Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:806

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
200.172.952/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:4005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop wordt niet geteld bij het inkomen van de vrouw in het kader van de vaststelling van de partneralimentatie. De onderhoudsverplichting van de man prevaleert boven de inkomensondersteuning van de staat. Alimentatie is inkomen dat het toetsingsinkomen beïnvloed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0090

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 maart 2016

Zaaknummer : 200.172.952/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-10361

Zaaknummer rechtbank : C/09/457438

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.J.G. Jukema te Bergschenhoek,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Hoogeveen te Gouda.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 8 juli 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 april 2015 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 8 september 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 5 november 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 30 juli 2015 een V-formulier van 29 juli 2015 met bijlage;

- op 4 januari 2016 een brief van 4 januari 2016 met bijlagen.

De zaak is op 15 januari 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

Mr. Hoogeveen heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang en uitvoerbaar bij voorraad:

- bepaald dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de hierna nader te noemen minderjarigen, aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 449,- per maand, per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.250,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- afgewezen de duur van de alimentatieverplichtingen jegens de vrouw te beperken.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

In hoger beroep is voorts vast komen te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 29 mei 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie):

- [naam] , geboren [in] 2003 te [plaats] , en;

- [naam] , geboren [in] 2005 te [plaats] ,

hierna tezamen te noemen: de minderjarigen,

alsmede de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw, hierna ook: partneralimentatie.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen, de behoefte/behoeftigheid van de vrouw en op de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de kinderalimentatie en partneralimentatie en voor zover deze beschikking betrekking heeft op de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de man om de op hem gelegde alimentatieverplichting in duur te beperken en opnieuw rechtdoende, als dan niet met aanvulling en/of verbetering van de gronden:

I. de hoogte van de op de man rustende verplichting tot betaling van de kinderalimentatie vast te stellen op € 297,- per maand per kind, althans op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 29 mei 2015;

II. de hoogte van de op de man opgelegde verplichting tot betaling van partneralimentatie vast te stellen op € 742,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 29 mei 2015;

III. de vrouw te veroordelen om hetgeen de man aan haar meer heeft betaald dan het door het hof vast te stellen bedrag aan kinderalimentatie en partneralimentatie terug te betalen, althans te bepalen dat de man hetgeen door hem meer is betaald dan door het hof is vastgesteld met de door hem in de toekomst te betalen alimentatietermijnen mag worden verrekend;

IV. de op de man opgelegde partneralimentatieverplichting te beperken in duur tot 1 december 2017, althans tot een zodanige termijn/datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren, althans de op de man opgelegde partneralimentatie op nihil te stellen per 1 december 2017 althans per de datum van het hof in goede justitie vermeent te behoren;

V. de proceskosten tussen partijen te compenseren.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie te bekrachtigen en de man niet ontvankelijk te verklaren in de door hem gedane verzoeken, althans deze af te wijzen en

Incidenteel:

de partneralimentatie te wijzigen en te bepalen dat de man aan de vrouw ten behoeve van de kosten van haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van € 6.778,- per maand, bij vooruitbetaling verschuldigd.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, als dan niet met aanvulling en/of verbetering van gronden:

1. de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appel, althans haar grief ongegrond te verklaren en haar verzoek om te bepalen dat de man aan haar ten behoeve van de kosten van levensonderhoud dient te betalen een bedrag van € 6.778,- per maand, bij vooruitbetaling verschuldigd, af te wijzen.

5. Bij brief van 4 januari 2016 heeft de man zijn verzoeken gewijzigd. Hij verzoekt de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen, de behoefte/behoeftigheid van de vrouw en op de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de kinderalimentatie en partneralimentatie en voor zover deze beschikking betrekking heeft op de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de man om de op hem gelegde alimentatieverplichting in duur te beperken en opnieuw rechtdoende, als dan niet met aanvulling en/of verbetering van de gronden:

I. - de hoogte van de op de man rustende verplichting tot betaling van de kinderalimentatie vast te stellen op € 348,50 per maand per kind, althans op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 29 mei 2015 tot en met 31 december 2015;

- de hoogte van de op de man opgelegde verplichting tot betaling van partneralimentatie vast te stellen op € 172,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 29 mei 2015 tot en met 31 december 2015;

II. - de hoogte van de op de man rustende verplichting tot betaling van de kinderalimentatie vast te stellen op € 350,50 per maand per kind, althans op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren met ingang van 1 januari 2016;

- de hoogte van de op de man rustende verplichting tot betaling van partneralimentatie vast te stellen op € 178,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren met ingang van 1 januari 2016;

III. - de hoogte van de op de man rustende verplichting tot betaling van partneralimentatie vast te stellen op nihil, althans op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren met ingang van 16 juni 2016;

IV. de vrouw te veroordelen om hetgeen de man aan haar meer heeft betaald dan het door het hof vast te stellen bedrag aan kinderalimentatie en partneralimentatie terug te betalen, , in eerste instantie door te bepalen dat de man de door hem in de toekomst te betalen alimentatietermijnen hiermee mag verrekenen en voor zover hetgeen ter zake de door de man de vrouw terug te betalen kinder- en partneralimentatie niet kan worden verrekend met in de toekomst te betalen alimentatietermijnen, de vrouw te veroordelen hetgeen hij dienaangaande nog van haar heeft vorderen ineens aan de man terug te betalen.

V. de op de man na 1 juni 2016 rustende partneralimentatieverplichting te beperken in duur tot 1 december 2017, althans tot een zodanige termijn/datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren, althans de eventueel na 1 juni 2016 op de man rustende partneralimentatie op nihil te stellen per 1 december 2017 althans per de datum als het hof in goede justitie vermeent behoren;

VI. de proceskosten tussen partijen te compenseren.

Ingangsdatum

6. De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum - de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand - staat tussen partijen niet ter discussie. Gelet hierop zal het hof uitgaan van 29 mei 2015 als ingangsdatum.

Kinderalimentatie

Behoefte van de minderjarigen

7. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht de dividenduitkeringen over de jaren 2011 en 2012 in aanmerking heeft genomen bij de bepaling van het netto gezinsinkomen van partijen, ter bepaling van de behoefte van de minderjarigen. Het overweegt daartoe dat vaststaat dat in de jaren 2011 en 2012 ook daadwerkelijk dividend is uitgekeerd. Dat de dividenduitkeringen, zoals de man stelt, zijn aangewend om de rekening-courantschuld af te lossen, maakt dit oordeel niet anders. Immers, de rekening-courant opnames hebben het besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van hun huwelijk (en daarmee de behoefte van de minderjarigen) mede bepaalt, ook als die opnames zouden zijn gedaan ten behoeve van de verbeteringen/verbouwingen in en aan de voormalige echtelijke woning. Behoefte kan dus worden gecreëerd door het aangaan van schulden, dat dit niet verstandig is behoeft geen betoog maar is een gevolg van de wijze waarop partijen invulling hebben gegeven aan hun leven.

8. Het hof stelt met inachtneming van het vorenstaande het netto besteedbaar gezinsinkomen aldus vast op € 6.000,- per maand. Niet in geschil is dat aan de hand van dit inkomen de behoefte van de minderjarigen totaal € 1.435,- per maand bedraagt.

9. Ten aanzien van de vraag of het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop als inkomen dan wel als invulling van de individuele behoefte van het kind moet worden gezien, heeft de Hoge Raad op 9 oktober 2015 een prejudiciële beslissing gegeven (ECLI:NL:HR:2015:3011). Naar aanleiding van die beschikking heeft de man in zijn verweerschrift in incidenteel appel zijn tweede grief ingetrokken.

10. Ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 dienen het ontvangen kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in mindering te worden gebracht op de behoefte van de minderjarige. Het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop dienen, overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad, in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop ontvangt. Er is sprake van inkomensondersteuning aan die zijde. Deze inkomensondersteuning dient in aanmerking genomen te worden bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Er dient voorts geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget.

11. Met inachtneming van het vorenstaande stelt het hof de behoefte van de minderjarigen aldus vast op € 1.435,- per maand.

12. Vervolgens dient het aandeel van partijen in die behoefte naar rato van draagkracht te worden bepaald.

Het aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige

Draagkracht van de vrouw

13. Uit de genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober jl., volgt dat het door een verzorgende ouder ontvangen KGB, inclusief de alleenstaande ouderkop, bij de berekening van de draagkracht van die ouder in aanmerking dient te worden genomen. In casu stelt het hof vast dat de vrouw, naast de toeslagen waarop zij op dit moment aanspraak maakt (de vrouw heeft onweersproken verklaard dat zij een kindgebonden budget van € 426,- per maand ontvangt), een zeer beperkt inkomen uit dienstbetrekking heeft. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hierna omtrent de behoeftigheid van de vrouw wordt overwogen. Op grond van deze omstandigheid kan naar het oordeel van het hof van de vrouw niet gevergd worden dat zij enige bijdrage zal leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Draagkracht van de man

14. Het hof overweegt als volgt. Voor de vaststelling van kinderalimentatie geldt met ingang van 1 april 2013 een forfaitaire wijze van berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, waarbij het netto besteedbaar inkomen (afgekort tot NBI) van de man de bepalende factor is. Het hof stelt, mede in aanmerking genomen de door de man in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekeningen (producties FF en GG bij zijn brief van 4 januari 2016) vast dat het netto besteedbaar inkomen van de man, zoals de rechtbank dat heeft vastgesteld, niet in geschil is. Het hof stelt de draagkracht van de man derhalve - overeenkomstig de bestreden beschikking (met toepassing van de formule) - vast op € 1.536,- per maand.

15. In navolging van de bestreden beschikking zal het hof aan de zijde van de man rekening houden met een zorgkorting van 30%, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 430,- per maand (30% van € 1.435,-). Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het door de man te betalen eigen aandeel van € 1.435,- zodat de man in staat is de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 449,- per maand per kind te betalen.

Partneralimentatie

Behoefte van de vrouw

16. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw, aan de hand van de hofnorm, vastgesteld op € 2.400,- netto per maand.

17. In incidenteel appel vordert de vrouw een hogere partneralimentatie, te weten een bedrag van € 6.778,- per maand. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar – door de man gemotiveerd betwiste - behoefte aan deze hogere bijdrage onvoldoende heeft onderbouwd en daarmee niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Het hof overweegt daartoe als volgt. Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw in haar verweerschrift heeft verklaard dat zij het betreurt dat de man in hoger beroep is gekomen van de bestreden beschikking, nu wat haar betreft een streep gezet kon worden onder de partneralimentatie, die door de rechtbank in de bestreden beschikking was afgehandeld. Het hof stelt voorts vast dat de vrouw in haar verweerschrift helemaal niet is ingegaan op haar behoefte. Zij heeft alleen een standpunt ingekomen ten aanzien van haar behoeftigheid. Ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, waarbij de behoefte van de vrouw expliciet aan de orde is gesteld, heeft de vrouw nagelaten haar behoefte nader te onderbouwen. Gelet hierop zal het hof voor wat betreft de behoefte van de vrouw aansluiting zoeken bij het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 2.400,- netto per maand.

Behoeftigheid van de vrouw: invloed KGB

18. In verband met de beschikking van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:3011 ligt de vraag voor of bij de vaststelling van partneralimentatie het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop ook als inkomen moet worden meegenomen in het kader van de bepaling van de (aanvullende) behoefte van de onderhoudsgerechtigde, nu de aanspraak hierop afhankelijk is van de hoogte van het verzamelinkomen en derhalve van het al dan niet ontvangen van alimentatie.

19. De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) geldt op grond van artikel 1 voor alle inkomensafhankelijke regelingen.

20. Onder de inkomensafhankelijke regelingen zijn onder meer begrepen de Wet op de huurtoeslag, Wet op de zorgtoeslag en de Wet op het kindgebonden budget. Naast voormelde toeslagen gelden ook nog andere toeslagen.

21. Het hof verwijst in deze naar de AWIR en de daar genoemde definities. In artikel 2 onder definities is in lid 1 onder i aangegeven toetsingsinkomen: het inkomen in artikel 8 en onder j is het verzamelinkomen aangegeven: het verzamelinkomen bedoeld in artikel 2.18 van de wet op de inkomstenbelasting.

22. Op grond van artikel 3.1 van de wet op de inkomstenbelasting 2001 lid 2 wordt onder d. als belastbare periodieke uitkering en verstrekking verstaan ‘alimentatie’.

23. In artikel 8 en artikel 8a van de AWIR wordt het toetsingsinkomen gedefinieerd. Het toetsingsinkomen zoals geformuleerd in de AWIR geldt derhalve voor het kindgebonden budget.

24. In het kader van de vaststelling van het KGB is eveneens relevant het verzamelinkomen in de zin van artikel 2.18 van de Wet op de inkomstenbelasting.

25. Zowel bij de huurtoeslag, als bij het kindgebonden budget is er sprake van een inkomensondersteuning die afhankelijk is van het toetsingsinkomen in de zin van artikel 8 van de AWIR, voor welk het verzamelinkomen relevant is artikel 2.18 van de Wet op de inkomstenbelasting.

26. De vraag die zich hier voordoet is of de ondersteuning van rijkswege aan de vrouw met betrekking tot haar inkomen voorgaat op die van de man.

27. Het hof is van oordeel dat de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn ex-echtgenote prevaleert boven de ondersteuning die de vrouw kan krijgen van de staat indien zij in onvoldoende mate in haar levensonderhoud kan voorzien.

28. Ter onderbouwing van de visie van het hof verwijst het hof naar een uitspraak van de Hoge Raad in het kader van de huurtoeslag. In zijn beschikking van 27 januari 1995, NJ 1995/291 heeft de Hoge Raad overwogen dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat ‘de aanvullende aard van de huursubsidie meebrengt dat de woonkosten van de vrouw zonder subsidie bij het bepalen van haar behoefte tot uitgangspunt moeten worden genomen.”. Nu het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop eveneens inkomens aanvullend van aard zijn, ziet het hof aanleiding bij de berekening van de behoefte van de vrouw evenmin rekening te houden met deze inkomensafhankelijke inkomensondersteuning.

29. De man heeft voorts nog gewezen op de verdiencapaciteit van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond dat zij met haar bijverdiensten in een tandartsenpraktijk op dit moment een inkomen geniet van € 100,- a € 150,- per maand. Het hof voorts van oordeel dat aan de vrouw op dit moment geen hogere verdiencapaciteit kan worden toegedicht. Het hof overweegt daartoe dat de vrouw, het hof begrijpt sinds 2014, succesvol een vierjarige pabo-opleiding volgt. Het hof acht het aannemelijk dat de vrouw, gelet op de belasting die deze studie met zich brengt, op dit moment niet in staat is haar werkzaamheden uit te breiden. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat de vrouw naast het volgen van deze opleiding ook de zorg voor de minderjarigen heeft. Het hof gaat er wel vanuit dat de vrouw, zodra zij haar opleiding heeft afgerond, binnen afzienbare tijd geheel dan wel grotendeels in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Niettegenstaande het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw reeds thans in duur te beperken als door de man is verzocht. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet voldaan aan de zware stelplicht welke in dezen op hem rust.

30. Op grond van het voorgaande stelt het hof de behoefte van de vrouw aan een bijdrage ten laste van de man vast op € 2.300,- netto per maand.

Draagkracht van de man

Inkomen

31. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van een jaarsalaris van € 97.126 bruto per jaar. Dit inkomen is tussen partijen niet in geschil en staat derhalve vast.

Dividenduitkeringen

32. Het hof houdt in het kader van de draagkracht van de man geen rekening met aanvullende dividenduitkeringen, nu de man naar het oordeel van het hof genoegzaam heeft onderbouwd dat de financiële situatie van zijn onderneming het niet (langer) toelaat om dividend uit te keren

Lasten

33. Het hof houdt geen rekening met de door man in hoger beroep opgevoerde rente en aflossing op een bij zijn ouders afgesloten lening. Het hof overweegt daartoe dat de vrouw het bestaan van deze lening uitdrukkelijk heeft betwist. Het hof gaat aan het door de man ter zitting gedane bewijsaanbod voorbij. Daartoe overweegt het hof dat het op de weg van de man had gelegen om in een eerder stadium van de procedure (nadere) schriftelijke bewijsstukken in het geding te brengen. Voorts overweegt het hof dat, uitgaande van de juistheid van de stelling van de man omtrent het bestaan van deze geldlening, de man de noodzaak tot het aangaan van die lening, in het licht van hetgeen de vrouw heeft gesteld onvoldoende heeft aangetoond.

34. Het hof acht het redelijk om gedurende ten hoogste een jaar rekening te houden met een maandelijkse last van € 114,- aan advocaatkosten, derhalve tot 29 mei 2016.

35. De navolgende lasten van de man zijn tussen partijen niet in geschil, zodat het hof daarmee rekening houdt: kale huur € 928,- per maand, hypotheekrente € 455,- per maand (het eigenwoningforfait bedraagt € 784,- per jaar in de periode tot 1 januari 2016 en vervolgens € 750,- per jaar), aflossing hypotheek € 104,- per maand, forfait eigenaarslasten € 49,- per maand, premie ziektekostenverzekering € 144,- per maand en eigen risico € 32,- per maand.

36. In hoger beroep is vast komen te staan dat de hypotheekrenteaftrek voor de echtelijke woning met ingang van 16 juni 2016 komt te vervallen. Het hof houdt met die omstandigheid rekening.

37. Het hof houdt voorts rekening met de heffingskortingen waarop de man aanspraak kan maken in de desbetreffende periode.

38. Het hof heeft met inachtneming van het vorenstaande de draagkracht van de man opnieuw berekend. Gelet op deze berekening laat de draagkracht van de man, rekening houdende met het feit dat hij volledig in de behoefte van de minderjarigen voorziet, deels door het betalen van kinderalimentatie en deels door de kosten die hij maakt in het kader van de zorgregeling, een partneralimentatie toe van € 245,- per maand, voor de periode tot 29 mei 2016;

- € 435,- per maand, voor de periode van 29 mei 2016 tot 16 juni 2016;

- € 90,- per maand, met ingang van 16 juni 2016.

Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

Terugbetalingverplichting vrouw

39. De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door haar teveel ontvangen kinder- en partneralimentatie. Ingevolge vaste rechtspraak dient de (appel)rechter te onderzoeken of een terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam komen vast te staan dat nakoming van een dergelijke verplichting tot terugbetaling niet van de vrouw kan worden gevergd. Gelet daarop zal het hof bepalen dat hetgeen de man teveel heeft betaald en/of op hem is verhaald niet door de vrouw behoeft te worden terugbetaald.

40. Het hof zal de kosten tussen partijen, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, in hoger beroep compenseren

41. Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie en de partneralimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van met ingang van 29 mei 2015 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen dient te voldoen een bedrag van € 449,- per maand per kind;

bepaalt dat de man met ingang 29 mei 2015 aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van:

- € 245,- per maand, voor de periode tot 29 mei 2016;

- € 435,- per maand, voor de periode van 29 mei 2016 tot 16 juni 2016;

- € 90,- per maand, met ingang van 16 juni 2016;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af de vordering van de man tot terugbetaling door de vrouw aan hem van de door haar te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en L.C.A. Verstappen, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2016.