Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:921

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
200.168.004/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontruiming woning op subsidiaire grondslag wanprestatie (bij onduidelijke basis voor bewoning in gestoorde familierelatie)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.168.004/01

Rolnummer rechtbank : 2748231 \ RL EXPL 14-3402

arrest van 12 april 2016

in de zaak van

1. [appellant sub 1] ,

wonende te Maasland, gemeente Delfland,
hierna te noemen [appellant] ,

2. [appellante sub 2] ,

wonende te Maasland, gemeente Delfland,
hierna te noemen [appellante sub 2] ,

appellanten,

hierna tezamen te noemen: [appellant] (mannelijk enkelvoud) of de zoon,
tenzij er reden is om [appellante sub 2] apart te noemen,

advocaat: mr. J.D. Bakker te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te Mechelen, gemeente Gulpen-Wittem,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] of de moeder,

advocaat: mr. L. Meys te Margraten.


Het geding

Voor de gang van zaken tot 19 mei 2015 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum waarbij een comparitie na aanbrengen werd gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 8 juli 2015. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [geïntimeerde] de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Hierop heeft [appellant] nog een akte en [geïntimeerde] nog een antwoord-akte genomen. Daarna hebben partijen de procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

  1. De door de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het eindvonnis van 8 januari 2015 vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

  2. Het gaat in deze zaak om het volgende, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang.

  3. (2.1) Op 8 oktober 2003 is de echtgenoot van [geïntimeerde] (vader [appellant] ) na een ziekbed overleden, waarbij hij aan [geïntimeerde] een fors vermogen (onder meer het na te melden achterhuis omvattende) heeft nagelaten. De beide kinderen uit het huwelijk, onder wie de zoon, hebben toen ieder een legaat ontvangen van ruim € 450.000,--. [appellant] beheerde in verband met de ziekte van vader [appellant] sinds april 2003 krachtens volmacht diens vermogen. Na het overlijden van vader [appellant] heeft hij ook een volmacht gekregen alle financiële aangelegenheden betreffende de nalatenschap af te wikkelen en het vermogen van zijn moeder te beheren. Feitelijk beheerde hij sindsdien de financiën van [geïntimeerde] .
    (2.2) De zoon en zijn echtgenote [appellante sub 2] met hun kinderen zijn in 2009 in het achterhuis (hierna: de woning), behorend bij de echtelijke woning van [geïntimeerde] aan de [adres] , komen wonen.
    (2.3) De zoon is in 2011 zakelijk failliet verklaard. Hij is in 2012 privé failliet verklaard.
    (2.4) [geïntimeerde] heeft [appellant] op 28 januari 2014 gedagvaard tot ontruiming van de woning. Primair heeft [geïntimeerde] daartoe gesteld dat [appellant] zonder recht of titel in de woning verbleef. Subsidiair heeft zij gesteld dat, ingeval er sprake mocht zijn van een huurovereenkomst met betrekking tot de woning, er grond was voor ontbinding van de huurovereenkomst (kort gezegd) wegens wanbetaling. In dit verband heeft zij gevorderd voor recht te verklaren dat de overeenkomst is ontbonden, met veroordeling van [appellant] tot ontruiming. Meer subsidiair heeft zij zich beroepen op vernietiging van de huurovereenkomst.
    (2.5) De kantonrechter heeft in het thans bestreden eindvonnis van 8 januari 2015 geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat er sprake is van een huurovereenkomst. [appellant] is vervolgens, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot ontruiming van de woning, op straffe van een dwangsom. De woning is inmiddels gedwongen ontruimd.

  4. [appellant] is met twee grieven tegen deze beslissing opgekomen. De beide grieven bevatten in de kern als klacht dat [appellant] ten onrechte is belast met het bewijs van het bestaan van de huurovereenkomst en dat er wel degelijk sprake is van een huurovereenkomst met betrekking tot de woning. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

  5. [appellant] heeft geen belang bij bespreking van deze grieven, nu het hof van oordeel is dat de beslissing tot ontruiming juist is geweest. Het hof baseert zijn oordeel op de subsidiaire grondslag, die in hoger beroep uitdrukkelijk door [geïntimeerde] is gehandhaafd, en overweegt daartoe als volgt.

  6. Het hof gaat er veronderstellenderwijs van uit dat er sprake is geweest van een rechtsgeldige overeenkomst tot gebruik van de woning in de door [appellant] gestelde zin. Het hof verwijst daartoe naar de door de zoon als volmachtnemer van vader [appellant] ten behoeve van zichzelf getekende ‘huurovereenkomst woonruimte’ (overgelegd als productie 19 bij inleidende dagvaarding en productie 13 bij memorie van grieven); hierna het contract. Als vergoeding voor 15 jaar wonen heeft [appellant] blijkens het contract (in artikel 4.1) de verplichting op zich genomen tot “het renoveren van de tuinders schuur naar woonhuis/kantoorruimte” en het mede financieren daarvan (hierna: de tegenprestatie).

  7. De stelplicht en de bewijslast van het voldoen van de tegenprestatie rust op [appellant] . Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] daartoe tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] onvoldoende gesteld, zoals hierna zal worden toegelicht. Overigens voldoet het bewijsaanbod van [appellant] terzake niet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.
    Weliswaar acht het hof voldoende vaststaan dat er renovatiewerkzaamheden zijn verricht aan de woning, maar de bijdrage daarin van [appellant] is niet deugdelijk onderbouwd. De omstandigheid dat de schoonvader van [appellant] blijkens diens schriftelijke verklaring (productie 8 memorie van grieven) werkzaamheden heeft verricht aan de woning en het lijstje van werkzaamheden (productie 9 memorie van grieven) is zonder nadere deugdelijke toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om het oordeel te dragen dat er sprake is geweest van een tegenprestatie door [appellant] in voormelde zin. Dit geldt temeer, nu [appellant] heeft nagelaten om ondanks de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] een deugdelijk overzicht te verstrekken (en bewijs aan te bieden) van zijn eigen feitelijke en/of financiële bijdrage aan de renovatie.
    Zijn stelling (memorie van grieven 5) dat hij in de jaren na ingebruikname in 1999 voor naar schatting € 250.000,-- verbeteringen heeft aangebracht is daartoe veel te vaag. Hier komt bovendien bij dat nergens uit blijkt dat [appellant] de renovatie feitelijk zelf heeft verricht en/of iets (substantieels) uit eigen zak heeft betaald. [appellant] heeft kortom niet aan zijn stelplicht voldaan, terwijl hij evenmin een deugdelijk bewijsaanbod heeft gedaan.

  8. Sterker nog, er zijn veeleer aanwijzingen dat de renovatiekosten geheel of grotendeels uit het vermogen van zijn moeder zijn betaald. In dit verband wijst het hof onder meer op het volgende: [appellant] had het beheer over het aanzienlijke vermogen van zijn moeder; dit vermogen is inmiddels (grotendeels) verdwenen. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] ooit rekening en verantwoording heeft afgelegd van zijn beheer. [appellant] erkent dat verbeteringen aan de buitenkant van de woning werden gefactureerd aan [geïntimeerde] en door haar werden betaald. De omstandigheid dat [appellant] regelmatig geld overmaakte naar [geïntimeerde] en/of haar desgevraagd contant geld gaf, is volgens [geïntimeerde] een uitvloeisel van zijn taak tot beheer van [geïntimeerde] vermogen. [appellant] heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat dit anders was. [appellant] erkent dat de financiën van hem en zijn moeder vaak door elkaar heen liepen. Het bedrijf van [appellant] is in 2011 failliet gegaan, hijzelf in 2012. Dit alles wijst op een gebrek aan deugdelijk financieel beheer en verantwoording, terwijl het bovendien de stelling van [geïntimeerde] ondersteunt dat de renovatie uit haar eigen middelen is betaald.

  9. De slotsom is dan ook dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om het oordeel te dragen dat er daadwerkelijk een (reële) tegenprestatie is geweest (in de zin van het contract) voor het jarenlange gebruik van de woning. Hoogstens kan worden gesproken van een begeleiding van renovatiewerkzaamheden – ook hier stelt [appellant] overigens niets concreets over – hetgeen iets anders is dan de tegenprestatie waar het contract op doelt. Dit betekent dat er sprake is geweest van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de door hem gestelde (door het hof veronderstellenderwijs aangenomen) overeenkomst (het contract), die ontbinding rechtvaardigt. [geïntimeerde] heeft daarom terecht ontruiming van het gehuurde gevorderd ook op deze subsidiaire grondslag. Voor zover [appellant] bedoeld heeft zich te beroepen op de uitzondering van artikel 6:265, eerste lid slot BW, wordt dit beroep verworpen. Het hof acht de tekortkoming van [appellant] te ernstig. Onder deze omstandigheden hebben partijen geen belang bij beoordeling van de primaire (ontruimings)grondslag.

  10. De conclusie van het voorgaande is dat de bestreden vonnissen bekrachtigd zullen worden. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Er is geen (op de in hoger beroep te vergen wijze) bewijs aangeboden dat betrekking heeft op feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst leiden. Het aanbod van [appellant] (memorie van grieven 5) om zijn voormalige echtgenote [naam echtgenote] , zijn zuster [naam zus] en zijn huidige schoonvader te doen horen is voor de beslissing niet relevant, nu deze getuigen naar het hof uit de verwijzing naar de overgelegde verklaringen begrijpt, slechts kunnen verklaren omtrent de door het hof aannemelijk geachte renovatie. [appellant] heeft niet (voldoende specifiek) aangeboden te bewijzen dat de renovatie op zijn kosten heeft plaatsgevonden.
    zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Voor een hoofdelijke veroordeling in de proceskosten wordt geen grond gezien.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de bestreden vonnissen;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 311,-- aan verschotten en € 2.235,-- aan salaris advocaat; en bepaalt dat over de proceskostenveroordeling wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van 14 dagen na dit arrest;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, M.A.F. Tan-de Sonnaville en M.E. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2016 in aanwezigheid van de griffier.