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1978 te [geboorteplaats] (Marokko),

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 maart 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 31 januari 2012 te Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of in België (Antwerpen) en/of in Duitsland (Bochum) een persoon genaamd [benadeelde partij] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of één of meer feitelijkheden en/of door afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [benadeelde partij] (in de prostitutie)

en/of

die [benadeelde partij] heeft meegenomen naar Antwerpen (België) en/of Bochum (Duitsland) met het oogmerk die [benadeelde partij] ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

die [benadeelde partij] (telkens) met één of meer voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had [verdachte]eten ver[verdachte]eden dat die [benadeelde partij] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij]

en/of

die [benadeelde partij] (telkens) met één of meer van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij] met of voor een derde

immers heeft/is verdachte

- een (seksuele) relatie met die [benadeelde partij] aangegaan en/of die [benadeelde partij] ingepalmd en/of die [benadeelde partij] (e[verdachte]tioneel) afhankelijk van hem, verdachte, gemaakt en/of

- tegen die [benadeelde partij] gezegd dat als zij in de prostitutie zou gaan werken hij of anderen haar zouden beschermen en/of

- voor die [benadeelde partij] een werkplek geregeld en/of telefoonnummers geregeld zodat die [benadeelde partij] een raam (te weten een prostitutiekamer) kon huren en/of

- die [benadeelde partij] (telkens) vanuit Den Haag, althans vanuit enige plaats in Nederland, naar een prostitutiekamer (over)gebracht en/of

- die [benadeelde partij] als prostituee laten werken in Den Haag en/of Amsterdam en/of enige plaats in Nederland en/of

- die [benadeelde partij] (voortdurend) onder toezicht en/of controle gehouden en/of

- die [benadeelde partij] gedwongen, althans bewogen, om vele uren en/of dagen achter elkaar te (blijven) werken (ook als die [benadeelde partij] ongesteld was) en/of tegen die [benadeelde partij] gezegd dat ze (toch) door [verdachte]est werken (ook als die [benadeelde partij] aangaf niet meer te willen) en/of

- die [benadeelde partij] gedwongen, althans bewogen, tot het gebruik van cocaïne en/of

- die [benadeelde partij] gedwongen, althans bewogen, om (een groot deel van) de opbrengst van de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte, af te staan en/of af te dragen en/of die [benadeelde partij] vertelt dat hij, verdachte, het door haar verdiende geld zou bewaren en/of sparen (voor die [benadeelde partij]) en/of

- die [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, geslagen en/of bedreigd met een pistool omdat zij niet (meer) wilde werken en/of de opbrengst van haar prostitutiewerkzaamheden niet af wilde staan en/of

- bovengenoemde handeling(en) verricht terwijl die [benadeelde partij] (kennelijk) verstandelijk beperkt is.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft – overeenkomstig de overgelegde en aan het proces-verbaal van deze terechtzitting gehechte pleitnota – voorwaardelijk verzocht om – ingeval van een bewezenverklaring - het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen om de – eerst op 7 maart 2016 door het openbaar ministerie aangeleverde - verkeersgegevens te bestuderen zodat daar gedegen op zou kunnen worden gepleit.

Het hof wijst het verzoek af, nu het hof de verkeersgegevens niet voor het bewijs zal bezigen en derhalve bij die stand van zaken de grondslag aan het verzoek is komen te ontvallen. Ook overigens is het hof de noodzaak van een inwilliging van het verzoek niet gebleken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

H hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari mei 2011 tot en met 31 januari 2012 te Den Haag en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of in België (Antwerpen) en/of in Duitsland (Bochum) een persoon genaamd [benadeelde partij] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of één of meer feitelijkheden en/of door afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [benadeelde partij] (in de prostitutie)

en/of

die [benadeelde partij] heeft meegenomen naar Antwerpen (België) en/of Bochum (Duitsland) met het oogmerk die [benadeelde partij] ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

die [benadeelde partij] (telkens) met één of meer voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had [verdachte]eten ver[verdachte]eden dat die [benadeelde partij] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij]

en/of

die [benadeelde partij] (telkens) met één of meer van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij] met of voor een derde

immers heeft/is verdachte:

- een (seksuele) relatie met die [benadeelde partij] aangegaan en/of die [benadeelde partij] ingepalmd en/of die [benadeelde partij] (e[verdachte]tioneel) afhankelijk van hem, verdachte, gemaakt en/of

- tegen die [benadeelde partij] gezegd dat als zij in de prostitutie zou gaan werken hij of anderen haar zouden beschermen en/of

- voor die [benadeelde partij] een werkplek geregeld en/of telefoonnummers geregeld zodat die [benadeelde partij] een raam (te weten een prostitutiekamer) kon huren en/of

- die [benadeelde partij] (telkens) vanuit Den Haag, althans vanuit enige plaats in Nederland, naar een prostitutiekamer (over)gebracht en/of

- die [benadeelde partij] als prostituee laten werken in Den Haag en/of Amsterdam en/of enige plaats in Nederland en/of

- die [benadeelde partij] (voortdurend) onder toezicht en/of controle gehouden en/of

- die [benadeelde partij] gedwongen, althans bewogen, om vele uren en/of dagen achter elkaar te (blijven) werken (ook als die [benadeelde partij] ongesteld was) en/of tegen die [benadeelde partij] gezegd dat ze (toch) door [verdachte]est werken (ook als die [benadeelde partij] aangaf niet meer te willen) en/of

- die [benadeelde partij] gedwongen, althans bewogen, tot het gebruik van cocaïne en/of

- die [benadeelde partij] gedwongen, althans bewogen, om (een groot deel van) de opbrengst van de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte, af te staan en/of af te dragen en/of die [benadeelde partij] verteldt dat hij, verdachte, het door haar verdiende geld zou bewaren en/of sparen (voor die [benadeelde partij]) en/of

- die [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, geslagen en/of bedreigd met een pistool omdat zij niet (meer) wilde werken en/of de opbrengst van haar prostitutiewerkzaamheden niet af wilde staan en/of

- bovengenoemde handeling(en) verricht terwijl die [benadeelde partij] (kennelijk) verstandelijk beperkt is.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte [verdachte]et daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering.

Voor zover geschriften zijn gebruikt, zijn deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen die op hetzelfde feit betrekking hebben.

1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 januari 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2012023194-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 35-38):

als relaas van de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren:

Op 30 januari hebben wij een intake gesprek gevoerd met [benadeelde partij] (hof begrijpt: [benadeelde partij]) waarbij het volgende is bevonden.

[benadeelde partij] heeft nu een half jaar verkering met [verdachte]. [benadeelde partij] werkte in de [adres].

[verdachte] kwam onopvallend haar werkkamer binnen. Hij vroeg dan weleens hoeveel ze verdiend had. [verdachte] had geen geduld en pakte haar portemonnee. Hij pakte haar geld eruit en ging tellen. Hierna stopte hij het geld in zijn zak.

Hij zei dat hij ging sparen voor de toekomst.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 27 februari 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2012023194-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 49-63):

als de op 27 februari 2012 afgelegde verklaring van [benadeelde partij]:

V: Je hebt verklaard dat je met [verdachte] heb gesproken en dat hij je hielp met zijn aandacht en liefde. Wat zei hij dan allemaal?

A: Hij zei allemaal leuke woordjes. Hij zei dingen als dat we samen een vakantie konden pakken om even van de ellende weg te zijn. En dat hij voor mij klaar staat als er wat is.

(…)

A: [verdachte] zei wel dat hij meer dan een vriendschap wilde hebben. [verdachte] zei wel dat als wij voor elkaar zouden gaan dat ik recht moet lopen in een rechte lijn. Dat betekent dat ik alleen voor hem ben. Dan zou alles in orde zijn en dan zouden we ver komen en een mooie toekomst tegemo et gaan. Hij zei dat we samen door het vuur zouden gaan.

(…)

[verdachte] zei dat als ik als prostituee zou gaan werken dat hij voor mij een klein beetje geld zou wegleggen om dingen te kunnen kopen. Want anders zou ik het geld te snel uitgeven.

We waren op weg naar een officiële relatie stapje voor stapje.

V: Wat voor afspraken hadden jij en [verdachte] nog meer gemaakt over het geld?
A: Dat als ik gewerkt heb een beetje geld opzij zou zetten en aan hem zou geven zodat ik kon sparen.

V: Wat wist [verdachte] op dat moment van jouw IQ en schoolverleden?

A: Hij wist dat ik op speciaal onderwijs had gezeten maar we spraken daar verder niet over. Hij wist het omdat ik sommige dingen niet begreep die hij zei en daar maakte hij een opmerking over en toen zei ik van: “Hallo, ik heb op speciaal onderwijs gezeten hoor” of “Ik ben niet echt slim”. We zijn een keer wat gaan halen bij een bakkerij op het Kaapseplein en toen zei ik tegen hem dat ik daar vroeger op school had gezeten en dat was het speciale onderwijs.

V: Wat veranderde er na ongeveer vier weken?

A: Ik ging steeds meer werken.

V: Hoe kwam dat?
A: Hoe meer ik werkte, hoe meer ik kon wegleggen voor ons en voor het sparen. Dat was de reden.

V: Wie kwam op dat idee?
A: [verdachte].

V: Hoe zei hij dat?
A: [verdachte] zei dat ik goed verdiende en van: “Zie je wel hoe makkelijk het gaat, kun je niet een keertje proberen om meer dagen te werken want dan heb je meer geld om te sparen”. Toen ben ik meer dagen gaan werken.

V: Wat vond je ervan om meer te gaan werken?
A: Het klinkt een beetje lullig maar ik ging hem gehoorzamen, ik deed alles wat hij zei.

V: Waar was je bang voor als je niet naar hem zou luisteren?
A: Dat ik hem zou kwijtraken.

3. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 13 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2012023194-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 64-76):

V: Je werkte dus vier dagen in de week in Den Haag,

hoeveel verdiende je in Den Haag?

A: In de doordeweekse dagen dus woensdag en donderdag hield ik per dag 600 euro over.

V: Hoeveel geld gaf je toen aan [verdachte] per dag om te “sparen”?

A: Op een gegeven moment was het geen sparen meer maar pakte [verdachte] alles uit mijn portemonnee.

V: Hoe ging het met het sparen van je geld?
A: Sparen, ja…ik wist wel in mijn achterhoofd van “hij spaart niet” en dat ik het geld nooit meer zou zien. Ik geloofde er echter altijd nog wel in. Maar echt in de laatste maand toen ik bijna stopte met werken kreeg ik het besef dat ik mijn geld niet meer zou zien. Ik vroeg [verdachte] er wel naar en [verdachte] zei toen iets van: “Ja schatje, ik heb het geld goed voor ons weggezet”.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 februari 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2012023194-20. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 157-160):

als de op 15 februari 2013 afgelegde verklaring van [getuige]:

V: U bent de tante van [benadeelde partij], de zus van haar vader.

V: Hoe ging het met [benadeelde partij] vlak voordat zij [verdachte] leerde kennen?

A: Het ging toen al eigenlijk niet goed met [benadeelde partij]. In die tijd was [benadeelde partij] vaak bij mij.

(…)

A: [benadeelde partij] wees [verdachte] een keer op straat voor mij aan en ze zei toen dat ze een relatie met (het hof begrijpt: hem) had. Ik herkende hem toen als de [verdachte] van 10 jaar geleden uit de Geleenstraat.

(…)
Ik zei tegen haar dat hij haar zou gebruiken. Dat was volgens [benadeelde partij] niet zo, want hij was heel lief voor haar, hij gaf haar drankjes, ging uit met haar. (…)

A: Het viel mij op dat [benadeelde partij] nooit geld had. Ik vroeg [benadeelde partij] hiernaar en zij vertelde dat [verdachte] het geld voor haar bewaarde.

(…)

V: Wat vertelde [benadeelde partij] waar ze heeft gewerkt als prostituee?

A: Tegen mij heeft [benadeelde partij] verteld dat ze in de Geleenstraat heeft gezeten.

(…)

A: Ik weet dat ze het IQ heeft van een kind van 12. Je merkt aan haar dat ze niet echt snugger is.

(…)

Voor de rest had [benadeelde partij] weinig vriendinnetjes, behalve dan die vrouw die bij de Geleenstraat woonde. Verder alleen nog dan die [getuige 3]].

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 januari 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2012023194-17. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 153-156):

als de op 28 januari 2013 afgelegde verklaring van [getuige 2]:

A: Ik ken [benadeelde partij] via [getuige 3], mijn kleindochter. Ze is ongeveer een periode van 3 maanden wel close geweest met [getuige 3] en dan bleef ze ook wel eens bij mij slapen. Die periode van 3 maanden was in 2011 in de zomermaanden. Ik hoorde van [getuige 3] dat [benadeelde partij] de hoer speelde. [benadeelde partij] bleef wel eens bij mij slapen en zo hoorde ik wat meer van [benadeelde partij] zelf. Zij liet mij bijvoorbeeld een foto zien waarop zij samen met ene [verdachte] op een boot stond. Hij was haar vriend, ze was verliefd op hem.

V: Wat vertelde [benadeelde partij] over haar prostitutiewerk?

A: Dat ze achter het raam stond in de Geleenstraat.

(…)

A: In ieder geval in die zomer van 2011 werkte ze als prostituee.

(…)

A: In het begin had [benadeelde partij] best wel mooie kleren, merkkleding. Later zag je dat ze niks meer had en dat ze afgleed.

V: Heeft [benadeelde partij] ooit iets verteld over haar verdiende geld?

A: Nee, alleen dat het voor hem was. Zoals ik al had verteld, later had ze niks meer. Hij vroeg zijn deel op, hij wilde geld van haar hebben. Zo heeft ze dat gezegd.

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 maart 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2012023194-52. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 296-309):

als de op 25 maart 2013 afgelegde verklaring van [getuige 4]:

V: Uit het onderzoek blijkt dat jij in 2011 werkzaam was als prostituee in de Geleenstraat in Den Haag, klopt dat?

A: Ja, dat klopt. Ergens in augustus 2011 ben ik volgens mij voor het eerst in de Geleenstraat bij John en Hennie gaan werken.

V: Tot wanneer heb je daar gewerkt?

A: Ik denk tot begin 2012. Ik denk iets van begin februari 2012 want met Valentijnsdag werkte ik daar niet meer.

(…)

A: Ik weet dat [benadeelde partij] haar geld afgaf aan [verdachte].

(…)

A: [verdachte] ging bij [benadeelde partij] naar binnen om geld te halen. Ik hoorde dat van haar. Zij moest al haar geld afgeven.

(…)

A: [verdachte] had eigenlijk niks met [benadeelde partij] te maken, anders dan dat hij haar geld afpakte en 1 keer in de twee weken een uurtje wat drinken. Tegenover mij sprak [verdachte] altijd heel slecht over [benadeelde partij]. Hij zei altijd tegen mij….kijk ze was smoorverliefd op hem, ze dacht dat hij een god was en wilde een relatie met hem. [verdachte] vertelde mij altijd, van ja [benadeelde partij], ik word er gek van, ze blijft bellen en dat ze zei dat ze alles voor hem wilde doen en dat ze voor hem wilde blijven werken. Ik heb sms’jes in zijn telefoon gezien dat ze alles voor hem wilde doen. Ze was gewoon zo verliefd op hem dat hij er gewoon misbruik van maakte. Ik heb situaties meegemaakt dat hij haar heel erg vernederde en tegen haar dingen zei van: “Rot op, ik hoef je geld niet meer” en dat [benadeelde partij] bleef zeggen dat ze hem 500 euro per dag zou geven als ze maar met hem kon zijn.

(…)

A: Ik denk dat ik misschien een stuk of 10-15 keer samen heb gewerkt met [benadeelde partij].

(…)

V: Hoe wist jij dat zij haar verdiende geld aan [verdachte] afstond?

A: Ik weet dat van [verdachte]. [verdachte] vertelde mij altijd dat hij [benadeelde partij] helemaal niks vond, hij wou niks met haar. [verdachte] liet mij sms’jes lezen die [benadeelde partij] hem stuurde dat zij voor hem wilde werken. [verdachte] was langs geweest en dan wilden [benadeelde partij] en ik nog uit gaan en dan had ze maar 20 euro. Verder zei [benadeelde partij] het ook gewoon eerlijk tegen mij dat ze de rest van haar verdiende geld aan [verdachte] had gegeven.

(…)

A: Ik merkte dat [benadeelde partij] heel onzeker was en dat ze heel makkelijk in te palmen was.

V: Wij hebben [benadeelde partij] gehoord als aangeefster. Zij heeft een heel laag IQ.

A: Ik heb haar altijd dom gevonden.

V: Wat wist [verdachte] over [benadeelde partij]?

A: [verdachte] vond haar dom. Ik zei bijvoorbeeld tegen [verdachte] dat ik gehoord had dat [verdachte] met [benadeelde partij] ging. [verdachte] vroeg dan aan mij of ik gek was en dat [benadeelde partij] zo dom was.

(…)

V: Wat zei [verdachte] over hoeveel geld [benadeelde partij] opbracht?

A: [benadeelde partij] heeft mij weleens verteld dat zij ongeveer 300 euro per dag verdiende, maar ook dagen van 600 euro. Als [verdachte] langs was geweest dan had ze nog 10 euro of zo over, genoeg voor een pakje sigaretten en een kopje thee. Dus vrijwel alles gaf ze aan [verdachte]. Ik had dan wel gezien dat [benadeelde partij] klanten had gehad.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 maart 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2012023194-41. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 215-216):

als de op 21 maart 2013 afgelegde verklaring van [getuige 5]:

O: U bent gedragsdeskundige bij Stichting Mee en heeft in 2010 een diagnostiek (het hof begrijpt: diagnostisch) onderzoek gedaan bij [benadeelde partij] [benadeelde partij].

A: Ze heeft een IQ van 66. Zij heeft een licht verstandelijke beperking. Haar sociaal-emotionele ontwikkeling kun je vergelijken met de laagst scorende. Haar ego ontwikkeling ligt op het niveau van een 7- á 10-jarige. Zij overziet de gevolgen niet van haar eigen handelen, maar ook niet die van anderen. Daardoor kan zij slecht keuzes maken. Dat maakt haar heel kwetsbaar. [benadeelde partij] heeft bijna geen inzicht in haar beperkingen. Het beïnvloedbaar zijn, is heel kenmerkend voor mensen met een beperking.

8. Een geschrift, zijnde een “huurovereenkomst woonruimte” ten aanzien van het pand aan de [adres] in Den Haag, ingaande op 1 mei 2011, onder meer ondertekend door de verdachte in zijn hoedanigheid van huurder van voormeld pand (gevoegd als bijlage 2 achter de pleitaantekeningen d.d. 17 september 2013 van mr. R.E. van Zijl).

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 april 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2012023194-70. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 423):

als de op 10 april 2013 afgelegde verklaring van [getuige 6]:

A:Ik ben sinds 2010 eigenaar van café [café] (het hof begrijpt te Den Haag).

Ik heb [benadeelde partij] leren kennen in 2011. Zij heeft nog openstaande rekeningen bij mij. [benadeelde partij] werkte als hoer, prostituee, in de Geleenstraat.

V: Hoe kan het dan dat zij haar rekening niet kon betalen als zij toch als prostituee werkte.

A: Dat bedoel ik nou, dat weet ik niet.

10. Twee geschriften, zijnde twee openstaande bonnen op naam van [benadeelde partij] van respectievelijk 27 september 2011 en 5 oktober 2011 opgemaakt door café [café] (blz. 429-430).

11.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 april 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 201202319462-62. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 397):

als de op 3 april 2013 afgelegde verklaring van [getuige 7]:

V: We willen je graag horen als getuige in het onderzoek met betrekking tot je broer [verdachte].

V: Wie is [benadeelde partij]?
A: Zij leek alsof ze niet helemaal 100 was. Alsof ze niet helemaal helder was, ze was niet aanwezig. Ze was zo van haarzelf.
V: Maar leg eens verder uit?

A: Als je haar sprak, leek het alsof zij niet snapte wat je bedoelde.

Verweer inzake artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.)

De verdediging heeft bepleit dat vrijspraak dient te volgen voor het aan de verdachte tenlastegelegde nu het bepaalde in artikel 342, tweede lid, Sv. daaraan in de onderhavige zaak in de weg staat, zoals nader toegelicht in de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, beantwoordt het hof bevestigend, nu niet alleen de aangeefster al dan niet bij monde van andere getuigen die van haar hebben gehoord dat ze (een groot deel van) haar met prostitutie verdiende geld moest afstaan aan de verdachte, maar ook haar toenmalige vriendin [getuige 3] dit van de verdachte zelf heeft gehoord. De Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij de getuige [getuige 3] kent. Getuigen [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 1] verklaren voorts uit eigen wetenschap dat aangeefster [benadeelde partij] ondanks haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden nauwelijks over geld beschikte. Ook de verklaring van getuige [getuige 6] vormt in enigerlei mate steunbewijs voor dit onderdeel van de verklaring van aangeefster. Nu niet gezegd kan worden dat de verklaringen van de aangeefster op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, wordt het verweer verworpen.

Het hof is voorts van oordeel dat, hoewel het hof de verklaringen van de aangeefster gelet op haar intelligentieniveau met de nodige behoedzaamheid heeft bezien, en hoewel het hof met de verdediging van oordeel is dat bepaalde onderdelen uit haar verklaring aantoonbaar onjuist zijn, zulks haar verklaringen niet als geheel onbruikbaar voor het bewijs maakt. Haar verklaringen ten aanzien van het aan de verdachte afstaan van het door haar verdiende geld vindt naar ’s hofs oordeel voldoende verankering in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Het hof bezigt haar verklaringen in zoverre derhalve voor het bewijs.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Mensenhandel.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een tweetal vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zullen worden opgelegd, inhoudende – kort gezegd – een gebiedsverbod en een contactverbod, als nader omschreven in zijn op schrift gestelde requisitoir.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in de bewezenverklaarde periode van negen manden schuldig gemaakt aan mensenhandel door de kwetsbare [benadeelde partij] (destijds 19/20 jaar oud) te bewegen hem te bevoordelen uit de opbrengst van de door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden. De verdachte heeft het slachtoffer bewogen (een groot deel van) de door haar ontvangen geldbedragen af te staan dan wel af te dragen aan de verdachte. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit waarbij hij, met miskenning van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, zijn eigen financieel gewin op de voorgrond heeft gesteld. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog gedurende lange tijd psychische en emotionele schade daarvan kunnen ondervinden.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof in strafverzwarende zin meegewogen dat:

  • -

    het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden in een periode van negen maanden;

  • -

    de verdachte het slachtoffer, dat bijzonder kwetsbaar was vanwege haar relatief jonge leeftijd en haar verstandelijke beperking, op volstrekt oneerlijke wijze heeft bespeeld en misbruikt door het fingeren van liefdesgevoelens jegens haar;

  • -

    de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 februari 2016, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van mensenhandel en andersoortige strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten en een geweldsdelict. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof realiseert zich dat deze straf van een andere orde is dan de gevorderde, maar stelt hier tegenover dat het hof van beduidend minder strafbare feiten uitgaat dan de advocaat-generaal die een integrale bewezenverklaring heeft gevorderd.

Daarnaast is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat ter voorkoming dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten (mensenhandel) noodzakelijk is om enerzijds aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, inhoudende een verbod om zich gedurende een periode van twee jaar in de hierna te noemen (raam)prostitutie-gebieden te bevinden en anderzijds aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen om zich gedurende een periode van twee jaar te onthouden van ieder contact met het slachtoffer [benadeelde partij].

Afwegend enerzijds het belang van verdachte om zich vrijelijk te kunnen bewegen op de openbare weg en desgewenst een bekende (prostituee) te bezoeken tegenover anderzijds het maatschappelijk belang mensenhandel en bevoordeling uit de prostitutie te voorkomen, weegt dit laatste belang zwaarder dan het persoonlijke belang van de verdachte. Het hof heeft deze maatregel zodanig concreet en specifiek omschreven dat deze geen onevenredige inperking van de vrijheid van de verdachte oplevert.

Nu er naar het oordeel van het hof ernstig rekening mee [verdachte]et worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf als het onderhavige zal begaan, aangezien verdachte reeds eerder is veroordeeld voor het delict mensenhandel, beveelt het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de hiervoor genoemde maatregel. Deze behelst het verbod zich gedurende een periode van twee jaar in de hierna te noemen (raam)prostitutiegebieden in Den Haag te bevinden.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft mr. M.D.A. Stam zich als gemachtigde van [benadeelde partij] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 137.000,--, waarvan € 5.000,-- betrekking heeft op immateriële schade en € 132.000,-- op materiële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 137.000,--.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing van het gevorderde bedrag van € 5.000,--.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog [verdachte]et maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 5.000,-- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38v, 38w, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat het de veroordeelde voor de duur van 2 jaren na 24 maart 2016 verboden is zich op te houden in de hierna te noemen (raam)prostitutiegebieden:

- de Geleenstraat in Den Haag,

- de Hunsestraat in Den Haag (inclusief de zogeheten Roze Passage) en

- de Doubletstraat in Den Haag.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat het gebiedsverbod dadelijk uitvoerbaar is.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren na 24 maart 2016 op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij], geboren op [geboortejaar] 1992 te [geboorteplaats].

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,-- (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,-- (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,

mr. G. Knobbout en mr. M.I. Veldt-Foglia,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 maart 2016.