Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:851

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
2200270815
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:155, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtmatige stelselmatige informatie-inwinning en politiële infiltratie

Bewezenverklaring voorbereidingshandelingen voor een gewapende overval

Vrijspraak voor terroristisch gerelateerde delicten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002708-15

Parketnummer: 10-960233-13

Datum uitspraak: 30 maart 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 juni 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 26 november 2015, 26 januari 2016, 29 februari 2016 en 8, 11, 14, 16 en 30 maart 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair tweede cumulatief/alternatief (training voor terrorisme) ontslagen van alle rechtsvervolging en ter zake van het onder 1 primair eerste cumulatief/alternatief (voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van terroristische misdrijven) en onder 2 (het overdragen of voorhanden hebben van wapens en munitie) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts is er een beslissing genomen omtrent het beslag als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 15 mei 2014 te Delft en/of te Rotterdam en/of te Den Haag en/of te Scheveningen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk met het oogmerk om de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf en/of immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. meermalen (met anderen) gesproken over zijn/hun ervaringen tijdens de gewapende strijd in Syrië en/of

B. zich meermalen geuit over zijn/hun voornemen door middel van (gewelddadige) strafbare feiten gelden te genereren voor de gewapende strijd in Syrië en/of

C. meermalen, althans eenmaal, (verregaande) voorbereidingen getroffen voor die (gewelddadige) strafbare feiten (te weten een of meer gewapende overval(len) en/of afpersing(en), waarvan de buit bestemd was voor de gewapende strijd in Syrië of lrak en/of

D. meermalen (met anderen) gesproken over zijn/hun voornemen om (een) gewelddadige aanslag(en) te plegen op een of meerdere politici en/of

E. meermalen gesproken over de wijze waarop hij/zij zich dienen te gedragen zodat zij (en/of hun radicale denkbeelden) niet zullen opvallen en/of

F. meermalen, althans eenmaal een of meerdere vuurwapens voorhanden gehad, bestemd voor een voorgenomen/direct ophanden zijnde overval en/of afpersing waarvan de buit bestemd was voor de gewapende strijd in Syrië of Irak;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 15 mei 2014 te Delft en/of te Rotterdam en/of te Den Haag en/of te Scheveningen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

– zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft bijgebracht

tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 juncto 176a van het Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 168 juncto 176a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- het opzettelijk vernielen en/of beschadigen van enig gebouw en/of getimmerte en/of voor het publiek toegankelijke plaats, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 170 juncto 176a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- zware mishandeling (de dood ten gevolge hebbende), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 302 juncto 304a van het Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- zware mishandeling met voorbedachte raad (de dood ten gevolge hebbende), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 303 juncto 304a van het Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of en/of de poging daartoe en/of

- het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en 31 lid 1 van de Wet wapens en munitie), begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 5 van de Wet wapens en munitie), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaderes) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen

A. meermalen (met anderen) gesproken over zijn/hun ervaringen tijdens de gewapende strijd in Syrië en/of

B. zich meermalen geuit over zijn/hun voornemen door middel van (gewelddadige) strafbare feiten gelden te genereren voor de gewapende strijd in Syrië en/of

C. meermalen, althans eenmaal, (verregaande) voorbereidingen getroffen voor die (gewelddadige) strafbare feiten (te weten een of meer gewapende overval(len) en/of afpersing(en) en/of

D. meermalen (met anderen) gesproken over zijn/hun voornemen om (een) gewelddadige aanslag(en) te plegen op een of meerdere politici en/of

E. meermalen gesproken over de wijze waarop hij/zij zich dienen te gedragen zodat zij (en/of hun radicale denkbeelden) niet zullen opvallen en/of

F. meermalen, althans eenmaal een of meerdere vuurwapens voorhanden gehad;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 15 mei 2014, althans op of omstreeks 15 mei 2014, te Delft en/of te Rotterdam en/of te Den Haag en/of te Scheveningen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of aan een ander heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf

en/of

zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of aan een ander heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een van de misdrijven omschreven in:

- de artikelen 117 tot en met 117b alsmede artikel 285, indien dat misdrijf is gericht tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen;

- de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet, de artikelen 161quater, 173a en 284a alsmede de artikelen 140, 157, 225, 310 tot en met 312, 317, 318, 321, 322 en 326, indien het feit opzettelijk wederrechtelijk handelen betreft met betrekking tot kernmateriaal;

- de artikelen 162, 162a, 166, 168, 282a, 352, 385a tot en met 385d;

- de artikelen 92 tot en met 96, 108, 115, 121 tot en met 123, 140, 157, 161, 161bis, 161sexies, 164, 170, 172, 287, 288 en 289, indien het feiten betreft die worden gepleegd door middel van het opzettelijk wederrechtelijk tot ontlading of ontploffing brengen van een springstof of ander voorwerp, of het laten vrijkomen, verspreiden of inwerken van een voorwerp, waardoor levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of aanzienlijke materiële schade te duchten is,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen

- drie, althans één of meerdere, vuurwapen(s) en/of

- een telefoon bevattende aantekeningen met betrekking tot een adres (waar een diefstal met geweld en/of een afpersing plaats had moeten hebben)en/of

- een (vlucht)auto waarmee gereden is/kon worden van en naar een adres (waar een diefstal met geweld en/of een afpersing plaats had moeten hebben),

(steeds) bestemd tot het plegen van een diefstal met geweld en/of een afpersing, waarvan de beoogde buit/opbrengsten (deels) bestemd was/waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië, in elk geval om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf danwel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven, voorhanden gehad ;

en/of

hij op of omstreeks 15 mei 2014 te Delft en/of te Rotterdam en/of te Den Haag en/of te Scheveningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van een tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten (een) diefstal (in vereniging) voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld en/of een afpersing (in vereniging), opzettelijk

- drie, althans één of meerdere, vuurwapen(s) en/of

- een telefoon bevattende aantekeningen met betrekking tot het adres waar dat misdrijf begaan zou moeten worden en/of

- een (vlucht)auto waarmee gereden is/kon worden van en naar het adres waar dat misdrijf begaan zou moeten worden,

(steeds) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2.


hij op of omstreeks 15 mei 2014 te Delft en/of te Rotterdam en/of te Den Haag en/of te Scheveningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapen(s) van categorie III, te weten

- een Riotgun van het merk Pachmayer met serienummer JB70040 en/of

- een revolver kaliber 3.57 magnum en/of

- een pistool zonder houder kaliber 6.35 mm,

en/of

munitie van categorie III, te weten

- 6 kogelpatronen kaliber .38 spec. (behorend bij voormelde revolver) en/of

- 9 kogelpatronen en/of

- 1 kogelpatroon 357 Magnum en/of

- een doosje met 25 kogelpatronen 6.35 mm en/of

30 hagelpatronen,

heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

Door de verdediging zijn, verkort en zakelijk weergegeven, verweren gevoerd met betrekking tot de inzet en het optreden van de informant A-3678 (hierna ook: “Sam”), de twee infiltranten A-2154 (hierna ook: “Phil”) en A-2158 (hierna ook: “de Rus”) en de verantwoording daarvan, met als conclusie dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte dan wel dat de langs die weg verkregen verklaringen voor het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Het hof gaat bij de beoordeling van die verweren uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 4 september 2013 is een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de projectnaam WINZIP. Het onderzoek is gestart naar aanleiding van de als betrouwbaar gekwalificeerde informatie in een tweetal ambtsberichten van de Algemene Inlichtingen-en Veiligheidsdienst (AIVD) van 30 augustus 2013 met betrekking tot [betrokkene 1] en [verdachte].1 Blijkens de ambtsberichten, in onderling verband en samenhang gelezen, zouden zowel de verdachte als [betrokkene 1] in februari 2013 zijn uitgereisd naar Syrië, zouden zij samen in augustus 2013 naar Nederland zijn teruggekeerd en zich sindsdien teruggetrokken en religieus radicaal gedragen.

Op 13 november 2013 is wederom een ambtsbericht van de AIVD ontvangen, vergezeld van een cd-rom bevattende geluidsfragmenten van gesprekken die in de bij verdachte in gebruik zijnde auto hebben plaatsvonden op 25 oktober 2013 tussen de verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 3].2 In deze gesprekken, die ook gedeeltelijk ter terechtzitting in hoger beroep zijn beluisterd, spreekt de verdachte (in de transcriptie aangeduid als ‘[verdachte]’) onder meer over zijn gevechtshandelingen in Syrië en zijn wetenschap met betrekking tot derden die bij de strijd in Syrië zijn gesneuveld. Voorts spreekt verdachte over het plegen van een overval en het gebruik van wapens daarbij:

[verdachte]: (…)Twee weken (woord onverstaanbaar) van nu, dan gaan we gelijk we gaan die drie ton. Als die lukt, akhi, als die lukt!

[betrokkene 2]: Wordt schieten hoor.

[verdachte]: Jij hoeft niet mee. Jij ken thuis

(…)

[verdachte]: (…) Ik en [persoon 1] is genoeg. (…) Misschien wil jij op de uitkijk of zoiets. Jouw been is kapot. Wij gaan naar binnen en wij gaan het doen. Jij moet buiten met (onverstaanbaar). Snap je. Dat is wel lauw. Maar als iets gebeurt, jij staat

buiten alert. Of als iets binnen gebeurt, jij staat buiten alert, ik, [persoon 1] zo, bam, weggaan. 3

(…)

[betrokkene 2]: Maar moet ie tipgeld krijgen?

[verdachte]: Ja

[betrokkene 2]: Hoeveel?

[verdachte]: 20 maximum, hij heeft bij zegwaard niks gekregen hoor, ja, bij hen (of hem) hebben 1000 euro gegeven, zegt ie 'een week, ik heb het nu nodig en daarvoor hebben hun 7000, gaven hem hem geld, maar ik zeg tegen hem mattie: ik zou hem gewoon killen, hij heeft paar miljoen gepakt, hij heeft je niks gegeven

(…)

[verdachte]: (…)Maar kom aan die echte wapen, glock (fon) wollah

[betrokkene 2]: Hoezo echte wapen hebben? 4

[verdachte]: Kijk (hierna paar woorden onverstaanbaar) als we echt glock hebben bij de spel

[betrokkene 2]: Twee lasers?

[verdachte]: Twee ladykillers (fon)

[betrokkene 2]: Wat is dat?

[verdachte]: Zes en een half

[betrokkene 2]: Zo'n kleintje?

[verdachte]: Ja, maar twee is ook hij gaat dood, begrijp je

[betrokkene 2]: Als je van dichtbij schiet

[verdachte]: Of een grote of twee kleine, beter twee kleine

[betrokkene 2]: Twee kleine, komt een grote daarbij 5

Ook wordt in dit gesprek gesproken over geld sturen naar “de broeders”.6

Op 18 november 2013 wordt een ambtsbericht door de AIVD uitgebracht, vergezeld van een cd-rom bevattende geluidsfragmenten van een gesprek dat heeft plaatsvonden in de bij verdachte in gebruik zijnde auto op 17 november 2013 tussen de verdachte en twee niet nader bekende mannen.7 Ook dit gesprek is ter terechtzitting in hoger beroep gedeeltelijk beluisterd. Uit dit gesprek blijkt dat in de auto waarin bovengenoemde personen zich bevonden een vuurwapen met bijbehorende munitie aanwezig was. Zij oefenen met het vullen van een magazijn met kogels, De verdachte laat weten dat vingerafdrukken van de kogels moeten worden verwijderd.8

Op 16 januari 2014 wordt wederom een ambtsbericht door de AIVD uitgebracht, inhoudende dat van de verdachte momenteel nog steeds een criminele dreiging uitgaat richting goederen en personen waarbij vuurwapengebruik mogelijk is en dat de AIVD over informatie beschikt dat de opbrengst van bovengenoemde activiteiten wordt aangewend ten behoeve van de broeders in Syrië.9

In het kader van het opsporingsonderzoek worden eveneens gesprekken in de bij verdachte in gebruik zijnde auto opgenomen.10 In de gesprekken op 18 januari 2014 tussen verdachte (in de transcriptie aangeduid als ‘[verdachte]’) , eerder genoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 4], die ook gedeeltelijk ter terechtzitting in hoger beroep zijn beluisterd, wordt wederom gesproken over het plegen van een overval:

[verdachte]: klein lauw toertje wat we snel, snel kunnen doen. Kijk, [betrokkene 5] gaat [betrokkene 6] Den Haag bellen. We gaan met elkaar chillen. [betrokkene 6] Den Haag komt met de Rolex. We gaan hem pakken daar. We pakken die horloge van hem af wil je toch klaar gewoon inleveren toch. Klappen geven inleveren. Dan gaan we die horloge die we hebben gaan we kijken of die echt ...(ntv) is. Als die echt is krijgen we zo een paar doezo en kunnen we naar z'n osso gaan, snap je, begrijp je? En da's in 1seconde gebeurd 11

(…)

[verdachte]: [betrokkene 5] ik ga nu serieus praten. [betrokkene 5] je weet toch die Hollander [betrokkene 6]. Zo gaan we d'r achter komen of het echt of nep is alles aan hem. We gaan met hem afspreken. Je weet ik heb twee chickies. We gaan naar lounge snap je. A sowieso lauwe dingen aandoen ja toch

[betrokkene 5]: jongen ik helemaal geen zin daarin

[verdachte] schreeuwt: luister

[betrokkene 5]: ja

[verdachte]: we gaan naar hem toe. We geven hem een paar klappen. We doen die horloge van hem uit. Die horloge gaan we naar een echte man brengen. Kijk als die

horloge echt is krijgen we sowieso doekoetje voor en dan is het waard om in

zijn osso in te breken, snap je. En anders is het niet waard om naar zijn osso

te gaan. We kunnen hem gewoon een paar bitch claps geven. Ik haal die horloge

van zijn hand en we gaan weg.

[betrokkene 5]: ja en dan mishandeling op je naam

[verdachte]: hoe gaan ze mij pakken kankerhond. We hebben toch bivak hij gaat toch

trimmen jij weet toch [betrokkene 6]. 12

Gelet op de gevaarzetting voor een te plegen overval / afpersing / diefstal met geweld is in overleg met de zaaksofficier van justitie besloten om op 19 januari 2014 over te gaan tot de aanhouding van verdachte en de hiervoor genoemde personen op verdenking van overtreding van art 46 i.v.m. 312 c.q. 317 van het Wetboek van Strafrecht.13

Op 21 januari 2014 is de verdachte in vrijheid gesteld.14

Op 7 mei 2014 is verdachte aangehouden naar aanleiding van een openstaande vordering van € 1087 met daarbij als dwangmiddel een periode van 7 dagen gijzeling.15 Verdachte heeft niet voldaan aan deze vordering en is daarop ingesloten. Voor verdere uitvoering van het dwangmiddel is verdachte overgebracht naar P.I. Haaglanden, vestiging Zoetermeer op de G-afdeling.16

Op 9 mei 2014 wordt door de politie bij de officier van justitie een aanvraag tot stelselmatige informatiewinning ex artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gedaan.17 Het daarop volgende bevel wordt op 9 mei 2014 afgegeven met de volgende omschrijving over de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven:

Gebruik makend van de omstandigheid dat [betrokkene 1] en [verdachte] op dit moment beiden gedetineerd zitten, zal een politieambtenaar worden ingesloten met als doel stelselmatig inlichtingen in te winnen over de subjecten met name over hun bereidheid deel te nemen/voorbereidingen te treffen ten behoeve van het verwerven van geld zoals eerder is omschreven. 18

Op 13 mei 2014 wordt door de politie een aanvraag bevel politiële infiltratie ex artikel 126h Sv gedaan.19 Het bevel wordt gegeven na toestemming van het College van procureurs-generaal en een positief advies van de Centrale Toetsingscommissie en behelst de volgende omschrijving over de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven:

De verdachte [verdachte] (en anderen) in contact brengen met personen in de openbare dienst van een vreemde staat en respectievelijk bekend onder de nummers A-2154 en A-2158 ten einde voorbereidingen te treffen tot het plegen van een gewelddadige diefstal. Daarnaast in het kader van een "vertrouwensaankoop” een of meerdere vuurwapens af te nemen van de verdachte [verdachte]. Uiteraard zal er strafrechtelijk worden ingegrepen wanneer er sprake is van daadwerkelijke voorbereidingshandelingen. 20

Op 15 mei 2014 wordt de verdachte opnieuw aangehouden op grond van artikel 134a en artikel 46 i.v.m. artikel 317 Sr en artikel 2 juncto artikel 26 juncto artikel 31 van de Wet wapens en Munitie.21

Gezien de onderbouwing zoals vervat in de aanvragen tot bovengenoemde bevelen, mede verwijzende naar de inhoud van onder meer bovengenoemde AIVD ambtsberichten, is het hof van oordeel dat de vorenbedoelde bevelen rechtmatig zijn afgegeven. Er was immers jegens de verdachte sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Voorts stelt het hof vast dat uit de OVC-gesprekken en de aanvraag bevel Politiële Infiltratie genoegzaam is komen vast te staan dat de infiltratie zich richt op een groep personen en niet alleen op de verdachte en dat daarmee ook aan dit vereiste van artikel 126h Sv is voldaan.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of met de inzet van de informant en infiltranten voldaan is aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Met de rechtbank beantwoordt het hof die vraag bevestigend. Gezien de reeds gehanteerde opsporingsmiddelen die zonder resultaat bleven en het zwijgen van verdachte tijdens zijn aanhouding in januari 2014 was het gerechtvaardigd om gebruik te maken van de bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatige informatie inwinning en infiltratie. Ook stond het optreden van politie en openbaar ministerie in een redelijke verhouding tot het te bereiken doel gezien de ernst en aard van de verdenking.

De verdediging klaagt, ook in hoger beroep, over het optreden van de informant

A-3678 die buiten de bevoegdheid zou zijn getreden als bedoeld in artikel 126j Sv. In de kern komt het erop neer dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat de informant Sam zich niet heeft beperkt tot het inwinnen van inlichtingen nu hij verdachte heeft verzocht contact op te nemen met zijn criminele vrienden om een boodschap over te brengen. Hij heeft aldus niet alleen inlichtingen ingewonnen, maar verdachte tevens aangezet tot gedragingen. Daarmee is de reikwijdte van de onderhavige bevoegdheid reeds overschreden aldus de verdediging.

Het hof komt dienaangaande tot de volgende overwegingen. De bevoegdheid tot het undercover stelselmatig inwinnen van informatie onderscheidt zich van de politiële infiltratie doordat niet actief wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen waarbinnen misdrijven worden gepleegd. De informant is dan ook niet gerechtigd om deel te nemen aan het begaan of beramen van misdrijven. Het onderscheid met stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de informant, anders dan de observant, actief binnendringt in de omgeving van de verdachte en actief tracht informatie te verkrijgen teneinde daardoor een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte te verkrijgen. De informant mag bewust en actief verder gaan dan waarnemen of luisteren. Handelingen zoals in casu die strekken tot het onderzoeken of voorbereiden van de mogelijkheid om tot een pseudo-koop of pseudo-dienstverlening te komen, zonder dat er sprake is van het maken van concrete afspraken die strekken tot aflevering van goederen, kunnen naar het oordeel van het hof worden gedekt door het bevel stelselmatige informatie-inwinning. Het hof is mitsdien van oordeel dat het handelen van informant Sam binnen de reikwijdte valt van de opsporingsbevoegdheid van stelselmatige informatie inwinning en binnen het bereik van het daartoe afgegeven bevel door de officier van justitie.

Dat de verdachte niet in vrijheid is gesteld op de dag dat de boete alsnog is betaald op maandag 12 mei 2014, maar twee dagen later op woensdagochtend 14 mei 2014 doet aan de rechtmatigheid van de inzet van de informant niet af. Wat er zij van de beweerdelijke onrechtmatigheid van het vastzitten van de verdachte, aan de inzet van de informant raakt dit niet. Die inzet is overigens aangevangen op zaterdag 10 mei 2014 en heeft na maandag 12 mei 2014 nauwelijks nog bevindingen van de informant opgeleverd.

De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat het aannemelijk is dat er in het infiltratie traject sprake zou zijn van “incitement”, “instigation” en uitlokking. Subsidiair is er volgens de verdediging sprake van een “prima facie entrapment defence” hetgeen (nader) feitelijk onderzoek naar dit verweer noodzakelijk maakt, behoudens en voor zover dit verweer niet op voorhand tot inwilliging leidt.

Het hof overweegt als volgt. Krachtens artikel 126h lid 2 Sv mag de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van het bevel (infiltratie) een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Het is dus de opsporingsambtenaar niet verboden om een persoon aan te sporen of uit te lokken tot bepaalde handelingen, mits de uitgelokte daarmee niet werd aangezet tot iets wat niet al in zijn bedoeling lag. Schending van dit zogenoemd Tallon-criterium dient volgens vaste rechtspraak in principe te leiden tot niet ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie (vgl. Hoge Raad d.d. 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:637).

Het hof stelt vast dat het strafdossier de navolgende processtukken bevat die relevant zijn voor de beoordeling door het hof van de rechtmatigheid van de infiltratieactie in het bijzonder of en in hoeverre de twee infiltranten in strijd zouden hebben gehandeld met het Tallon-criterium zoals door de verdediging is gesteld.

 een bevel Stelselmatige Informatie-inwinning, d.d. 9 mei 2014;

 een bevel Politiële Infiltratie, d.d. 13 mei 2014;

 vier processen-verbaal van bevindingen Informant A-3678 d.d. 13 mei 2014;

 een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 d.d. 13 mei 2014;

 een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 en A-2158 d.d. 14 mei 2014;

 een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 d.d. 15 mei 2014;

 een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 en A-2158 d.d. 16 mei 2014;

 een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 d.d. 13 mei 2014, met als bijlage een tapjournaal van de telefonische gesprekken door A-2154 tijdens zijn inzet op 14 en 15 mei 2014;

 een statement of A2154 and A2158 detailing the events of the 14th and 15th of may 2014;

 een proces-verbaal van videoverhoor van de infiltrant bekend onder nummer A-2154 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam d.d. 15 april 2015;

 een proces-verbaal van videoverhoor van de infiltrant bekend onder nummer A-2158 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam d.d. 15 april 2015;

 een proces-verbaal van videoverhoor van de politiële informant bekend onder nummer A-3678 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam d.d. 15 april 2015;

 een proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2016 van verbalisant WOD153, teamleider, Landelijke eenheid, waarin staat: “in het strafrechtelijk onderzoek Winzip zijn geen audio- en/ of visuele opnamen gemaakt van de ontmoetingen tussen de verdachte en de infiltranten/ informant.”;

 een proces-verbaal van bevindingen van 7 maart 2016 van verbalisant WOD153, teamleider, Landelijke eenheid, waarin staat: “van de interacties c.q. gesprekken tussen de verdachte en informant(en), de verdachte en de infiltrant(en) en de informant(en) en de infiltrant(en) onderling zijn geen audio- dan wel audiovisuele opnamen gemaakt”.

Het hof komt op grond van het vorenstaande tot de volgende overwegingen en bevindingen. Uit de hierboven genoemde OVC gesprekken, in onderling verband en samenhang bekeken, blijkt dat verdachte reeds voor de infiltratieactie met andere personen heeft gesproken over vuurwapens (en in de nabijheid was van tenminste één vuurwapen, waarmee werd geoefend), munitie en het plegen van overvallen. Tijdens de ontmoeting met informant Sam sprak verdachte over vuurwapens en Scheveningen haven. De informant meldt hierover:

lk zei dat hij het volgende door moest geven: Dat ik vast zat. Dat de twee Glocks die

ik had er niet meer waren en Scheveningen haven. lk zei dat dit voldoende was en

dat mijn vriend dan genoeg wist. Hierop vroeg [verdachte] mij of die twee Glocks voor hem waren bedoeld waren wat ik vervolgens beaamde. Hierop zei [verdachte] op eigen initiatief: "Dat kan ik voor hem regelen." Waarop ik verbaasd reageerde en vroeg hoe hij die ging regelen.

Vervolgens zei hij dat hij een keer met een jongen in Utrecht Parkwijk meerdere

wapens had gehaald met een zak kogels. Dat hier ook een shotgun bij zat. Dat die

wapens niet nieuw waren maar dat ze voor eigen gebruik waren maar dat hij die wel

aan A2154 kon verkopen als hij geld bij zich had.

Vervolgens zei [verdachte] dat hij voor 3000 euro per stuk wel 2 nieuwe Glocks kon

regelen met veel kogels. Later zei [verdachte] dat hij als ze niet nieuw waren dat hij ook wel voor 2200 euro per stuk iets kon regelen.

[verdachte] zei dat hij A2154 in ieder geval een ladykiller 6.5 kon geven zodat hij in ieder geval iets had en dat die wel meer kon regelen. lk begreep hieruit dat hij mogelijk een klein kaliber wapen bedoelde. 22

Uit de tapgesprekken en het verslag van de begeleiders van de infiltranten blijkt dat verdachte zoals door informant “Sam” verzocht, contact heeft gezocht met infiltrant “Phil” en wel op 14 mei 2014.23 Later op die dag vond er een ontmoeting plaats tussen de twee infiltranten en verdachte waarbij blijkens het proces verbaal van bevindingen het volgende gesprek plaatsvond:

Hij zei ons dat Sam was aangehouden door de politie in Rotterdam met twee vuurwapens bij zich. Wij zeiden hierop dat dat niet zo mooi was omdat Sam ons die twee wapens zou leveren. Hierop hoorden wij dat [verdachte] zijn hulp aan ons aanbood. "als je mij nodig hebt kan ik je helpen" of woorden van soortgelijke strekking.

Wij vroegen aan hem wat bedoel je met helpen. Hierop hoorden wij dat hij ons kon helpen met twee nieuwe Baretta's.

Hierop vroegen wij wanneer hij deze aan ons kon leveren. Hij zei ons, over twee of drie dagen, hierop zeiden wij dat dat te laat was, wij zeiden hem dat we het eerder nodig hadden, we zeiden dat we het nu nodig hadden.

Wij vroegen hem of hij het eerder kon leveren.

Toen zei hij hierop dat hij een shotgun kon leveren over drie uur.

lk A-2154 vroeg of het een lange of korte shotgun was, hij begreep dit kennelijk niet want hij reageerde niet. Wel zei hij dat hij de patronen erbij kon leveren.

Wij hoorden dat hij vroeg of wij er iemand mee dood gingen schieten, wij antwoordden hierop dat wij alleen iemand bang wilden maken Toen zei hij dat dit wapen daar zeer geschikt voor was.

Hierna begon de man te vertellen dat hij van Sam had gehoord dat het over

Scheveningen ging.

Hierna vroeg hij ons om mee te gaan in zijn auto om wat te drinken in het centrum

Wij stelden hem allerlei vragen over hoe snel hij kon leveren en over de grootte van het wapen. Wij zagen dat hij met zijn handen een afstand ter grootte van ongeveer 60 cm aan gaf.

Hij vertelde dat hij nog iets anders had, namelijk een 6mm wapen. Een ladykiller lk, A-2158 vroeg of het een gebruikt wapen was. Hij antwoordde hierop dat het een hele

nieuwe was. Je kon er makkelijk iemand mee doden. Ook vertelde hij dat hij een

nepwapen had die op een echt wapen leek.

Wij zeiden vervolgens tegen hem dat wij morgen wat te doen hadden. Hierop antwoordde hij dat hij dat wist. Wij vroegen hem vervolgens wat hij wist en hij zei ons dat Sam hem dat had verteld. Wij vroegen hem wat Sam hem had verteld. Hij zei toen dat hij kleine stukjes had verteld. Hierop vroegen wij wanneer hij ons de wapens kon leveren. Hij antwoordde dat hij dat morgen omstreeks 12.00 of 13.00 uur kon leveren tesamen met heel veel patronen. Hij zei daarbij dat je er heel makkelijk iemand mee kan doden.

Wij zeiden dat wij deze twee wel wilden.

Wij doelden hier op de shotgun en de ladykiller.

Hij zei ons dat dat ongeveer 500 a 600 euro zou kosten.

Wij vroegen of hij dat vanavond kon leveren? Hij antwoordde dat het gevaarlijk is om 's avonds daarmee rond te rijden in de auto. Daarna zei hij dat het morgen geleverd kon worden rond 12.00 a 13.00 uur.

Hierna begonnen wij te praten over Scheveningen. Hij zei dat het niet ver was. Wij

vroegen of hij Scheveningen kende en hij begon te vertellen over de boten. Wij zeiden

hierop dat het daar over ging. Hij zei ons dat we nu met hem konden meerijden naar Scheveningen. Wij zeiden hierop dat we nog zaken te doen hadden en dat dat nu niet

uitkwam. Hierop zei hij tegen ons dat wij een plattegrond nodig hebben. Wij vroegen hem vervolgens of hij ons kon helpen. Hij antwoordde dat hij dat kon. Hij zei dat het het een grote lokatie is. Hij zei ons dat hij voor ons een plattegrond zou regelen. Hij zei ons dat hij ons de boten kon aanwijzen en kon duiden. A-2158 vroeg aan hem of hij de naam voor ons kon opschrijven, [verdachte] schreef dit vervolgens op in de telefoon van A-2158.

"Scheveningen haven"

Hierna vroegen wij hem wat nu?

Vanavond is het niet meer mogelijk. Voor de Baretta's moet ik iemand spreken, misschien duurt het 1 dag voordat ik die heb. En over de ladykiller en de shotgun moet je me morgen om 10.00 uur bellen.

We kunnen dan misschien elkaar ontmoeten om 12 of 13 uur.

Hierna spraken wij over waar wij elkaar zouden kunnen ontmoeten.

Wij spraken af elkaar hierover te bellen morgenochtend.

Hierna bracht hij ons terug naar het station en namen wij afscheid van elkaar. 24

Op 15 mei 2015 ontmoetten de infiltranten en verdachte elkaar wederom en blijkens het proces-verbaal van bevindingen begeleiding wordt er verder gesproken over het verkrijgen van wapens door verdachte en de uitvoering van een overval in Scheveningen. Illustratief voor de bereidheid van de verdachte om mee te werken is de navolgende passage:

Omstreeks 20.30 uur bevonden wij, A-2154 en A-2158, ons beiden op de afgesproken plek nabij het Centraal Station te Den Haag. Wij zagen [verdachte] aan komen lopen en lieten hem vervolgens instappen.

Vervolgens zei ik, A-2154, tegen hem, Sorry mate, we willen je niet pushen, we begrijpen dat je afspraken heb met je vrienden maar we zitten een beetje in tijdsnood, als je geen tijd hebt voor ons is dat ook oke. [verdachte] vertelde ons vervolgens dat het geen probleem is en dat hij ons graag wil helpen. Daarna gaf hij al spellend aan wat ik, A-2158, in de satnav in moest voeren.

Hij spelde SCHEVENINGEN.

Vervolgens reden wij, A-2154 en A-2158, samen met [verdachte] in de richting van Scheveningen. lk, A-2154, vroeg naar de Baretta's. [verdachte] vertelde dat dit mogelijk vandaag nog ging lukken, lk, A-2154, vroeg of hij het nummer had. [verdachte] antwoorde dat hij inderdaad het nummer had. Ik A-2154, vroeg hem te bellen. [verdachte] belde inderdaad en zei dat hij over en over een uur terug kon bellen. Gedurende de rit vroeg ik, A-2158, hoeveel ervaring [verdachte] had met wapens. [verdachte] vertelde dat hij veel ervaring had met kalasnikovs. [verdachte] vertelde dat kalasnikov zijn beste vriend was. Ik, A-2154, vroeg hem of hij nog wel wilde meegaan vanavond, want het ging immers om een overval. [verdachte] zei tegen ons, ja, ik weet wat we doen, broer, in twee uur kan je heel veel zien. Ik, A-2158, vroeg [verdachte] of hij geen problemen had om dingen te doen met wapens en ze eventueel te gebruiken. Hierop zei [verdacahte] "nee, natuurlijk niet, ik kan een hoop voor jullie regelen en organiseren, de dingen doen die Sam eigenlijk zou doen". 25

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof genoegzaam vast komen te staan dat de verdachte niet tot handelingen is gebracht waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht. Dat de verdachte onder druk zou zijn gezet door de infiltranten acht het hof, mede gelet op de bevindingen van de infiltranten zoals hiervoor weergegeven, onvoldoende aannemelijk geworden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte pas bij de behandeling van de zitting in eerste aanleg hierover heeft verklaard en voorts dat er voldoende gelegenheid was voor verdachte zich aan de handelingen te onttrekken.

Voorts ziet het hof, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van de infiltranten of informant. De verslagleggingen omtrent hetgeen zich tijdens de ontmoetingen met de verdachte heeft afgespeeld en met de verdachte is besproken, vindt, voor zover hier relevant, in de kern niet alleen steun in de latere verklaringen van de infiltranten en informant tegenover de rechter-commissaris, maar bovendien, voor wat betreft de verslaglegging van de infiltranten, in de hiervoor aangehaalde statement van de infiltranten. Deze opvolgende verklaringen en bevindingen zijn onderling consistent. Daarbij komt dat de verdachte omtrent de onderhavige ontmoetingen wisselende verklaringen heeft afgelegd en hij de verklaringen en verslagleggingen van de informant en de infiltranten op cruciale punten niet heeft tegengesproken. Bijzondere omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden hebben kunnen of moeten leiden, zijn ook overigens niet aannemelijk geworden. Het hof gaat derhalve aan het verweer van de verdediging op dit punt voorbij.

Tot slot is het hof van oordeel dat het handelen van de infiltranten ook geen strijd oplevert met de door de verdediging besproken jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Immers, genoegzaam is komen vast te staan dat de opzet van verdachte (“predisposition”) reeds gericht was op het plegen van strafbare feiten. Anders dan de raadsman meent is de vraag of betrokkene ‘had started acting upon his latent criminal intent before the investigation’ alleen dan een relevant element als niet kan worden vastgesteld dat er voorafgaand aan de undercoveroperatie een (objectieve) verdenking bestond dat een persoon betrokken is geweest in strafbare activiteiten of een predispositie had om soortgelijke strafbare feiten te plegen (vgl. r.o. 56 Ramanauskas v. Lithuania, EHRM 5 februari 2008, nr. 74420/01).

De verweren van de verdediging op dit punt falen mitsdien.

Nu ook overigens niet is gebleken dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan of van enig andere vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte en kunnen de resultaten van de stelselmatige informatie-inwinning en infiltratie voor het bewijs worden gebezigd.

De voorwaardelijke verzoeken van de verdediging

Door de politie en het openbaar ministerie is aan de hand van verslagleggingen van de stelselmatige informatie-inwinning en infiltratieactie die aan de verdediging en rechters ter beschikking zijn gesteld, volledig rekening en verantwoording afgelegd. Voorts is in eerste aanleg de verdediging in de gelegenheid geweest de informant en de infiltranten te ondervragen hetgeen ook is geschied. De daarvan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich bij de procestukken en het hof heeft daarvan kennis genomen.

Het hof is dan ook van oordeel dat er geen noodzaak bestaat de (wederom) verzochte getuigen A-3678, A-2154, A-2158 en de begeleiders B-2224 en B-2225 te horen en wijst de voorwaardelijke verzoeken daartoe af.

Het voorwaardelijk verzoek om de verbalisant WOD153, opsteller van de processen-verbaal van bevindingen van 26 februari 2016 en 7 maart 2016, wordt wederom afgewezen nu het hof het horen van deze getuige niet noodzakelijk acht. Niet aannemelijk is geworden dat de door hem opgestelde processen-verbaal in strijd met de waarheid zijn opgemaakt.

Vrijspraak

Het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

De kern van het verwijt dat door het openbaar ministerie aan de verdachte onder 1 eerste cumulatief/alternatief wordt gemaakt is, verkort en zakelijk weergegeven, dat de verdachte zich (samen met anderen) in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van terroristische misdrijven (te weten: brandstichting, moord en/of doodslag met terroristisch oogmerk), doordat hij voorbereidingen heeft getroffen voor het plegen van een of meer gewapende overvallen waarvan het buitgemaakte geldbedrag was bestemd voor de gewapende (jihad)strijd in Syrië of Irak.

Het hof merkt daarbij op dat datgene wat onder feit 1 eerste cumulatief/alternatief onder A., B., D. en E. feitelijk is ten laste gelegd, op zichzelf niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde leidt. Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat deze feitelijke verwijten het feitelijk handelen als beschreven onder C. nader inkleuren.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, verkort en zakelijk weergegeven, dat de verdachte van het onder C. gestelde dient te worden vrijgesproken. Voor zover de verdachte zou hebben gesproken over zijn betrokkenheid bij de gewapende strijd in Syrië en het voornemen om middels misdrijven gelden te genereren ten behoeve van ‘de broeders’ in Syrië, berust dit op grootspraak om indruk op de andere gespreksdeelnemers te maken. Er heeft bij de verdachte nooit enige intentie bestaan om gelden naar Syrië te sturen. Bovendien, zo dit al zou kunnen worden bewezen, ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs ter zake van het opzet en oogmerk tot financiering van daden van terrorisme.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende komen vast te staan. De startinformatie in het onderzoek tegen de verdachte bestond onder meer uit het eerdervermelde ambtsbericht van de AIVD, inhoudende dat de verdachte tussen februari 2013 en 20 augustus 2013 op jihad zou zijn geweest en zich na terugkomst teruggetrokken en religieus radicaal zou gedragen. De verdenking kreeg vorm door het reeds aangehaalde door de AIVD opgenomen gesprek tussen de verdachte en anderen in de bij de verachte in gebruik zijnde auto op 25 oktober 2013 waarin werd gesproken over mede door de verdachte te plegen overvallen en het ten goede komen van de buit van één van die overvallen aan ‘de broeders’ in Syrië.

Er werd, voor zover hier relevant, gesproken over ‘hoe het geld moet worden gebracht naar de broeders’, ‘het zetten van acties voor de broeders’ (het hof begrijpt: de jihadstrijders in Syrië) en de wijze waarop het geld naar Syrië zou moeten worden gestuurd. Dit gesprek wordt door het openbaar ministerie redengevend geacht voor het bewijs van het tenlastegelegde voorbereidingshandeling.

Het hof merkt op dat tijdens het hierboven aangehaalde gesprek in de bij verdachte in gebruik zijnde auto op 18 januari 2014 door onder andere de verdachte ook nog wordt gesproken over een overval op een zekere [betrokkene 6], maar dat er dan niets wordt gemeld over een eventuele bestemming van de opbrengst van die beoogde overval.

Anders dan voornoemd gesprek op 25 oktober 2013, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte de intentie had om middels het plegen van overvallen gelden te genereren voor ‘de broeders’ in Syrië, bevat het procesdossier geen, althans onvoldoende, andere concrete aanwijzingen ter ondersteuning van het standpunt dat de buit van de voorgenomen overval en/of afpersing in Scheveningen ter voorbereiding waarop de verdachte wapens en munitie heeft geregeld of enige andere concrete door de verdachte voorbereide gewapende overval en/of afpersing, was bestemd voor het verlenen van geldelijke steun aan de gewapende strijd in Syrië of elders en daarmee aan het voorbereiden en/of bevorderen van het plegen van terroristische misdrijven in de tenlastegelegde zin.

Bovendien zou de verdachte blijkens de verklaring van de getuige A-2158, zijnde een infiltrant die intensief contact heeft gehad met de verdachte en met hem over de te plegen overval en/of afpersing in Scheveningen heeft gesproken, tegen die infiltrant hebben gezegd dat hij zijn deel van de buit wilde investeren in drugs teneinde zo zijn vermogen te vermeerderen.

Het hof is derhalve van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte zich aan het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Gelet hierop behoeft het door de verdediging in voorwaardelijke zin gedane verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1], al dan niet in het kader van een bewijsconfrontatie, alsmede het nader kennisnemen van de aan getuige [getuige 1] getoonde fotomap, geen nadere bespreking.

Het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Aan de verdachte wordt onder 1 tweede cumulatief/alternatief verweten, verkort en zakelijk weergegeven, dat hij (samen met anderen) in de tenlastegelegde periode zich of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft of trachten te verschaffen en/of kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of anderen heeft bijgebracht tot (het voorbereiden en/of bevorderen van) het plegen van een terroristisch misdrijf, ofwel het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme als bedoeld in artikel 134a Sr.

Zowel het openbaar ministerie als de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat, zo hetgeen onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste is gelegd kan worden bewezen, dit niet valt te kwalificeren als artikel 134a van het Wetboek van Strafrecht en dat de verdachte deswege dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, danwel dient te worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat, voor zover de ten laste gelegde handelingen onder A tot en met F al kunnen worden bewezen verklaard, deze niet zien op de verweten gedraging van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Naar het oordeel van het hof kan niet buiten redelijke twijfel worden vast gesteld dat deze handelingen zijn verricht in het kader van een te plegen terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. De verdachte dient derhalve ook voor dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Het onder 1 derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Onder 1 derde cumulatief/alternatief wordt de verdachte verweten, verkort en zakelijk weergegeven, dat hij zich (samen met anderen) in de tenlastegelegde periode heeft schuldig gemaakt aan het financieren van terrorisme als bedoeld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op vorenstaande vrijspraak van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte voorwerpen voorhanden heeft gehad die onmiddellijk of middellijk bestemd waren tot het verlenen van geldelijke steun aan een terroristisch misdrijf of één van de andere misdrijven genoemd onder 1 derde cumulatief/alternatief.

De verdachte dient derhalve eveneens te worden vrijgesproken van het hem onder 1 derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 15 mei 2014 te Delft en/of te Rotterdam en/of te Den Haag en/of te Scheveningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van een tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten (een) diefstal (in vereniging) voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld en/of een afpersing (in vereniging), opzettelijk

- drie, althans één of meerdere, vuurwapen(s) en/of

- een telefoon bevattende aantekeningen met betrekking tot het adres waar dat misdrijf begaan zou moeten worden en/of

- een (vlucht)auto waarmee gereden is/kon worden van en naar het adres waar dat misdrijf begaan zou moeten worden,

(steeds) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2.


hij op of omstreeks 15 mei 2014 te Delft en/of te Rotterdam en/of te Den Haag en/of te Scheveningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapen(s) van categorie III, te weten

- een Riotgun van het merk Pachmayer met serienummer JB70040 en/of

- een revolver kaliber 3.57 magnum en/of

- een gaspistool zonder houder met een omgebouwde loop naar het kaliber 6.35 mm,

en/of

munitie van categorie III, te weten

- 6 kogelpatronen kaliber .38 spec. (behorend bij voormelde revolver) en/of

- 9 kogelpatronen en/of

- 1 kogelpatroon 357 Magnum en/of

- een doosje met 25 kogelpatronen 6.35 mm en/of

30 hagelpatronen,

heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van voorbereiding van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en ter zake van het onder 1 eerste, derde en vierde cumulatief/ alternatief en onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van vier jaren en de bijzondere voorwaarden zoals nader in de requisitoiraantekeningen omschreven.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen. Hij wist politiefunctionarissen die onder dekmantel werkten te voorzien van meerdere vuurwapens en bijbehorende munitie. Niet voor niets heeft de wetgever bezit van (vuur)wapens en munitie ten strengste verboden, nu ongecontroleerd wapenbezit onaanvaardbare risico’s met zich meebrengt voor de veiligheid van personen en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt. In casu zouden de wapens naar verdachte meende worden ingezet bij een overval, hetgeen nog eens onderstreept hoe strafwaardig dit handelen is.

De verdachte heeft een bijdrage willen leveren aan een gewapende overval. Hij heeft zich daarbij niet bekommerd om de gevolgen van een dergelijk delict, maar alleen oog gehad voor het eigen gewin. Ook dat rekent het hof hem zwaar aan.

Het hof acht een gevangenisstraf passend en geboden.

Anderzijds houdt het hof rekening met het feit dat uit een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 januari 2016 niet blijkt dat hij eerder voor soortgelijke ernstige feiten is veroordeeld. Ook weegt het hof mee de omstandigheid dat de verdachte van een aantal onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Nu niet is komen vast te staan dat hij overvallen wilde plegen met de bedoeling gelden te genereren voor de Jihadstrijd in Syrië of Irak en hij niet zal worden veroordeeld voor – kort gezegd - terrorisme-gerelateerde misdrijven, zal het hof bovendien in strafverminderende zin meewegen de omstandigheid dat de verdachte gedurende zijn voorarrest in een zwaar regime op een Terrorismeafdeling heeft vastgezeten.

Het hof zal derhalve een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

Het hof ziet bij deze stand van zaken geen termen voor het opleggen van de diverse door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarden en zal volstaan met het opleggen van reclasseringstoezicht.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 750,- zal worden verbeurd verklaard en dat de wapens en munitie aan het verkeer zullen worden onttrekken.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag ad
€ 750,- zoals vermeld onder nummer 9 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven wapens en munitie zoals vermeld onder nummers 1 tot en met 8 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 46, 47, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 vierde cumulatief/alternatief en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 vierde cumulatief/alternatief en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland en geeft deze instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

wapens en munitie zoals vermeld onder nummers 1 tot en met 8 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen;

gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 750,- zoals vermeld onder 9 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door Tj.E. van der Spoel, mr. R.A.Th.M. Dekkers en

mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffiers mr. P. Melis en mr. E. van Doren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 maart 2016.

1 ambtsbericht AIVD d.d. 30 augustus 2013, kenmerk 82fc0809-or1-1.2, AD p. 74 en ambtsbericht AIVD d.d. 30 augustus 2013, kenmerk 82fbfbc8-or1-1.0, AD p. 75.

2 ambtsbericht AIVD d.d. 13 november 2013, kenmerk 833acb0b-or1-2.0, AD p. 86-96.

3 bijlage II, Uitwerking CD opbrengst microfoon 25 oktober 2013 te 16:46, p. 178 bij een bericht van de AIVD betreffende Verzoek om technische bijstand ex art. 63 WIVd.d. 21 februari 2014, kenmerk 838c8996-or1-2.0, AD p. 97.

4 bijlage II, Uitwerking CD opbrengst microfoon 25 oktober 2013 te 16:46, p. 182 bij een bericht van de AIVD d.d. 21 februari 2014, kenmerk 838c8996-or1-2.0, AD p. 97.

5 bijlage II, Uitwerking CD opbrengst microfoon 25 oktober 2013 te 16:46, p. 183 bij een bericht van de AIVD d.d. 21 februari 2014, kenmerk 838c8996-or1-2.0, AD p. 97

6 bijlage I, Uitwerking CD opbrengst microfoon 25 oktober 2013 te 14:41, p. 134-138 bij een bericht van de AIVD betreffende Verzoek om technische bijstand ex art. 63 WIVd.d. 21 februari 2014, kenmerk 838c8996-or1-2.0, AD p. 97.

7 ambtsbericht AIVD d.d. 18 november 2013, kenmerk 833f467e-or1-2.0, AD p. 196 t/m 208.

8 bijlage OVC van 17-11-2013 starttijd: 19.07.03 p. 202-203 bij Ambtsbericht AIVD d.d. 18 november 2013, kenmerk 833f467e-or1-2.0, AD p. 196.

9 ambtsbericht AIVD d.d. 16 januari 2014, kenmerk 836bbbd6-or1-2.0, AD p. 217.

10 proces-verbaal Algemeen Dossier, d.d. 25 september 2014, AD p. 42 i.c.m. Uitgewerkt OVC-gesprek 19675.004 za 18 jan 2014 van 22:46:40 tot 22:54:20, AD p. 218-222.

11 uitgewerkt OVC-gesprek 19675.004 za 18 jan 2014 van 22:46:40 tot 22:54:20, AD p. 218.

12 uitgewerkt OVC-gesprek 19675.004 za 18 jan 2014 van 22:46:40 tot 22:54:20, AD 1/5 p. 221.

13 proces-verbaal Algemeen Dossier, d.d. 25 september 2014, AD p. 45, Proces-verbaal van aanhouding (ongedateerd), PD p. 8, alsmede proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding d.d. 19 januari 2014, PD p. 8 en 9.

14 proces-verbaal Algemeen Dossier, d.d. 25 september 2014, AD p. 45.

15 proces-verbaal bevindingen d.d. 8 juli 2014, nr. 30-622861, AD p. 224 t/m 225, met bijlage.

16 proces-verbaal Algemeen Dossier, d.d. 25 september 2014, AD p. 46.

17 aanvraag bevel Stelselmatige Informatie-inwinning, d.d. 9 mei 2014, Bob-dossier p. 43-49.

18 bevel Stelselmatige Informatie-inwinning, d.d. 9 mei 2014, Bob-dossier p. 50.

19 aanvraag bevel Politiële Infiltratie, d.d. 13 mei 2014, Bob-dossier p. 24-32.

20 bevel Politiële Infiltratie, d.d. 13 mei 2014, Bob-dossier p. 33-34.

21 proces-verbaal van aanhouding d.d. 15 mei 2014, PD p. 32 en 33.

22 proces-verbaal van bevindingen Informant A-3678 d.d. 13 mei 2014, AD p. 231.

23 proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 d.d. 13 mei 2014, AD p. 242-243.

24 proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 en A-2158 d.d. 14 mei 2014, AD p. 245-246.

25 proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 en A-2158 d.d. 16 mei 2014, AD p. 252.