Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:901

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
18-04-2016
Zaaknummer
200.170.337/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

overtreding concurrentiebeding; nu het een vordering in kort geding betreft is voor toewijzing van mogelijk verbeurde boetes geen plaats, dit wegens gebrek aan spoedeisendheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1149
AR-Updates.nl 2016-0439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.170.337/01

Rolnummer Rechtbank : C/10/467209 / KG ZA 15-1

Arrest van 12 april 2016

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.E. Jalandoni te Utrecht,

tegen

[bedrijf] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.F. Dominicus te Goes.

Het geding

1. Bij exploot van 4 maart 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het op 5 februari 2015 door de rechtbank Rotterdam, team handel, (hierna: de rechtbank) tussen partijen gewezen vonnis in kort geding. Bij memorie van grieven (met producties) zijn tegen dat vonnis zes grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord (met producties) die grieven gemotiveerd weersproken. [appellant] heeft daarna nog een antwoordakte genomen.

[geïntimeerde] heeft arrest gevraagd, onder overlegging van stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

2. In deze procedure gaat het, samengevat, om de volgende feiten:

- [geïntimeerde] houdt zich, zo blijkt uit het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel

van 20 januari 2015, onder meer bezig met “Het ontwikkelen, fabriceren en installeren van

complete accomomodaties en isolatiesystemen voor schepen en off-shore installaties".

- [appellant] , geboren op [geboortedatum] , is op 6 mei 2013 voor onbepaalde tijd bij [geïntimeerde] in dienst

getreden in de functie van “HVAC Engineer” (bouwkundige op het gebied van heating,

ventilation en air conditioning).

- [appellant] was, in die hoedanigheid, voor [geïntimeerde] werkzaam op het Aasta Hansteen EPC LQ

project. Aasta Hansteen is een gasproductieplatform. In het kader van dat project ontwierp

CB&I (in opdracht van Hyundai) de “topside” van genoemd platform. [geïntimeerde] ontwierp en

bouwde er, in onderaanneming (voor CB&I), het Living Quarter (LQ).

- De arbeidsovereenkomst van [appellant] bevatte onder meer de volgende bepalingen:

“Artikel 7

Afgezien van kennis, die uit algemene bronnen toegankelijk is, verplicht Werknemer zich,

zowel tijdens als ook na beëindiging der dienstbetrekking, tot geheimhouding jegens een

ieder omtrent alle, op welke wijze ook te zijner kennis gekomen bijzonderheden omtrent

bedrijfsaangelegenheden in de ruimste zin des woords van Werkgever of met Werkgever

verbonden ondernemingen. (…)

Artikel 9

Zowel tijdens de dienstbetrekking alsmede gedurende een jaar na beëindiging daarvan zal

Werknemer in Nederland noch zelf in enigerlei vorm een bedrijf, gelijk, gelijksoortig of

aanverwant aan dat van Werkgever mogen vestigen, drijven mededrijven of doen drijven,

hetzij indirect, noch financieel, in welke vorm ook, bij een dergelijke zaak belang

hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, hetzij

tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel hebben van welke aard dan ook.

Artikel 10

Werknemer zal voor iedere door hem begane overtreding van het bepaalde in de artikelen 7

(…) en 9 dezer overeenkomst ten behoeve van Werkgever telkens van rechtswege, zonder

dat sommatie vereist is, een direct opeisbare boete verbeuren van € 454,-- (…), alsmede een

gelijk bedrag voor iedere dag of deel daarvan, dat zulk een overtreding voortduurt (…)

Werknemer is van rechtswege in gebreke door de enkele overtreding of niet-nakoming”.

- [appellant] heeft zijn arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] opgezegd bij brief van 28 mei 2014 en is

vervolgens per 1 juli 2014 bij [geïntimeerde] uit dienst getreden.

- [appellant] heeft een op 28 mei 2014 gedateerde arbeidsovereenkomst ondertekend met Lutech

Resources B.V. (hierna: Lutech), een dochter van CB&I voornoemd; [appellant] is op grond van

die overeenkomst op 1 juli 2014, voor bepaalde tijd, bij Lutech in dienst getreden in de

functie van “HVCA Engineer” en vervolgens aan CB&I uitgeleend om voor haar te

werken op het Aasta Hansteen project voornoemd.

- [geïntimeerde] heeft bij brief van 23 september 2014 [appellant] aangezegd dat hij voormeld

concurrentiebeding schendt. [appellant] is daarbij gesommeerd om deze schending te staken,

alsmede - samengevat - tot betaling van de door hem verbeurde boete. [appellant] heeft aan

deze sommatie geen gevolg gegeven.

3. Tegen de achtergrond van voormelde feiten vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg, bij wijze van voorlopige voorziening:

a. bevel aan [appellant] de overtreding van zijn concurrentiebeding binnen vijf dagen na

betekening van het te wijzen vonnis te beëindigen en [geïntimeerde] bewijs van deze beëindiging

te doen toekomen in de vorm van een verklaring van beëindiging van het dienstverband,

afgegeven door Lutech en CB&I, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat

[appellant] niet aan dit bevel voldoet;

b. bevel aan [appellant] gedurende de resterende duur van het concurrentiebeding, derhalve tot

1 juli 2015, dit beding na te leven, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat

[appellant] niet aan dit bevel voldoet;

c. bevel aan [appellant] het geheimhoudingsbeding na te leven, op straffe van een dwangsom van

€ 500,00 per dag dat [appellant] niet aan dit bevel voldoet;

d. veroordeling van [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de op grond

van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] verschuldigde boete wegens

overtreding van het concurrentiebeding;

e. veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

4. Ter adstructie van haar vordering heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [appellant] het concurrentiebeding schendt door zijn indiensttreding bij Lutech. Lutech is volgens [geïntimeerde] een directe concurrent van haar als bedoeld in het concurrentiebeding. [appellant] is derhalve de in artikel 10 van zijn arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] overeengekomen boete verschuldigd, die € 454,-- per dag bedraagt. Voor matiging is volgens [geïntimeerde] geen grond omdat de overtreding door [appellant] van het concurrentiebeding onverminderd voortduurt.

5. In voorwaardelijke reconventie, voorzover het concurrentiebeding in stand mocht blijven, vorderde [appellant] , zo blijkt uit de brief van 21 januari 2015 van mr. Galama en zijn pleitnota van 22 januari 2015:

Primair: vernietiging van het concurrentiebeding;

Subsidiair: te bepalen dat het concurrentiebeding wordt opgeschort totdat de bodemrechter over het geschil heeft beslist en te bepalen dat een eventueel verbeurde boete wordt gematigd tot nihil, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag;

Meer subsidiair: de matiging van de werking van het concurrentiebeding tot nihil en de boete alsmede de gevorderde dwangsom te matigen tot nihil;

Meer tertiar: beperking van de werking tot de datum van heden (22 januari 2015) met matiging van de verschuldigde boete tot nihil, althans een in goede justitie te betalen bedrag.
Tevens vorderde [appellant] , voorzover het concurrentiebeding in stand zou blijven, een (voorschot op) een schadevergoeding in verband met de directe inkomensschade die [appellant] lijdt en zal lijden indien hij niet werkzaam is in Nederland, te begroten op € 150.000,-- en dezen laste van [geïntimeerde] toe te kennen aan [appellant] , althans een in goede justitie te betalen bedrag, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

6. De kantonrechter heeft in conventie de gevorderde bevelen gegeven, bepaald dat het maximum aan verbeurde dwangsommen € 50.000,-- bedraagt, [appellant] veroordeeld tot betaling van de op grond van art. 10 van de arbeidsovereenkomst verschuldigde boete wegens overtreding van het concurrentiebeding en [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen.

7. [appellant] kan zich met het vonnis van de kantonrechter niet verenigen. In hoger beroep vordert hij vernietiging van genoemd vonnis, afwijzing van de initieel door [geïntimeerde] ingestelde vorderingen en toewijzing van zijn reconventionele vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

8. Het hof stelt vast dat [appellant] geen grieven heeft gericht tegen de afwijzing van zijn voorwaardelijke vordering in reconventie. Deze dient dus in stand te blijven.

9. Naar aanleiding van de door [appellant] opgeworpen grieven dient allereerst de rechtsgeldig-heid van het concurrentiebeding aan de orde te komen (grief 3). [appellant] betoogt dat het beding dermate breed geformuleerd is dat daaruit afgeleid zou kunnen worden dat [appellant] bij geen enkel bedrijf meer in Nederland zou kunnen werken, niet alleen niet in de off-shore maar ook daarbuiten niet. Ook wat betreft de werkzaamheden is, volgens [appellant] , de definitie dermate ruim dat in theorie elk bedrijf daaronder kan vallen. [appellant] stelt dat de zeer algemene beschrijving van het concurrentiebeding alsook de onredelijke beperking van het geografisch gebied tot Nederland, er toe leidt dat het non-concurrentiebeding te beperkend is en niet rechtsgeldig is, althans in het onderhavige geval niet aan [appellant] kan worden tegengeworpen.

10. Het hof verwerpt deze grief. Naar het voorshands oordeel van het hof voldoet het concurrentiebeding dat partijen zijn aangegaan aan de vereisten die art. 7:653, lid 1 BW (oud) stelt voor het rechtsgeldig tot stand komen van een concurrentiebeding. De argumenten die [appellant] in het kader van de derde grief aanvoert zien op het tweede lid van genoemd artikel. Dat artikellid en de op dat artikellid betrekking hebbende verweren, komen hieronder nog aan de orde.

11. Een andere kwestie die aan de orde moet komen betreft de vraag of Lutech/CB&I een bedrijf is dat gelijksoortig is aan [geïntimeerde] en dus een concurrent van [geïntimeerde] is in de zin van het concurrentiebeding (grief 2). Het hof beantwoordt voormelde vraag vooralsnog bevestigend. Uit de wijze waarop partijen zich presenteren (via hun websites en door de inschrijving in het handelsregister) komt naar voren dat beide bedrijven modules ontwerpen die toegepast worden in of bij installaties in de olie- en gasindustrie. Het enkele feit dat beide partijen werkzaam waren op/aan het Aasta Hansteen project, wijst daar ook op. Dat de werkzaamheden die Lutech verricht niet één op één samen vallen met de werkzaamheden die [geïntimeerde] gewoonlijk pleegt te verrichten en dat [appellant] binnen Lutech in een andere functie is gaan werken dan hij bij [geïntimeerde] , doet aan het voorshands oordeel van het hof dat Lutech en [geïntimeerde] gelijksoortige bedrijven zijn, niet af. [appellant] werkte daar ook als “HVAC engineer”.

12. Nu er naar het voorlopig oordeel van het hof sprake is van een rechtsgeldig overeengekomen concurrentiebeding en er sprake is van gelijksoortige bedrijven, dient te worden onderzocht of in verhouding tot het belang dat [geïntimeerde] heeft bij handhaving van het concurrentiebeding, [appellant] door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Grief 4 stelt deze kwestie aan de orde. Het hof verwerpt ook deze grief. Het belang van [geïntimeerde] bestaat er in dat de kennis en informatie over een bepaald project waar zij aan werkt, niet via [appellant] bij een concurrerende relatie als Lutech/CB&I bekend wordt. Dit spreekt te meer nu [appellant] op het project Aasta Hansteen is blijven werken, zij het vanaf 1 juli 2014 in dienst van Lutech. Het hof oordeelt het belang van [appellant] ondergeschikt aan voormelde belang dat [geïntimeerde] heeft bij handhaving van het geding, van een onbillijke benadeling lijkt in dit geval voorshands geen sprake. Het moge zo zijn dat [appellant] bij Lutech beduidend meer kon verdienen bij [geïntimeerde] , maar daarbij moet wel bedacht worden dat de arbeidsovereenkomst die [appellant] met Lutech gesloten heeft, voor maximaal één jaar was, of zoveel korter als het project waar hij tewerkgesteld werd duurde. Het inruilen van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd is niet direct als een positieverbetering te beschouwen. Daar komt bij dat uit niets blijkt dat [appellant] zijn positie binnen [geïntimeerde] niet kon verbeteren, zowel financieel als wat betreft de te verrichten werkzaamheden. Dat [appellant] door het concurrentiebeding in belangrijke mate belemmerd werd om anders dan in dienst van [geïntimeerde] werkzaam te zijn, blijkt uit niets.

13. Grief 1 heeft geen zelfstandige betekenis. Met die grief is bij de feitenvaststelling rekening gehouden.

14. Uit vorenstaande kan worden afgeleid dat het hof voorshands van oordeel is [appellant] het met [geïntimeerde] overeengekomen concurrentiebeding heeft overtreden en op die grond de krachtens art. 10 van het arbeidscontract boete verschuldigd is. Op grond van de omstandigheid dat [appellant] zijn arbeidsrelatie met Lutech, ondanks sommatie daartoe van [geïntimeerde] , niet heeft afgebroken, acht het hof de oplegging van een dwangsom gerechtvaardigd.

15. Met betrekking tot de gevorderde bedragen (boetes) overweegt het hof, dat voor toewijzing van een (geld)vordering in kort geding vereist is dat sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is.

16. Het hof zal de vordering ter zake van boetes, mogelijk verschuldigd in verband met het overtreden van art. 10 van de arbeidsovereenkomst van partijen (schending van het concurrentiebeding), afwijzen. Het spoedeisende karakter van de vordering ter zake, is gesteld noch gebleken. Daar komt bij dat vooralsnog niet kan worden aangenomen dat in een mogelijk aan te spannen bodemprocedure, boetes in de omvang als gevorderd zullen worden toegewezen.

17. De slotsom van al het voorgaande is dat het vonnis van de kantonrechter niet in stand kan blijven, doch enkel daar waar de kantonrechter [appellant] heeft veroordeeld tot betaling van de op grond van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] verschuldigde boete. Voor het overige zal dat vonnis bekrachtigd worden, ook voor wat betreft de kostenveroordeling; grief 6 gaat niet op. Voor wat betreft de kosten van het appel, zal het hof [appellant] als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in die kosten worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 februari 2015, voorzover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van de op grond van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] verschuldigde boetes wegens overtreding van het concurrentiebeding;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

- wijst de gevorderde boetes af;

- bekrachtigt, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, het vonnis voor het overige;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 711,-- aan verschotten en € 1.158,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, M.J. van der Ven en R.S. van Coevorden, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2016 in aanwezigheid van de griffier.