Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:902

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
BK-15/00450
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:4164, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank ten onrechte de Inspecteur niet heeft veroordeeld in de proceskosten in bezwaar en beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/790
V-N 2016/31.22.19
FutD 2016-0926
NTFR 2016/1451 met annotatie van Mr. R.S. Bekker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00450

Uitspraak van 9 maart 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 9 april 2015, nr. SGR 14/11400, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2010 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.443 (hierna: de aanslag). Bij gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag gegeven beschikking heeft de Inspecteur € 790 heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking heffingsrente)

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 januari 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende is gehuwd met mevrouw [Y] . Hij was in het onderhavige jaar werkzaam als leraar economie bij de Stichting [A] in [Z] .

3.2.

Belanghebbende heeft in de aanslagregelende fase, de bezwaarfase en de (hoger) beroepsfase een groot aantal bescheiden overgelegd ter onderbouwing van de door hem in zijn aangifte opgevoerde specifieke zorgkosten als bedoeld in afdeling 6.5 van de Wet IB 2001 (hierna: specifieke zorgkosten) en scholingsuitgaven als bedoeld in afdeling 6.7 van de Wet IB 2001 (hierna: scholingsuitgaven). De in de aangifte vermelde specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven betreffen, enkele uitzonderingen daargelaten, medische behandelingen van belanghebbende en zijn echtgenote in het buitenland, onderscheidenlijk door belanghebbende en zijn echtgenote in het buitenland gevolgde opleidingen en studies.

3.3.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2010 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.578. Daarbij heeft belanghebbende een persoonsgebonden aftrek van € 25.996 in aanmerking genomen, bestaande uit € 9.328 aan specifieke zorgkosten en € 16.668 aan scholingsuitgaven.

3.4.

Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek verhoogd met € 869 (voordelen uit eigen woning) en de in de aangifte opgevoerde persoonsgebonden aftrek niet in mindering op het inkomen uit werk en woning toegelaten.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank ten onrechte de Inspecteur niet heeft veroordeeld in de proceskosten in bezwaar en beroep.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend.

4.3.

De Inspecteur beantwoordt deze vragen ontkennend.

4.4.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag rekening houdend met de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven. Belanghebbende concludeert tevens, bij gegrondverklaring van het hoger beroep, tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De Rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder.

"(…)

3.In geschil is of de aanslag tot een juist bedrag is vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder de onder 1 genoemde specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven terecht niet in aftrek heeft toegelaten. De bijtelling eigenwoningforfait is niet in geschil.

4. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 bevat een limitatieve opsomming van uitgaven wegens ziekte of invaliditeit die kunnen worden aangemerkt als - aftrekbare - uitgaven voor specifieke zorgkosten. Een van de voorwaarden is dat de uitgaven op eiser drukken. Daarnaast is een voorwaarde dat er voor de behandeling waarop de uitgaven betrekking hebben, een medische noodzaak bestaat. Een dergelijke medische noodzaak kan blijken uit het feit dat de behandeling op medisch voorschrift en/of onder begeleiding van een naar Nederlandse begrippen als genees- of heelkundige aan te merken hulpverlener plaatsvindt (vgl. Hoge Raad 29 juni 1977, nr. 18 449, ECLI:NL:HR:1977:AX4014 en Hoge Raad 4 januari 1978, nr. 18 643, ECLI:NL:HR:1978:AX2996).

5. De rechtbank stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat het op de weg ligt van eiser om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voor de aftrek voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in deze op hem rustende bewijslast geslaagd. Eiser heeft weliswaar afschriften van verschillende facturen overgelegd, maar daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat eiser de gefactureerde bedragen heeft voldaan dan wel de in aanmerking genomen uitgaven op hem drukten. Met de overgelegde stukken en hetgeen hij overigens heeft verklaard is eiser er bovendien niet in geslaagd de medische noodzaak van de uitgaven aannemelijk te maken. De rechtbank weegt in dit oordeel mee dat eiser ter zitting heeft verklaard dat de door hem in aftrek gebrachte uitgaven niet gedaan zijn op voorschrift of onder begeleiding van een arts. Ook heeft eiser in dit verband geen medische verklaring overgelegd.

6. Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 zijn scholingsuitgaven slechts aftrekbaar wanneer zij zijn gedaan met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Om scholingsuitgaven in aftrek te mogen brengen moet eiser met het volgen van opleiding het oogmerk hebben met deze opleiding een beroep te gaan uitoefenen. Daarnaast moet eiser in redelijkheid kunnen verwachten dat dit oogmerk na voltooiing van de opleiding verwezenlijkt zal worden (vgl. Hoge Raad 10 april 2009, nr. 08/00312, ECLI:NL:HR:2009:BF3924).

7. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voor aftrek van scholingsuitgaven voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd. Eiser heeft verklaard dat hij docent economie is en momenteel geen werk heeft. De uitgaven hebben volgens eiser betrekking op scholing die hij heeft gevolgd met het oogmerk om in de toekomst Islamitische economie te kunnen doceren. De rechtbank acht deze verklaring zonder nader onderbouwing onvoldoende om aannemelijk te achten dat eiser in redelijkheid kon verwachten het beroep van docent Islamitische economie te kunnen gaan uitoefenen. Zo is de rechtbank niet gebleken dat er in 2010 plannen waren om een dergelijk vak in de nabije toekomst in het curriculum op te nemen. Evenmin heeft eiser met objectiveerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat er in 2010 voldoende vraag bestond naar het vak Islamitische economie om in redelijkheid te kunnen verwachten dat hij in dit vakgebied zijn beroep zou kunnen uitoefenen.

8. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt. Aan het enkele feit dat de in de aangifte opgevoerde aftrekposten bij het opleggen van de aanslag over een eerder jaar zijn gevolgd, kan eiser niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat die aftrek in volgende jaren geaccepteerd zal worden.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

(…)"

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden het beroep ongegrond verklaard. Het Hof maakt deze beslissing en de daartoe door Rechtbank gebezigde gronden tot de zijne. Daaraan voegt het Hof, naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, het volgende toe.

7.2.

Het ligt op de weg van belanghebbende om, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de Inspecteur, aannemelijk te maken dat hij de door hem gestelde betalingen heeft gedaan alsmede dat deze betalingen specifieke zorgkosten onderscheidenlijk scholingsuitgaven betreffen. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

Specifieke zorgkosten

7.3.1.

Belanghebbende neemt het standpunt in dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij de betalingen heeft gedaan tot het in de aangifte vermelde bedrag van € 9.328 alsmede dat deze betalingen specifieke zorgkosten betreffen. Ter onderbouwing van dit standpunt voert hij het volgende aan.

7.3.2.

Uit de onder 3.1 genoemde bescheiden blijkt dat aan belanghebbende tenminste tot het in de aangifte vermelde bedrag van € 9.328 specifieke zorgkosten in rekening zijn gebracht en dat hij dit bedrag daadwerkelijk heeft betaald. De betalingen zijn vrijwel steeds contant gedaan. In de landen waarin belanghebbende, zijn echtgenote en zijn kinderen de medische behandelingen hebben ondergaan, is het niet mogelijk althans ongebruikelijk om daarvoor anders dan contant te betalen. Uit de overgelegde mutatieoverzichten van een door hem aangehouden bankrekening (hierna: de mutatieoverzichten) blijkt dat belanghebbende bedragen heeft opgenomen; deze zijn onder meer gebruikt om de hem in rekening gebrachte kosten van medische behandelingen te betalen.

7.3.3.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met betrekking tot de specifieke zorgkosten niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Uit de overgelegde bescheiden kan, een enkele uitzondering daargelaten, niet worden opgemaakt dat de aan belanghebbende in rekening gebrachte bedragen in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 genoemde specifieke zorgkosten betreffen. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stellingen dat hij de overgelegde nota’s van buitenlandse zorgverleners ter plaatse contant heeft betaald en dat hij het daarvoor benodigde geld heeft opgenomen van zijn bankrekening. Uit de mutatieoverzichten blijkt weliswaar dat belanghebbende contante bedragen heeft opgenomen, maar de mutatieoverzichten maken het niet mogelijk deze geldopnamen in de tijd en naar bedrag te relateren aan de kosten die, uitgaande van de overgelegde bescheiden, aan belanghebbende in rekening zijn gebracht. Mogelijkerwijs ligt dit anders voor de op de nota van Apotheek [B] vermelde kosten, maar het bedrag van die kosten is lager dan de ten aanzien van belanghebbende geldende drempel van artikel 6.20 van de Wet IB 2001.

7.3.4.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Inspecteur terecht de door belanghebbende in zijn aangifte opgevoerde uitgaven voor specifieke zorgkosten niet in aftrek toegelaten.

Scholingsuitgaven

7.4.1.

Belanghebbende neemt het standpunt in dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij de betalingen heeft gedaan tot het in de aangifte vermelde bedrag van € 16.668 en dat deze betalingen scholingsuitgaven betreffen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende het volgende aangevoerd.

7.4.2.

Uit de onder 7.3. genoemde mutatieoverzichten en uit de door belanghebbende overgelegde nota’s en certificaten van in het buitenland gevestigde instellingen blijkt dat belanghebbende tenminste tot het in de aangifte vermelde bedrag van € 16.668 uitgaven voor het volgen van een opleiding of studie met het oog het verweven van inkomen uit werk en woning heeft gedaan. De zo-even bedoelde nota’s betreffen door belanghebbende ter voorbereiding op een proefschrift gevolgde studies op het gebied van de Islamitische economie. In 2008 is hem door de bank een doorlopend krediet van € 20.000 verstrekt. Dat is mede gebruikt om contante betalingen aan onderwijsinstellingen in het buitenland en andere uitgaven ten behoeve van zijn promotie in de Islamitische economie te doen. Een succesvolle promotie biedt hem uitzicht op een aanstelling aan een universiteit of andere onderwijsinstelling.

7.4.3.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met betrekking tot de scholingsuitgaven niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. De enkele stelling van belanghebbende dat hij de nota’s van buitenlandse onderwijsinstellingen ter plaatse contant heeft betaald en dat hij daarvoor heeft geput uit het hem in 2008 verstrekte doorlopende krediet is zonder nader bewijs, het welk ontbreekt, niet aannemelijk. Ook overigens schieten de overgelegde bescheiden tekort als bewijs van de door belanghebbende gestelde betalingen aan de buitenlandse instellingen. De betaling van € 4.200 door belanghebbende aan het [C] in [Z] heeft belanghebbende wel aannemelijk gemaakt. Aangezien sprake is van een doorbetaling van dit bedrag, nu belanghebbende deze € 4.200 heeft ontvangen als subsidie voor studiekosten van de Dienst Uitvoering Onderwijs, is evenwel niet aannemelijk dat deze kosten op belanghebbende hebben gedrukt.

7.4.4.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Inspecteur terecht de door belanghebbende in zijn aangifte opgevoerde scholingsuitgaven niet in aftrek toegelaten.

Slotsom

7.5.

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond en dient te worden beslist als hieronder is vermeld.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, G.J. van Leijenhorst en B.G. van Zadelhoff in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 9 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.