Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:872

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
200.145.400 / 01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Franchise. Informatieplicht franchisegever over samenwerkingsovereenkomst opdrachtgever. Dwaling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.145.400 / 01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/436946 / HA ZA 13-158

Arrest van 12 april 2016

inzake

AZVJ B.V.,

gevestigd te Groningen,

appellante,

hierna te noemen: AZVJ,

advocaat: mr. J.P. Heering te Den Haag,

tegen

Olympia Nederland B.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Olympia,

advocaat: mr. D.H. Lodder te Rotterdam.

Het geding

1. Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 27 mei 2014 verwijst het hof naar dat arrest. De in dat arrest bevolen comparitie heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Van die comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. AZVJ heeft vervolgens bij memorie van grieven 14 grieven (genummerd I tot en met XVI, maar de grieven XIII en XIV ontbreken) tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, en haar eis gewijzigd. Olympia heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Ten slotte is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de volgende feiten:

  1. Op 3 februari 2006 is een franchiseovereenkomst tot stand gekomen tussen Olympia enerzijds en [A] (hierna: [A]) anderzijds. [A] verkreeg met die overeenkomst het recht van franchise voor de exploitatie van een Olympia uitzendbureau te Assen. De franchiseovereenkomst had een initiële duur tot 13 juni 2011. In juni 2011 is de franchiseovereenkomst mondeling verlengd voor de duur van vijf jaar, dus tot 13 juni 2016.

  2. FrieslandCampina Nederland Holding B.V. (hierna: FC) is een zogenaamd “national account” van Olympia. De relatie tussen Olympia en FC is in eerste instantie vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst die met ingang van 1 januari 2004 van kracht is geworden.

  3. [A] heeft uitzendkrachten geleverd aan de locatie Beilen van FC (hierna: FC Beilen).

  4. In een audit-verslag van FC van 27 oktober 2009 van de Olympia-vestiging te Assen is opgenomen dat het contract tussen Olympia en FC niet op de Olympia-vestiging Assen aanwezig is. In een e-mail van 28 december 2009 van [B], verbonden aan Olympia, aan het e-mailadres “Info Assen” is opgenomen “P.S. ik heb gisterenavond de laatste, complete versie van het contract naar de afd. Inkoop van FC verzonden. Hopelijk wordt er nu snel een klap (akkoord) op gegeven, zodat ik e.e.a. kan gaan communiceren.”

  5. Met ingang van 1 januari 2010 heeft Olympia een (nieuwe) landelijke samenwerkingsovereenkomst gesloten met FC voor de duur van vijf jaar. Op grond van die overeenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) waren Olympia en Manpower uitzendbureau “hofleverancier” voor de uitzendkrachten van FC. Artikel 3.2 van de samenwerkingsovereenkomst luidt als volgt: “Uitgangspunt van deze Samenwerkingsovereenkomst is dat een verdeling van de in te huren uren plaats heeft in een verhouding van 2/3 ten behoeve van Manpower en 1/3 ten behoeve van Olympia. Jaarlijks wordt door FrieslandCampina in de maand februari een herwaardering gemaakt op basis van de uren uit de tenderverdeling. Indien de urenverdeling minder afwijkt dan vijf procent zal er geen herwaardering plaatsvinden. Bij een afwijking van vijf procent of meer bepaalt FrieslandCampina nadrukkelijk de invulling van de herverdeling van haar locaties.”

Hetgeen in dit artikel is opgenomen zal hierna worden aangeduid als “de herverdelingsafspraak”.

Olympia heeft de franchisenemers bij e-mail van 5 november 2009 over de samenwerkingsovereenkomst geïnformeerd. Op 9 december 2009 en 26 januari 2011 heeft Olympia bijeenkomsten georganiseerd voor de franchisenemers om de samenwerkingsovereenkomst te presenteren. Bij de eerste bijeenkomst is [A] niet aanwezig geweest en bij de tweede wel. Op 16 juni 2011 is de samenwerkingsovereenkomst op het intranet van Olympia, dat toegankelijk is voor de franchisenemers, geplaatst.

[A] was voor FC Beilen met ingang van 1 januari 2010 “hofleverancier” op grond van de samenwerkingsovereenkomst.

[A] heeft zijn eenmanszaak in juli 2011 ingebracht in AZVJ.

Op 7 november 2011 heeft FC Olympia bericht dat de urenverdeling tussen Manpower en Olympia niet meer conform de gemaakte afspraken is. Zij heeft daarbij aangekondigd de vestiging Beilen “over te zetten” van Olympia naar Manpower. [A] is hierover op 17 november 2011 door Olympia geïnformeerd. Op 24 november 2011 heeft Olympia [A] telefonisch geïnformeerd dat de locatie FC Beilen per 1 januari 2012 zal overgaan naar Manpower.

AZVJ heeft haar Olympia-vestiging in november 2013 aan Olympia overgedragen. Zij is daarbij ontslagen uit haar verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst.

3. AZVJ vorderde in eerste aanleg primair de vernietiging van de franchiseovereenkomst van 13 juni 2011 en de veroordeling van Olympia tot vergoeding van de door AZVJ geleden en nog te lijden schade ten bedrage van € 480.318,--. Subsidiair en meer subsidiair vorderde zij de ontbinding van de franchiseovereenkomst en de veroordeling van Olympia tot vergoeding van een totale schade van € 622.209, 84. Zowel primair als subsidiair en meer subsidiair vorderde zij rente en buitengerechtelijke incassokosten en de veroordeling van Olympia in de kosten van het geding.

4. De rechtbank heeft alle vorderingen afgewezen en AZVJ in de kosten van het geding veroordeeld. In hoger beroep vordert AZVJ de vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Primair vordert zij voorts een verklaring voor recht dat AZVJ (en Olympia) hebben gedwaald ten tijde van de verlenging van de franchiseovereenkomst, alsmede de vernietiging van die overeenkomst en de veroordeling van Olympia tot betaling van € 480.318,-, althans een door het hof te bepalen bedrag, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure. Subsidiair vordert AZVJ een verklaring voor recht dat Olympia toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht doordat zij AZVJ niet deugdelijk heeft geïnformeerd voor de verlenging van de franchiseovereenkomst, en veroordeling van Olympia tot betaling van € 582.170,59. Zij vordert voorts een verklaring voor recht dat Olympia toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van haar verplichting tot terugbetaling van de weddingbonus en veroordeling van Olympia tot betaling van € 80.039,25, althans een door het hof te bepalen bedrag.

Zowel primair als subsidiair vordert AZVJ veroordeling van Olympia tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het geding.

5. Grief I is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat in het najaar van 2011 tussen FC en Olympia discussie is ontstaan over een opgetreden scheefgroei in de verdelingsafspraak. Grief II komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de samenwerkingsovereenkomst, toen deze gereed en ondertekend was, op het intranet van Olympia is geplaatst. Grief III richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat tijdens de voorlichtingsbijeenkomsten is gewezen op de mogelijkheid van urenverlies, terwijl grief IV op komt tegen het oordeel dat Olympia haar franchisenemers op de hoogte hield van de relevante ontwikkelingen. Met grief V komt AZVJ op tegen de conclusie dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat Olympia haar informatieplicht heeft geschonden. Grief VI komt op tegen het oordeel van de rechtbank over het ontbreken van causaal verband en de grieven VII en VIII tegen het oordeel dat van een tekortkoming in de nakoming van de franchiseovereenkomst door Olympia geen sprake is. Met grief IX voert AZVJ aan dat Olympia al voor 7 november 2011 wetenschap moet hebben gehad van de scheefgroei tussen Olympia en Manpower en met grief X voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een gezamenlijk belang van AZVJ en Olympia. Zij betoogt in dit verband dat Olympia het belang van AZVJ volledig heeft genegeerd. Met grief XI voert AZVJ aan dat zij niet op de hoogte was van de verdelingsafspraak, zodat zij er geen rekening mee kon houden dat zij de door FC gevraagde uren niet zou kunnen leveren. Grief XII komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het inkomensverlies mede te wijten is aan het feit dat AZVJ haar omzet vrijwel geheel genereerde uit de relatie met FC. De grieven XIII en XIV ontbreken. De grieven XV en XVI zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering als zodanig en de veroordeling van AZVJ in de proceskosten.

6. Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken. De kern van het betoog van AZVJ is dat zij ervan uit mocht gaan dat zij in ieder geval tot 2015 alle uitzendkrachten mocht leveren aan FC Beilen omdat zij niet op de hoogte was en ook niet op de hoogte kon zijn van de in artikel 3.2 van de samenwerkingsovereenkomst neergelegde herverdelingsafspraak. AZVJ stelt in dit verband dat zij, als zij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, de franchiseovereenkomst hoogstwaarschijnlijk niet zou hebben verlengd, althans niet onder dezelfde voorwaarden, en mogelijk zelfs tot verkoop van de onderneming zou zijn overgegaan. Door AZVJ niet te informeren over het bestaan van de herverdelingsafspraak is Olympia, zo stelt AZVJ, tekort geschoten in haar informatieverplichting.

7. Bij beoordeling van dat betoog stelt het hof voorop dat AZVJ niet stelt dat (i) Olympia niet gerechtigd was in de samenwerkingsovereenkomst de bewuste herverdelingsafspraak te maken en (ii) dat FC niet gerechtigd was (en Olympia niet gehouden was daarmee in te stemmen) om daadwerkelijk tot een zodanige herverdeling over te gaan dat AZVJ niet langer leverancier van uitzendkrachten aan FC Beilen was. Het hof zal er daarom in het navolgende vanuit gaan dat Olympia jegens haar franchisenemers gerechtigd was een dergelijke afspraak met een national account te maken en dat de herverdeling van de FC-locatie Beilen conform die afspraak is geschied.

8. Van een franchisegever mag worden verwacht dat zij de (potentiële) franchisenemers informeert over een gebeurtenis zoals het sluiten van een overeenkomst met een national account. De franchisenemers hebben die overeenkomst immers uit te voeren en dienen daarvan dus op de hoogte te zijn. Die informatieplicht gaat niet zonder meer zover dat ieder artikel van de – in dit geval 46 pagina’s tellende – overeenkomst aan de individuele franchisenemers moet worden voorgehouden. Niet ieder artikel is immers voor alle franchisenemers van belang; dat geldt ook voor artikel 3.2 van de samenwerkingsovereenkomst, waarin de herverdelingsafspraak is neergelegd. Er is geen reden waarom de franchisegever niet zou kunnen volstaan met het melden van het sluiten van de overeenkomst en het ter beschikking stellen van die overeenkomst, opdat de franchisenemers daaruit zelf kunnen afleiden wat er precies is overeengekomen en wat daaruit voor hen van belang is. Dat geldt ook wanneer een franchiseovereenkomst wordt verlengd. Van de franchisegever kan worden verwacht inzicht te geven in de voor de franchisenemer relevante omstandigheden, maar ook dan kan niet de eis worden gesteld dat iedere afzonderlijke bepaling van een samenwerkingsovereenkomst afzonderlijk uiteen wordt gezet. Dat wordt niet anders wanneer in aanmerking wordt genomen dat AZVJ in belangrijke mate afhankelijk was van FC, omdat dit gegeven bij uitstek ook bij AZVJ bekend was en voor haar aanleiding had moeten zijn de samenwerkingsovereenkomst op te vragen. Dat AZVJ ten tijde van de verlenging van de franchiseovereenkomst (i) heeft gevraagd om toezending van de samenwerkingsovereenkomst en (ii) dat dit haar toen is geweigerd, heeft zij niet gesteld en van een voldoende onderbouwing voorzien, terwijl Olympia heeft aangevoerd dat de overeenkomst opvraagbaar en te raadplegen was (paragraaf 16 conclusie van antwoord). De door AZVJ als producties 3, 4 en 5 bij akte van 9 juli 2013 in het geding gebrachte producties hebben betrekking op een andere periode (zij betreffen de periode voor het sluiten, althans de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst) en de als productie 27 bij dagvaarding overgelegde e-mail van 10 januari 2013 (waarnaar in diezelfde akte in dit verband wordt verwezen) dateert ruimschoots van na het verlengen van de franchiseovereenkomst en heeft overigens betrekking op een overeenkomst met ISS Cleaning. Een bewijsaanbod met betrekking tot dit onderwerp ontbreekt in hoger beroep.

9. Dat Olympia haar franchisenemers op de hoogte heeft gesteld van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst is tussen partijen niet in geschil. Of en zo ja, wanneer de herverdelingsafspraak in een plenaire bijeenkomst met franchisenemers aan de orde is gekomen, kan gelet op het bovenstaande in het midden blijven.

10. Uit het bovenstaande volgt reeds dat AZVJ niet kan worden gevolgd in haar stelling dat Olympia tekort is geschoten in haar informatieverplichting met betrekking tot de herverdelingsafspraak. Daarover zou anders kunnen worden geoordeeld wanneer zou komen vast te staan dat Olympia ten tijde van het verlengen van de franchiseovereenkomst ervan op de hoogte zou zijn geweest dat een herverdeling ophanden was die AZVJ zou treffen. Van Olympia zou in dat geval wellicht verwacht mogen worden dat zij AZVJ daarover zou hebben geïnformeerd. AZVJ heeft zich in dit verband beroepen op de brief van 7 november 2011, waarin onder meer is opgenomen dat “medio mei 2011” aan het licht is gekomen dat de urenverdeling niet meer conform de afspraken was. Dat dit gegeven ook reeds in mei 2011 door FC met Olympia is besproken, is door Olympia betwist, en kan uit die brief niet worden afgeleid, terwijl het bewijsaanbod niet op dit feit betrekking heeft.

11. Het hof passeert de stelling van AZVJ dat [A] tijdens de bijeenkomst in januari 2011 heeft gevraagd naar de risico’s van de samenwerkingsovereenkomst voor hem als franchisenemer en dat ook toen niet op de herverdelingsafspraak is gewezen. Ook als juist is dat hem toen twee risico’s zijn geschetst, heeft hij daaruit niet zonder meer mogen afleiden dat de risico’s daarmee uitputtend waren geschetst. Het hof neemt in dit verband in aanmerking dat AZVJ niet heeft weersproken dat er in ieder geval ook nog een derde risico was, gelegen in het feit dat er voor FC geen afnameverplichting was.

12. De stelling dat Olympia niet aan haar informatieplicht heeft voldaan, stuit op het bovenstaande af. Het hof voegt daar (deels) ten overvloede het volgende aan toe.

13. De primaire vordering is gebaseerd op de grondslag dwaling. Een van de voorwaarden voor een geslaagd beroep op dwaling is dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit causaal verband ontbreekt. Tegen dat oordeel richt zich grief VI. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat AZVJ onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de franchiseovereenkomst in juni 2011 niet, of slechts op andere voorwaarden, zou hebben gesloten wanneer zij op de hoogte was geweest van de herverdelingsafspraak in de samenwerkingsovereenkomst. In juni 2011 was AZVJ immers reeds eigenaar van de Olympia-vestiging Assen. Daarvoor behoefde zij dus geen nieuwe investeringen te doen. Een alternatief voor het verlengen van de franchiseovereenkomst heeft AZVJ niet aangedragen. Naar zij zelf stelt was zij in belangrijke mate afhankelijk van de aan FC geleverde uren. Het niet-verlengen van de franchiseovereenkomst zou er niet toe hebben geleid dat zij die uren (wel) kon blijven leveren. De stelling dat zij haar onderneming op dat moment en bij kennis van de herverdelingsafspraak voor een hogere waarde zou hebben kunnen verkopen dan thans het geval is geweest, miskent, uitgaande van de door AZVJ gestelde relevantie van de herverdelingsafspraak, dat een eventuele koper ook op de hoogte had moeten worden gesteld van de herverdelingsafspraak en die afspraak, die er in de woorden van AZVJ toe leidde dat haar omzet was gerealiseerd op drijfzand (paragraaf 5.28 memorie van grieven) in de waardebepaling van de onderneming zou hebben moeten betrekken. De stelling dat AZVJ de overeenkomst op andere voorwaarden had willen sluiten, is op geen enkele wijze geconcretiseerd en zal om die reden worden gepasseerd. Dat betekent dat grief VI faalt. De primaire vordering stuit ook daarop af. De overige grieven die betrekking hebben op de primaire vordering kunnen dus onbesproken blijven.

14. De subsidiaire vordering heeft als uitgangspunt dat Olympia tekort is gekomen in de nakoming van haar verbintenissen omdat zij AZVJ niet heeft geïnformeerd over de herverdelingsafspraak. Uit het bovenstaande volgt dat dit naar het oordeel van het hof geen tekortkoming oplevert. Voorts betoogt AZVJ dat Olympia tekort is geschoten doordat Olympia AZVJ onvolledig en niet tijdig heeft geïnformeerd over de aankondiging van FC dat tot herverdeling zou worden overgegaan en aldus haar zorgplicht heeft geschonden. Anders dan AZVJ stelt, is het aan haar om feiten te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat Olympia tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht. Zoals het hof hierboven reeds heeft overwogen kan uit de brief van 7 november 2011 niet worden afgeleid dat Olympia al eerder dan op 7 november 2011 op de hoogte kwam van het concrete voornemen om FC Beilen over te dragen aan Manpower. Ook overigens kan dat niet uit de stellingen van AZVJ worden afgeleid. Olympia heeft in dit verband naar voren gebracht dat FC bij brief van 8 september 2011 een voorstel heeft gedaan tot geleidelijke herverdeling van de uren tussen Olympia en Manpower. AZVJ heeft niet gesteld dat toen al sprake was van een herverdeling van FC Beilen. Naar het oordeel van het hof ontstond er op dat moment daarom geen verplichting voor Olympia om AZVJ daarover te informeren. Er werd kennelijk slechts in algemene zin gesproken over een herverdeling. Het bewijsaanbod dat AZVJ in paragraaf 5.2 van de memorie van grieven doet, is daarom niet relevant en zal worden gepasseerd. Aangezien AZVJ overigens niet stelt dat een concrete herverdeling eerder dan bij brief van 7 november 2011 aan de orde is gesteld, zal het hof daarvan uitgaan. Olympia heeft AZVJ vervolgens op 17 november 2011 geïnformeerd. Hoewel getwijfeld kan worden over de vraag of Olympia niet direct op 7 november 2011 AZVJ had moeten inlichten, kan het tijdsverloop tussen 7 november 2011 en 17 november 2011 niet in verband met de gestelde schade worden gebracht, zodat het niet relevant is. Eerder dan op 7 november 2011 was die verplichting voor Olympia er in ieder geval niet omdat uit de stellingen van AZVJ niet kan worden afgeleid dat Olympia toen ervan op de hoogte was dat een herverdeling van FC Beilen zou worden doorgevoerd.

15. AZVJ betoogt voorts (paragraaf 3.22 en 5.44 van de memorie van grieven) dat Olympia simpelweg akkoord is gegaan met het volledig overzetten van alle uren van de vestiging van AZVJ naar Manpower. Het hof passeert die stelling aangezien AZVJ niet stelt dat FC op basis van de samenwerkingsovereenkomst niet tot de herverdeling kon komen, zodat zonder nadere toelichting niet is in te zien hoe verdere inspanningen van Olympia die herverdeling hadden kunnen voorkomen. De stelling dat Olympia gehouden was ervoor zorg te dragen dat de uitzendkrachten voor AZVJ hadden kunnen werken totdat zij 1040 uur hadden gewerkt (paragraaf 3.23 en 3.24 memorie van grieven) ziet eraan voorbij dat FC de uitzendkrachten niet in dienst heeft genomen, maar dat sprake is geweest van een herverdeling met Manpower, zodat de bepaling waarop AZVJ zich beroept reeds om die reden niet van toepassing is. AZVJ heeft ook geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank hierover in rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis.

16. De stelling dat Olympia tekort is gekomen in de nakoming van haar verbintenissen is voor het overige slechts relevant wanneer daardoor door AZVJ schade is geleden. AZVJ voert in dit verband de volgende posten op.

17. In de eerste plaats betoogt AZVJ dat zij aanspraak kan maken op een bedrag van € 102.439,11. Deze schade omschrijft zij als schade die het gevolg is van het feit dat uitzendkrachten in strijd met de contractuele bepalingen zijn overgegaan naar Manpower. Het gaat hier om inkomsten die AZVJ door die overgang is misgelopen. Dit onderdeel van de vordering stuit erop af dat AZVJ niet betoogt dat de herverdelingsafspraak niet gemaakt had mogen worden en zij evenmin betoogt dat FC die herverdeling niet had mogen bewerkstelligen op de wijze waarop dat is geschied. Ook wanneer AZVJ van de gemaakte afspraken op de hoogte was gesteld, zou zij deze inkomsten dus zijn misgelopen. Het causaal verband ontbreekt daarom.

18. AZVJ vordert in de tweede plaats een bedrag van € 17.264,-, bestaande uit diverse investeringen die met het oog op de opdracht van FC zijn gedaan. Zoals hierboven is overwogen acht het hof niet aannemelijk dat AZVJ bij een juiste voorstelling van zaken de franchiseovereenkomst niet zou hebben verlengd. Evenmin valt dan in te zien dat zij de investeringen waarop haar vordering betrekking heeft, dan niet zou hebben gedaan. Voor zover het gaat om investeringen gedaan in de periode waarvan AZVJ Olympia verwijt dat zij haar niet heeft geïnformeerd over het voornemen om tot herverdeling over te gaan, is hierboven reeds overwogen dat Olympia daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

19. In de derde plaats vordert AZVJ een bedrag van € 72.577,-. Dit bedrag heeft zij gefactureerd aan FC, maar is door Olympia “tegengehouden”. Deze vordering staat, zoals Olympia blijkens haar verweer kennelijk ook heeft begrepen, los van de hierboven besproken gestelde tekortkomingen van Olympia in haar zorgplicht. AZVJ heeft het bedrag in de inleidende dagvaarding reeds gespecificeerd begroot, waarna Olympia heeft volstaan met een algemene betwisting. Grief XV, gelezen in samenhang met pagina 18 van de memorie van grieven, stelt dit deel van de vordering opnieuw aan de orde. In haar memorie van antwoord (achter 64) stelt Olympia dat de vordering op dit punt dient te stranden omdat “AZVJ kennelijk niet de daarvoor bestemde procedure (heeft) gevolgd” en dat het de “eigen keuze is geweest om dit niet door te belasten”. Nu Olympia niet stelt dat de gefactureerde uren niet in rekening hadden mogen worden gebracht als wel de juiste procedure – waarover het hof overigens in het duister tast – was gevolgd en zij evenmin stelt dat het recht van AZVJ om (alsnog) betaling te verlangen is vervallen of verjaard, is uit haar betoog niet af te leiden waarom de gefactureerde uren niet door haar betaald zouden moeten worden. Tegenover de specificatie die door AZVJ is gegeven, had van Olympia een gespecificeerd verweer mogen worden verwacht. Nu dat is uitgebleven, zal het hof dit deel van de vordering, dat los staat van de vraag of Olympia overigens jegens AZVJ tekort is geschoten in haar eerder besproken zorg- en informatieverplichting, als onvoldoende weersproken toewijzen. Grief XV slaagt in zoverre.

20. De vierde schadepost betreft indirecte schade, te weten de gemiste opbrengsten minus de gerealiseerde besparingen, in totaal € 389.890,48. Ook met deze post miskent AZVJ dat zij bij een juiste voorstelling van zaken evenmin inkomsten zou hebben gehad van FC, zodat niet is in te zien op welke manier deze schadepost in causaal verband staat met enige tekortkoming van Olympia. Datzelfde geldt voor de waardevermindering van de onderneming. Die gestelde waardevermindering vindt zijn oorzaak in de herverdelingsafspraak als zodanig. AZVJ stelt – het zij nogmaals opgemerkt – niet dat die herverdelingsafspraak niet had mogen worden gemaakt. De gestelde waardevermindering van de onderneming zou zich daarom hoe dan ook hebben gerealiseerd.

21. De laatste gevorderde schadepost bedraagt € 80.039,25 en is opgebouwd uit de zogenaamde weddingbonus over 2010, 2011 en 2012. AZVJ betoogt dat dit bedrag ten onrechte bij haar is ingehouden omdat de kosten voor het werven van national accounts op grond van de franchiseovereenkomst voor rekening van Olympia zijn. Tegenover de betwisting door Olympia is niet in te zien dat het hier gaat om kosten van het verwerven van een national account, maar veeleer om een onderdeel van de tariefafspraak die met FC is gemaakt en die ook is genoemd in de e-mail van 5 november 2009, waarmee de franchisenemers over de samenwerkingsovereenkomst zijn geïnformeerd. Nu AZVJ niet stelt dat de afrekening niet conform die tariefafspraak is, kan ook dit deel van de vordering niet slagen.

22. Het bovenstaande brengt mee dat de grieven falen, behoudens voor zover deze betrekking hebben op de vordering van € 72.577,-. Het hof zal dat deel van de vordering alsnog toewijzen. AZVJ heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten betrekking hebben gehad op iets anders dan een eventueel herhaalde aanmaning of het gereedmaken van het dossier, zodat dat deel van de vordering niet kan worden toegewezen.

23. Olympia heeft zich ertegen verzet dat een eventuele veroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Op grond van het bepaalde in artikel 233, lid 1, Rv jo. artikel 353, lid 1, Rv kan een arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Bij beoordeling van de vraag of dit daadwerkelijk moet gebeuren, moet een afweging van belangen plaatsvinden, waarbij tot uitgangspunt heeft te gelden dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. De enkele stelling dat er een mogelijk restitutierisico bestaat acht het hof onvoldoende onderbouwd om aan dat veronderstelde belang van AZVJ afbreuk te doen, zodat het hof dit arrest uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.

24. Het bewijsaanbod heeft, voor zover het niet reeds hierboven is besproken en voor zover het voldoet aan de in hoger beroep daaraan te stellen eisen, geen betrekking op voldoende onderbouwd gestelde feiten die, wanneer zij worden bewezen, tot een andere uitkomst leiden, en zal dus worden gepasseerd.

25. Het bovenstaande betekent dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, behalve voor zover de vordering van € 72.577,- niet is toegewezen. Voor dat deel zal het vonnis worden vernietigd. AZVJ heeft niettemin zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te gelden als de in het overwegend in ongelijk gestelde partij, zodat het vonnis ook op dat punt zal worden bekrachtigd en AZVJ zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2014, doch uitsluitend voor zover daarin de vordering tot betaling van € 72.577,- te vermeerderen met de wettelijke rente, niet is toegewezen;

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt Olympia tot betaling van € 72.577,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der inleidende dagvaarding;

  • -

    bekrachtigt het vonnis voor het overige;

  • -

    veroordeelt AZVJ in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Olympia tot op heden begroot op € 5.114,- aan verschotten en € 7.790,- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, A.D. Kiers-Becking en J.J. van der Helm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2016 in aanwezigheid van de griffier.