Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:900

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
BK-15/00780
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:4018, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de rechtbank de heffingsambtenaar tot een juist bedrag aan vergoeding van proceskosten heeft veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/782
V-N 2016/29.18.4
FutD 2016-0939
NTFR 2016/1289 met annotatie van mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00780

Uitspraak d.d. 1 maart 2016

in het geding tussen:

[X] , te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2015, nummer ROT 14/7039, betreffende de hierna vermelde beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [Y] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2014 bij beschikking vastgesteld op € 182.000 (hierna: de beschikking), en een daarmee corresponderende aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht van € 45 geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de beschikking gewijzigd in die zin dat de waarde is vastgesteld op € 166.000, de desbetreffende aanslag in de OZB dienovereenkomstig verlaagd, bepaald dat het griffierecht wordt vergoed aan belanghebbende en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.224.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De heffingsambtenaar is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 januari 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente [A] in de zaak met kenmerk BK-15/00781. Hetgeen door partijen in die zaak is aangevoerd, wordt aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is in elke zaak een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, voor zover thans nog van belang, het volgende komen vast te staan:

3.1.

De gemachtigde van belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de door de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] op grond van de Wet WOZ vastgestelde waarde van de onroerende zaak alsmede tegen de corresponderende aanslag in de OZB. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de waarde nader vastgesteld en de aanslag dienovereenkomstig verlaagd.

3.2.

In de zaak, bij het Hof geregistreerd onder kenmerk 15/00781 heeft dezelfde gemachtigde namens een andere belanghebbende beroep ingesteld tegen de door de heffingsambtenaar van de gemeente [A] op grond van de Wet WOZ vastgestelde waarde van een andere onroerende zaak dan de onderhavige, die in een andere gemeente is gelegen, alsmede tegen de corresponderende aanslag in de OZB. Ook in deze zaak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de waarde nader vastgesteld en de aanslag dienovereenkomstig verlaagd.

3.3.

De onder 3.1 vermelde zaak en de onder 3.2 vermelde zaak zijn ter zitting achtereenvolgens behandeld door de rechtbank. Beide zaken zijn afzonderlijk uitgeroepen.

3.4.

De rechtbank heeft zowel in de onder 3.1 vermelde zaak als in de onder 3.2 vermelde zaak een vergoeding van de proceskosten toegekend, en het verzoek van de heffingsambtenaar om beide zaken als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb; tekst vanaf 1 januari 2015) te beschouwen derhalve niet gehonoreerd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de rechtbank de heffingsambtenaar tot een juist bedrag aan vergoeding van proceskosten heeft veroordeeld hetgeen de heffingsambtenaar bestrijdt en belanghebbende verdedigt.

4.2.

Primair is in geschil of de onderhavige zaak dient te worden aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb met de zaak bij het Hof geregistreerd onder kenmerk 15/00781, hetgeen de heffingsambtenaar stelt doch belanghebbende betwist.

4.3.

Subsidiair is in geschil of voormelde zaken voor zover het betreft de behandeling ter zitting moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken in voormelde zin, hetgeen de heffingsambtenaar stelt doch belanghebbende betwist.

4.4.

Voor het geval het gelijk met betrekking tot de primair in geschil zijnde vraag aan de heffingsambtenaar is, stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat de proceskosten in de beroepsfase als volgt dienen te worden berekend:

1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, zijnde 2 punten met een waarde per punt van € 490 = € 980, vermenigvuldigd met de factor ½ wegens samenhang = € 490.

4.5.

Voor het geval het gelijk met betrekking tot de subsidiair in geschil zijnde vraag aan de heffingsambtenaar is, stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat de proceskosten in de beroepsfase als volgt dienen te worden berekend:

1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting vermenigvuldigd met de factor ½ wegens samenhang, zijnde 1,5 punt met een waarde per punt van € 490 = € 735.

4.6.

Voor de gronden van de standpunten van partijen, verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van de heffingsambtenaar strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van proceskosten.

5.2.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en met betrekking tot de proceskostenvergoeding het volgende overwogen:

“8. De rechtbank veroordeelt [de heffingsambtenaar] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.224,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 244,- en wegingsfactor 1, alsmede 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1). De rechtbank ziet, anders dan [de heffingsambtenaar], geen grond om aan te nemen dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. Onderhavige zaak is weliswaar nagenoeg gelijktijdig ter zitting behandeld met de zaak ROT 14/7038 en ook in die zaak trad ir. [B] op als gemachtigde van [belanghebbende], maar de werkzaamheden in beide zaken kunnen niet als nagenoeg identiek worden beschouwd. Hiervoor acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat het gaat om verschillende type woningen (ROT 14/7038 betreft een vrijstaande woning) en dat de woningen zijn gelegen in verschillende plaatsen (ROT 14/7038 betreft een woning in [C] ). Er is derhalve geen sprake van samenhangende zaken. (…)”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Tot 1 januari 2015 luidde artikel 3 van het Bpb (de samenhangregeling) als volgt:

"Artikel 3

1. Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, lid 1, onder a, beschouwd als één zaak.

2. Samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen (Hof: de eerste voorwaarde) waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband (Hof: de tweede voorwaarde) en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn (Hof: de derde voorwaarde)."

7.2.

Bij “Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Bpb […] in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken” (Staatsblad 2014, 411) is met ingang van 1 januari 2015 de oude samenhangregeling gewijzigd.

Artikel 3, lid 2, van het Bpb luidt per 1 januari 2015 als volgt:

"Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld (Hof: de eerste voorwaarde), waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband (Hof: de tweede voorwaarde) en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn (Hof: de derde voorwaarde)."

7.3.

In de Nota van Toelichting bij het Bpb is het volgende opgemerkt:

"In de praktijk komt het regelmatig voor dat verschillende zaken met eenzelfde rechtsbijstandverlener tegelijkertijd of volgtijdelijk worden behandeld op een zitting of hoorzitting. Daarbij wordt tijdens die (hoor)zitting in kort tijdsbestek een veelvoud van zaken behandeld die sterk op elkaar lijken. Een strikte toepassing van het Bpb kan dan onredelijk uitwerken. Dergelijke zittingen kunnen zelden worden aangemerkt als een samenhangende zaak in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Vaak is niet voldaan aan alle in die bepaling gestelde vereisten, namelijk dat de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn gemaakt onderscheidenlijk ingesteld en dat het nagenoeg identieke besluiten betreft, waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld. De Hoge Raad ziet in belastingzaken niet snel aanleiding om te spreken van nagenoeg identieke zaken, aangezien veelal per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of aanslagen naar de juiste heffingsgrondslag zijn opgelegd (zie ook HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3090). Immers, bij veel aanslagen zullen de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden betreffen.

Om die reden is het wenselijk te komen tot een verruiming van het begrip samenhangende zaak in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit wordt bewerkstelligd door schrapping van de vereisten dat het moet gaan om nagenoeg identieke besluiten waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar of gemaakt of beroep is ingesteld. Het vereiste dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn ingediend, wil sprake kunnen zijn van samenhangende zaken, is vervangen door het criterium dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn behandeld. Zo is men voor de vraag of sprake is van samenhangende zaken niet afhankelijk van de rechtsbijstandverlener en de vraag of deze de bezwaren of beroepen al dan niet gelijktijdig indient. Leidend wordt de vraag of het bestuursorgaan onderscheidenlijk de bestuursrechter de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt. Door deze verruiming van het tweede lid zal dus sneller sprake zijn van een samenhangende zaak waardoor het bestuursorgaan en de rechter vaker in situaties dat meerdere zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig worden behandeld, en dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak, voor de kosten de vergoeding voor één zaak (bij minder dan vier zaken) dan wel 1,5 zaak (bij vier of meer zaken) in aanmerking zal nemen. Dit heeft in zaken waarin een rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener niet langer voor ieder [lees: iedere, hof] zaak apart een kostenvergoeding ontvangt, waarmee een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor zijn werkzaamheden.

Ingeval de kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in een bepaald geval onevenredig hoog is, kunnen bestuursorgaan en rechter gebruik maken van artikel 2, derde lid, Bpb, dat het bestuursorgaan en de bestuursrechter de mogelijkheid biedt om in bijzondere omstandigheden af te wijken van de volgens het Bpb berekende vergoeding."

7.4.

Nu de uitspraak van de rechtbank is gedagtekend 10 juni 2015 is de nieuwe samenhangregeling van toepassing.

7.5.

De heffingsambtenaar betoogt dat anders dan vóór 1 januari 2015 de (nagenoeg) gelijktijdige behandeling van de zaken leidend is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van samenhangende zaken. In dit verband acht de heffingsambtenaar van groot belang dat beide zaken door de rechtbank achtereenvolgend ter zitting zijn behandeld. De heffingsambtenaar benadrukt dat met ingang van 1 januari 2015 sprake is van een verruiming van de samenhangregeling. Nu voorts in beide zaken de belangen door dezelfde gemachtigde worden behartigd is sprake van samenhangende zaken, aldus de heffingsambtenaar. Met betrekking tot de voorwaarde dat sprake dient te zijn van nagenoeg identieke werkzaamheden stelt de heffingsambtenaar dat aan deze voorwaarde is voldaan nu het in beide gevallen de waardering van onroerende zaken op grond van de Wet WOZ betreft.

7.6.

Het Hof stelt dienaangaande voorop dat er drie voorwaarden gelden om zaken als samenhangend te beschouwen in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb (zie hiervoor 7.1 en 7.2). De thans geldende eerste voorwaarde inzake de (nagenoeg) gelijktijdige behandeling van de ingestelde beroepen is in de plaats gekomen van de destijds geldende eerste voorwaarde dat de beroepen nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend tegen nagenoeg identieke besluiten. De in de Nota van Toelichting gemaakte opmerking dat leidend wordt of de beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandeld zijn dient in dat licht te worden bezien, te weten een wijziging van deze voorwaarde. De wijziging van deze voorwaarde brengt geenszins mee dat aan de andere twee voorwaarden die in artikel 3, tweede lid van het Bpb worden gesteld, geen of minder belang toekomt dan voorheen.

7.7.

Met betrekking tot de voorwaarde (de derde voorwaarde die in artikel 3, tweede lid van het Bpb wordt gesteld) dat sprake is van werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener die in beide zaken nagenoeg identiek konden zijn, is het Hof met de rechtbank van oordeel, dat de verschillen tussen de onderhavige zaak en de zaak met kenmerk 15/00780 dusdanig zijn dat niet gezegd kan worden dat “dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak”. Het Hof overweegt dat de onroerende zaken in verschillende gemeenten liggen, verschillen qua aard, ligging en objectkenmerken, in eigendom zijn bij verschillende belanghebbenden et cetera. De beroepen zijn elk afgestemd op de bijzonderheden van de onderscheiden onroerende zaken en vertonen geen inhoudelijke gelijkenis, zodat niet kan worden geoordeeld dat de proceshandelingen een (groot) uniform karakter hebben. De enkele omstandigheid dat de argumentatie in alle zaken is gebaseerd op een waardebepaling volgens de vergelijkingsmethode, acht het Hof onvoldoende om te spreken van (nagenoeg) identieke werkzaamheden. Er is derhalve geen sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. In zoverre faalt het hoger beroep van de heffingsambtenaar.

7.8.

De subsidiaire stelling van de heffingsambtenaar dat voormelde zaken voor zover het betreft de behandeling ter zitting moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb omdat sprake is van achtereenvolgende behandeling ter zitting, faalt eveneens reeds omdat artikel 3, tweede lid, van het Bpb hier niet in voorziet. Volledigheidshalve overweegt het Hof dat de achtereenvolgende behandeling van de zaken ter zitting geen bijzondere omstandigheid vormt als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Bpb die noopt tot afwijking van de forfaitaire regeling. De forfaitaire regeling leidt hierdoor, naar ’s Hofs oordeel, in het onderhavige geval niet tot een vergoeding die onevenredig hoog is.

7.9.

Met in achtneming van het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten voor het hoger beroep, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het Hof overweegt dat in hoger beroep, anders dan bij de rechtbank, wél sprake is van twee samenhangende zaken. Het Hof acht van belang dat in hoger beroep in beide zaken louter de hoogte van de proceskostenvergoeding in geschil is, waarbij de gewisselde argumenten geheel identiek zijn. Ook aan de overige voorwaarden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb is voldaan.

8.2.

Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 992 (2 punten à € 496 x 1 (gewicht van de zaak) x 1 (twee samenhangende zaken)), waarvan te dezen de helft, derhalve in totaal € 496 in aanmerking wordt genomen.

Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 496 en

- bepaalt dat van de heffingsambtenaar ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 503

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, W.M.G. Visser en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 1 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.