Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:854

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
BK-15/00754
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:6901, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of de accijns van overige alcoholhoudende produkten terecht van belanghebbende is nageheven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0884
DouaneUpdate 2016-0209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00754

Uitspraak van 25 maart 2016

in het geding tussen:

[X] B.V., statutair gevestigd te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Douane, kantoor Roosendaal, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2015, nr. SGR 14/10509.

Bezwaar en beroep

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de accijns van overige alcoholhoudende produkten van € 183.408,49 opgelegd en is bij beschikking € 10.897 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 328 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 497 is geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 maart 2016 in Den Haag. De Inspecteur is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt.

2.4.

De gemachtigde van belanghebbende heeft zich van de zaak teruggetrokken. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brieven, verzonden op 20 januari 2016 aan het adres [A] te [B] en op 28 januari 2016 aan het adres [C] te [D] (België), onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd voor de zitting. Eerstgenoemde brief is op 16 februari 2016 retour ontvangen met de vermelding "niet afgehaald". Belanghebbende heeft geen domicilie in Nederland gekozen. Uit door de Inspecteur verstrekte en bij de kamer van koophandel ingewonnen informatie blijkt dat de bewaarder van boeken en bescheiden van (de inmiddels ontbonden) [X] B.V. (belanghebbende) (de inmiddels ontbonden) [Y] B.V. is, dat de bewaarder van boeken en bescheiden van [Y] B.V. [E] is en dat [E] op het adres [C] te [D] (België) woont.

2.5.

Ter zitting is tegelijk belanghebbendes accijnszaak met kenmerk BK-14/00451 behandeld. Wat is aangevoerd en ingebracht in de ene zaak geldt ook voor de andere zaak.

Feiten

Met inachtneming van wat de rechtbank heeft vastgesteld gaat het Hof uit van de volgende feiten:

3.1.

Belanghebbende is opgericht in 2010. Enig aandeelhouder en bestuurder is [Y] B.V. en enig aandeelhouder en bestuurder (algemeen directeur) van [Y] B.V. is [E] .

3.2.

Belanghebbende exploiteert een opslagruimte voor alcoholhoudende dranken. Zij beschikt over een vergunning voor een AGP (accijnsgoederenplaats). De werkzaamheden van belanghebbende zijn uitgevoerd door [E] . Voor de accijns is geen zekerheid gesteld. Belanghebbende heeft een algemene zekerheid gesteld voor de AGP van € 50.000.

3.3.

Belanghebbende heeft opgegeven op 20 juli 2011 onder schorsing van accijns een drietal zendingen alcoholhoudende producten te verzenden naar het belastingentrepot B&C West Route SRL te Tulcea, Roemenië. Het belastingentrepot is voor de periode 11 juli 2011 tot en met 10 juli 2012 in het bezit van een vergunning-geregistreerde geadresseerde, op grond waarvan het recht bestaat een hoeveelheid van 14.206,40 liter aan alcoholhoudende producten onder schorsing van accijns te ontvangen.

3.4.

Belanghebbende heeft voor deze zendingen e-AD's (elektronische administratieve documenten) opgemaakt met de nummers […] , […] en […] en naar het EMCS (European Excise Movement and Control System) gezonden.

3.5.

De e-AD's hebben in het EMCS de status "geaccepteerd" gekregen.

3.6.

De Roemeense douaneautoriteit heeft de Inspecteur op 25 juli 2013 bericht dat de door belanghebbende verzonden accijnsgoederen niet zijn aangeboden bij het belastingentrepot. Het bericht vermeldt:

"Please check this movements: […] , […] and […] , because the goods are not presented to the consignee. DA's has status - 'Accepted'. Please communicate us, the results of your checks."

3.7.

Op 21 november 2013 heeft de Roemeense douaneautoriteit de Inspecteur met betrekking tot de drie zendingen accijnsgoederen bericht:

"3-Zending heeft de bestemming niet bereikt. B&C WEST ROUTE SRL was not authorized to receive the excise goods, included in the electronic administrative document. The sender of excise goods [X] BV code […] , fraudulently issued the electronic administrative document, the amount recorded was not included in the contract with Romanian partner."

3.8.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 19 november 2013 in de gelegenheid gesteld binnen een maand informatie te verstrekken op grond waarvan het eindigen van de overbrenging van de goederen naar Roemenië overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, van de Wet op de accijns heeft plaatsgevonden of de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden aan te tonen. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. Bij brieven van 30 december 2013 en 6 februari 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende nogmaals de gelegenheid geboden de gevraagde gegevens over te leggen. Ook hierop heeft belanghebbende niet gereageerd.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Beoordeling van het geschil

(…)

19. Bij een regelmatige beëindiging van de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns meldt de geadresseerde de ontvangst in het EMCS. Het EMCS valideert dit bericht en zendt het naar de douane van de lidstaat van vertrek.

20. Niet in geschil is dat in het EMCS-systeem voor onderhavige zendingen geen berichten van ontvangst zijn geplaatst op grond waarvan de overbrenging van de goederen (na validatie) als geëindigd kan worden beschouwd in de zin van artikel 2b, tweede lid, van de Wet [Wet op de accijns]. Hoewel zij daartoe diverse keren door [de Inspecteur] in de gelegenheid is gesteld, heeft [belanghebbende] aan [de Inspecteur] geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat het belastingentrepot de goederen daadwerkelijk in ontvangst heeft genomen, dan wel dat er tijdens de overbrenging een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden. [Belanghebbende] heeft ter zitting weliswaar gesteld dat de goederen hun bestemming hebben bereikt en dat de registratie in EMCS uitsluitend achterwege is gebleven als gevolg van een conflict tussen het entrepot en de Roemeense douane, maar [belanghebbende] heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. [Belanghebbende] heeft evenmin bescheiden als bedoeld in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit accijns overgelegd. Ook heeft zij op geen andere wijze aangetoond dat de goederen in Roemenië op de plaats van bestemming zijn aangekomen. [Belanghebbende] maakt derhalve niet aannemelijk dat de goederen op de plaats van bestemming zijn aangekomen dan wel dat er tijdens de overbrenging een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.

21. Eerst ter zitting heeft [belanghebbende] gesteld door middel van afgestempelde CMR's alsnog bewijs te kunnen leveren dat de goederen op hun bestemming zijn aangekomen. Tevens heeft [belanghebbende] ter zitting aangeboden de correspondentie die zij gevoerd heeft met de Roemeense douane te overleggen. De rechtbank heeft dit bewijsaanbod niet geaccepteerd, omdat dit zo laat in de procedure is gedaan dat acceptatie daarvan indruist tegen een goede procesorde. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [belanghebbende] niet in een eerder stadium aan [de Inspecteur] of de rechtbank melding heeft gemaakt van het bestaan van deze stukken of van haar pogingen deze stukken te achterhalen. Verder heeft [belanghebbende] desgevraagd geen goede verklaring kunnen geven voor het feit dat zij dit aanbod zo laat heeft gedaan.

22. Het voorgaande brengt mee dat ten aanzien van de goederen sprake is van het onregelmatig aan de accijnsschorsingsregeling onttrekken van accijnsgoederen in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet. Deze onregelmatigheid wordt ingevolge artikel 2c, derde lid, van de Wet geacht in Nederland te hebben plaatsgevonden op het moment dat de goederen de AGP van [belanghebbende] hebben verlaten. [De Inspecteur] heeft dan ook, gezien het bepaalde in artikel 51, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wet de naheffingsaanslag terecht aan [belanghebbende] opgelegd.

23. De niet met stukken onderbouwde stelling van [belanghebbende] dat zij is opgelicht, maakt het onder 22 genoemde oordeel niet anders. Ook wanneer zou komen vast te staan dat [belanghebbende] slachtoffer is geworden van oplichting, zou zij op grond van de Wet degene blijven van wie de belasting kan worden geheven. In het systeem van de heffing van accijns bij intracommunautair vervoer van accijnsgoederen onder schorsing van accijns rust de verantwoordelijkheid dat wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder dat vervoer kan plaatsvinden alsmede dat de verantwoordelijkheid voor die accijnsgoederen wordt overgenomen door de houder van het belastingentrepot waarnaar de goederen worden vervoerd, immers in de eerste plaats op de vergunninghouder van de AGP waar vandaan de goederen worden [verzonden; hof].

24. Hetgeen [de Inspecteur] heeft aangevoerd over de vergunning van het belastingentrepot, behoeft geen behandeling, omdat dit geen verandering kan brengen in hetgeen hiervoor is overwogen.

2[5]. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

2[6]. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

Geschil en standpunten

5.1.

Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of de accijns van overige alcoholhoudende produkten terecht van belanghebbende is nageheven, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

5.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Beoordeling

6.1.

Het Hof komt in hoger beroep met betrekking tot geen van de onderdelen van het geschil tot een andere afweging dan de rechtbank. Naar 's Hofs oordeel heeft de rechtbank op basis van een zorgvuldige analyse van de beschikbare gegevens terecht geoordeeld dat het beroep ongegrond is. De rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen. In aanvulling overweegt het Hof het volgende.

6.2.

Wanneer met betrekking tot accijnsgoederen die vanuit een accijnsgoederenplaats in Nederland onder een accijnsschorsingsregeling naar een belastingentrepot in een andere lidstaat zijn verzonden, op enig moment blijkt dat de goederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid is begaan, wordt volgens artikel 2c, derde lid, van de Wet op de accijns, in overeenstemming met artikel 10, vierde lid, van de Accijnsrichtlijn 2008 (richtlijn 2008/118/EG), deze onregelmatigheid geacht te zijn begaan in Nederland met als gevolg dat in Nederland de accijns is verschuldigd. De voorhanden zijnde gegevens laten geen andere gevolgtrekking toe, de analyse van de rechtbank volgend, dan dat de goederen die vanuit Nederland onder een accijnsschorsingsregeling intra-EU zouden worden vervoerd naar Roemenië, niet aldaar op de plaats van bestemming zijn aangekomen en dat tijdens het vervoer geen onregelmatigheid is geconstateerd die heeft geleid tot uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen, zodat de onregelmatigheden dientengevolge moeten worden geacht te hebben plaatsgevonden in Nederland op het tijdstip van aanvang van het vervoer. Nog daargelaten dat het geheel van gegevens al erop duidt dat de onregelmatigheden in Nederland hebben plaatsgevonden.

6.3.

Opmerking verdient nog dat, alvorens ervan is uitgegaan dat de onregelmatigheden geacht moeten worden te zijn begaan in de lidstaat van vertrek, zijnde Nederland, en aldus Nederland bevoegd is tot invordering van accijns over te gaan, belanghebbende ruimschoots de gelegenheid is geboden bewijs te leveren dat de onregelmatigheden metterdaad in een andere lidstaat hebben plaatsgehad, en ook in staat is geweest tijdig te vernemen dat geen zuivering van de accijnsschorsingsregelingen heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft met al wat zij heeft aangevoerd en ingebracht geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, ook niet ten genoegen van de Inspecteur, die de conclusie rechtvaardigen dat de overbrengingen zijn geëindigd doordat de goederen door de geadresseerde in ontvangst zijn genomen of het grondgebied van de Unie hebben verlaten (artikel 2c, derde lid, van de Wet op de accijns).

6.4.

Ook overigens heeft belanghebbende met wat zij heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht, het Hof doelt in het bijzonder op de stukken die de rechtbank heeft geweigerd en in hoger beroep alsnog zijn overgelegd, geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, gelet ook op de uiteenzetting die de Inspecteur geeft in het verweerschrift in hoger beroep (kopje Beschouwing), die erop wijzen dat de geadresseerde voor ontvangst heeft getekend of dat de goederen in Roemenië zijn aangekomen dan wel anderszins op grond waarvan is te oordelen dat de naheffingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. Het Hof neemt in aanmerking dat ook niet is gebleken dat de Inspecteur te dezen enig verwijt is te maken.

6.5.

Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Daarbij heeft het Hof ook overwogen dat het geen reden ziet aan te nemen dat de heffingsrente, waartegen geen afzonderlijke grief is ingebracht, tot een onjuist bedrag is berekend.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.G. Detweiler. De beslissing is op 25 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.