Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:904

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
BK-15/00284
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/779
Belastingblad 2016/208
V-N 2016/31.22.13
FutD 2016-0940
NTFR 2016/1534 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-15/00284

Uitspraak d.d. 9 maart 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2015, nummer SGR 14/8214, betreffende de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Delft opgelegd ten bedrage van € 82,10, bestaande uit € 24,10 aan parkeerbelasting en € 58 aan kosten van de naheffingsaanslag.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 0,50 aan verschuldigde belasting onder handhaving van de bij de naheffingsaanslag in rekening gebrachte kosten ten bedrage van € 58, alsmede de Inspecteur opgedragen aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 45 te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 januari 2016, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 1 december 2015 aan [X] op het adres [Y] , [Z] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3. De raad van de gemeente Delft heeft in zijn openbare vergadering van 19 december 2013 de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Delft 2014 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de wijziging daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Vaststaande feiten

4. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 1 en 2 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“1. Op 2 mei 2014 omstreeks 13.59 uur stond de auto van eiser geparkeerd aan de Gerard van Loonstraat in Delft [hierna: de parkeerplaats, toevoeging door het Hof]. Dit is in het door de raad van Delft aangewezen gebied E, waar van maandag tot en met zaterdag van 12.00 tot 24.00 uur alleen mag worden geparkeerd met een parkeervergunning, een bezoekersvergunning of tegen betaling van parkeerbelasting.

2. Tijdens een controle op genoemd tijdstip heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto geparkeerd stond zonder geldige vergunning of parkeerbewijs. Naar aanleiding hiervan heeft hij een naheffingsaanslag van € 82,10 op gelegd, bestaande uit € 24,10 aan parkeerbelasting en € 58,00 aan kosten van de aanslag.”

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“(…)

4. Eiser voert aan dat in de uitspraak op bezwaar ten onrechte staat dat in de auto een

bezoekersvergunning lag. Deze was er niet in gelegd, omdat op de in bezit zijnde

bezoekersvergunning stond dat deze van maandag tot en met vrijdag pas vanaf 16.00 uur

aanwezig moest zijn. De houder van de vergunning (de bewoonster), had op dat moment

nog geen nieuwe ontvangen, zodat eiser er logischerwijs vanuit ging dat er begin van de

middag geen kaart aanwezig hoefde te zijn. Pas later bleek dat de bewoonster zelf een

nieuwe kaart had moeten aanvragen. Zij heeft de brieven van 21 september 2013 en van

20 maart 2014 niet ontvangen en was dus niet op de hoogte van de nieuwe tijden en van de

noodzaak zelf een nieuwe kaart aan te vragen.

5. Verweerder stelt dat in de uitspraak op bezwaar abusievelijk is vermeld dat er een

bezoekersvergunning in de auto aanwezig was. Verweerder neemt het standpunt in dat deze

onnauwkeurigheid eiser niet kan baten, omdat er niet geparkeerd is met een geldige

bezoekerskaart. Voorts voert verweerder aan dat de tijden reeds op 1 oktober 2013 zijn

gewijzigd en dat de bewoonster hiervan bij brief van 20 september 2013 op de hoogte is

gebracht. Bij de brief zat een sticker om op de bezoekerskaart te plakken. Ook staan de

tijden vermeld op de parkeerbebording en zijn ze, naast de officiële bekendmaking, in

publicaties in de pers gecommuniceerd. Bij brief van 20 maart 2014 is de bewoonster er op

geattendeerd dat zij voor de vergunningperiode 1 mei 2014 tot en met 30 april 2015 een

nieuwe kaart kon aanschaffen.

6. De rechtbank overweegt dat van parkeren met een vergunning alleen sprake is als bij het parkeren wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Is aan één of meer van deze voorwaarden niet voldaan, dan is sprake van parkeren, anders dan met een vergunning (ECU:NL:HR: 1997:AA3336). Niet in geschil is dat er in de auto geen

geldige parkeervergunning of betaalbewijs aanwezig was. De omstandigheid dat eiser in de

veronderstelling was dat nog kon worden geparkeerd met de oude vergunning, komt voor

zijn rekening, te meer nu eiser ter zitting heeft laten zien dat op de oude vergunning stond

dat deze geldig was tot en met 30 april 2014. Verweerder heeft daarom de aanslag terecht

opgelegd. Dat in de uitspraak op bezwaar abusievelijk staat dat er in de auto een vergunning

aanwezig was, doet daar niet aan af.

7. Op grond van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet wordt de naheffingsaanslag berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat langer dan een uur zonder betaling is geparkeerd. Dit laatste is niet gesteld of gebleken.

8. De naheffingsaanslag is opgelegd voor een belastingbedrag van € 24,10 omdat het tarief voor het parkeren op genoemde plaats zowel per uur als per dag € 24,10 bedraagt. Hoewel aan de gemeenteraad in het algemeen een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de vaststelling van de tarieven, stelt de rechtbank vast dat voor tijdsafhankelijk parkeren een gelijk tarief voor één uur als voor 24 uur niet past in het systeem van de wet en niet overeenkomt met artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet. Hier komt bij dat de raad in de Tarieventabel voor gebied E bij tijdsafhankelijk parkeren het tarief op € 0,50 heeft gesteld voor de eerste 60 minuten en op € 2,50 voor elke volgende 60 minuten. Dit in aanmerking nemend is een tarief van € 24,10 per uur buitensporig en niet aanvaardbaar.

9. Het voorgaande leidt ertoe dat de verschuldigde belasting in dit geval € 0,50 bedraagt, het tarief voor één eerste uur in gebied E, en dat de naheffingsaanslag overeenkomstig dient te worden verminderd. Het beroep is gegrond.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

6.1.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

6.2.

In hoger beroep stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het ter plaatse geldende belastingtarief van € 24,10 per uur als buitensporig en niet aanvaardbaar moet worden geoordeeld. De Inspecteur is van mening dat de gemeentelijke wetgever zijn bevoegdheid niet te buiten is gegaan en met het vaststellen van het onderhavige tarief niet in strijd is gekomen met het systeem van de wet noch met artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet.

6.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof overigens naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

7.1.

Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep van belanghebbende.

7.2.

Belanghebbende concludeert – naar het Hof begrijpt - tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

8.1.

In artikel 225, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet is bepaald dat in het kader van parkeerregulering een parkeerbelasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze. In het achtste lid van die bepaling is vermeld dat het tarief van de parkeerbelasting afhankelijk kan worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.

8.2.

Ingevolge artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet (tekst 2014) wordt ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, deze berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.

8.3.

Op grond van de Verordening is het parkeren op de parkeerplaats tussen 12 en 24 uur toegestaan aan vergunninghouders of tegen betaling van parkeerbelasting. Het tarief per 60 minuten bedraagt € 24,10; dit is tevens het dagtarief (“dagkaart”). Indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd voor het feit dat er geparkeerd is zonder dat een dagkaart of een vergunning in het voertuig aanwezig is, wordt een bedrag van € 24,10 nageheven.

8.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende geparkeerd heeft op een parkeerplaats waar alleen met een vergunning of tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd; evenmin is in geschil dat op de in de nabijheid van de parkeerplaats aanwezige bebording en parkeerautomaten is aangegeven dat voor het parkeren op de parkeerplaats € 24,10 verschuldigd is.

8.5.

Anders dan de rechtbank is het Hof van oordeel dat de gemeentelijke wetgever haar ingevolge voornoemde bepalingen toekomende discretionaire bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Gelet op het uit artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet blijkende doel van de heffing van parkeerbelasting, te weten parkeerregulering, kan niet gezegd worden dat de onderhavige naheffingsaanslag leidt tot een belastingheffing die de wetgever in formele zin niet voor ogen heeft gehad.

8.6.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep van de Inspecteur doel treft. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, G.J. van Leijenhorst en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 9 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.