Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:892

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
BK-15/00373
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:5362, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:450
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt, in zoverre net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld (hoger beroep Inspecteur) of belanghebbende het juiste bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/761
FutD 2016-0933
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00373

Uitspraak van 1 april 2016

in het geding tussen:

[X] B.V., statutair gevestigd te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 april 2015, nr. SGR 14/6810.

Bezwaar en beroep

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 506 opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 328 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 457 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Hoger beroep

2.1.

De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Tevens heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld, waarop de Inspecteur heeft gereageerd.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 februari 2016 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. De zaak is tegelijk behandeld met de BPM-zaken BK-15/00372, BK-15/00379 en BK-15/00380. Wat in de ene zaak is aangevoerd en ingebracht geldt ook voor de andere zaken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt.

Feiten

3.1.

Belanghebbende heeft op 23 januari 2014 aangifte voor de BPM gedaan voor de Nederlandse registratie van een gebruikte personenauto, een Audi A7 Sportback 3.0 TFSI.

3.2.

Aan de naheffingsaanslag ligt ten grondslag dat de Inspecteur is afgeweken van de aangifte, omdat hij een hogere waarde van de auto heeft vastgesteld op basis van een koerslijst voor een Btw-auto.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

3. In geschil is of voor het vaststellen van de waarde van de auto aan de hand van een koerslijst in dit geval moet worden uitgegaan van een Btw-auto, zoals [de Inspecteur] bepleit, of mag worden uitgegaan van een zogenoemde marge-auto, zoals [belanghebbende] bepleit. (…)

Beoordeling van het geschil

4. Het Europese Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 19 december 2013, nr. C-437/12, ECLI:NL:XX:2013:178, onder meer het volgende overwogen:

'Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als ‘gelijksoortige producten’, zijnde producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C-101/00, Jurispr. blz. I-7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C-74/06, Jurispr. blz. I-7585, punten 29 en 37).'

5. Het onderscheid tussen enerzijds een Btw-auto en anderzijds een marge-auto is naar het oordeel van de rechtbank geen concreet aanwijsbare onderscheidende eigenschap van de auto zelf. Dit enkele verschil in waardering wegens de belastingpositie van de handelaar in de handelsketen, is op zichzelf onvoldoende om te constateren dat een Btw-auto en een marge-auto zich niet langer in een concurrentieverhouding bevinden en niet meer als gelijksoortige voertuigen kunnen worden beschouwd. Hieruit volgt dat [belanghebbende] de waarde van de auto mocht bepalen aan de hand van een koerslijst voor een marge-auto.

6. [ De Inspecteur] heeft het standpunt ingenomen dat indien een auto die feitelijk een Btw-auto is bij invoer uit het buitenland wordt behandeld als een marge-auto, het neutraliteitsbeginsel wordt geschonden. Naar de rechtbank begrijpt betoogt [de Inspecteur] hiermee dat een buitenlandse auto aantrekkelijker wordt als deze als margeauto kan worden ingevoerd omdat er dan minder Bpm verschuldigd is. Ook deze redenering stuit af op het feit dat het zijn van Btw-auto niet een kenmerk van de auto is. Voor de vraag of verstoring optreedt, moet niet louter worden vergeleken met Btw-auto’s of margeauto’s die zich al op de Nederlandse markt bevinden. In de afweging een auto naar Nederland te importeren kan de aftrekbaarheid van Btw een rol spelen, maar dat enkele gegeven maakt de hiervoor gegeven uitleg van de Wet op de Bpm 1992 niet strijdig met het neutraliteitsbeginsel.

7. (…)

8. (…)

9. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5 tot en met 7 is het beroep gegrond verklaard.

Proceskosten

10. De rechtbank vindt aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de proceskosten van [belanghebbende]. Bij Besluit van 27 oktober 2014 (Stb. 2014, 411) is artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht gewijzigd. Dat artikellid luidt met ingang van 1 januari 2015 als volgt: 'Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.'

11. Op grond van het overgangsrecht heeft de wijziging onmiddellijke werking. Dat betekent dat zowel de proceskostenvergoeding in bezwaar als in beroep in de zaak van [belanghebbende] op basis van het gewijzigde artikel 3, tweede lid, van het Besluit moet worden vastgesteld.

12. Naar het oordeel van de rechtbank zijn het onderhavige beroep en de overige op dezelfde zitting behandelde beroepen samenhangende zaken in voormelde zin, nu sprake is van vergelijkbare beroepschriften en inhoudelijk sterk vergelijkbare, nagenoeg identieke werkzaamheden. Dit geldt eveneens voor de behandelde bezwaren. De teksten van de bezwaarschriften zijn ook grotendeels gelijkluidend. De te beantwoorden rechtsvraag is in alle dossiers dezelfde, te weten of voor het vaststellen van de waarde van de auto moet worden uitgegaan van een Btw-auto of van een marge-auto. Alleen in de onderhavige zaak speelt daarnaast nog de vraag of recht bestaat op extra leeftijdskorting, maar dit aanvullende standpunt maakt niet dat geen sprake is van een nagenoeg identieke zaak. [De Inspecteur] heeft weliswaar niet in alle zaken gelijktijdig uitspraak op bezwaar gedaan, maar de dagtekeningen daarvan liggen dermate dicht bij elkaar dat sprake is van een nagenoeg gelijktijdige behandeling. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht onverbindend moet worden verklaard zoals verzocht door [belanghebbende].

13. Er is sprake van vier samenhangende zaken waarin de beroepen gegrond zijn verklaard. Gelet hierop zijn de kosten voor het onderhavige beroep op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 457, zijnde 1/4 deel van € 1.826 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 243, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487, een wegingsfactor 1 en een factor 1,5 voor samenhang). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Schadevergoeding

14. (…)

(…)"

Geschil en standpunten

5.1.

Partijen houdt, in zoverre net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld (hoger beroep Inspecteur) of belanghebbende het juiste bedrag aan BPM op aangifte heeft voldaan, welke vraag de Inspecteur ontkennend en belanghebbende bevestigend beantwoordt.

5.2.

Voorts is tussen partijen in geschil (incidenteel hoger beroep belanghebbende) of deze zaak dient te worden aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) met de in 2.3 genoemde zaken.

5.3.Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

5.4.

Partijen hebben ter zitting verklaard dat het punt van de extra leeftijdskorting geen deel meer uitmaakt van het geschil.

Beoordeling

6.1.

De rechtbank heeft naar ’s Hofs oordeel, uitgaande van de gegevens over de auto ten opzichte van vergelijkbare auto’s, terecht en op goede gronden geoordeeld dat wat betreft de heffing van BPM het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. De Inspecteur heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd, gelet ook op de door belanghebbende in het verweerschrift in hoger beroep gegeven uiteenzetting, dat een andere conclusie rechtvaardigt. Integendeel, het recht op het terrein van de BPM brengt mee dat, nu naar tussen partijen vaststaat, de in geding zijnde koerslijst beslissend is voor de bepaling van de verschuldigde BPM, belanghebbende de voor de auto laagste waarde op die lijst mag kiezen, ongeacht hoe belanghebbende eigenaar is geworden van de auto, meer in het bijzonder ongeacht de fiscale herkomst van de auto. De (fiscale) herkomst van de auto of de voor de omzetbelasting aan de auto toe te kennen status is geen eigenschap die aan de auto kleeft en beïnvloedt zodoende de heffing van BPM niet.

6.2.

De rechtbank heeft naar ’s Hofs oordeel, uitgaande van de (procedure)gegevens, evenzeer terecht en op goede gronden geoordeeld dat de vier in geding zijnde zaken samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, van het nieuwe Bpb zijn. Het Hof neemt in aanmerking dat de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat de te verrichten werkzaamheden niet alleen nagenoeg identiek hadden kunnen zijn, maar dat de gedurende de gehele procesgang, dat wil zeggen in bezwaar, in beroep en in hoger beroep, daadwerkelijk verrichte werkzaamheden ook nagenoeg identiek zijn. De stelling van belanghebbende dat de nieuwe samenhangregeling de mogelijkheid biedt de samenhang alleen in aanmerking te nemen waar het gaat om de mondelinge behandeling en niet waar het gaat om de andere onderdelen van de procedure, verwerpt het Hof. Is sprake van samenhang, dan geldt de samenhang voor de gehele procesgang. Voor de stelling van belanghebbende is ook geen steun te vinden in de feiten.

6.3.

Onder de gegeven omstandigheden, afgezet tegen het oude Bpb, brengt het rechtszekerheidsbeginsel niettemin mee dat voor het vaststellen van de proceskosten in bezwaar geen samenhang wordt aangenomen (de uitspraak op bezwaar is van 23 juli 2014). In zoverre is het gelijk aan de zijde van belanghebbende.

6.4.

Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond en het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten, ervan uitgaande dat het door de rechtbank toegepaste puntenaantal niet ter discussie staat en overigens in afwijking van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. De kosten stelt het Hof vast op in totaal € 1.641, te weten € 246 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar plus ¼ van € 5.580 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep: 5 punten à € 496 x 1,5 (gewicht) x 1,5 (samenhang). Voor een hogere of lagere vergoeding van proceskosten acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2.

Nu het hoger beroep ongegrond is, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 497.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing over de proceskosten; en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.641.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.G. Detweiler. De beslissing is op 1 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.