Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:791

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
BK 15/00330
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:2705, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen. Het schip is in het geschil zijnde jaar voorzien van het Rijnvarendencertificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/702
V-N 2016/35.9 met annotatie van Redactie
FutD 2016-0875
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-15/00330

Uitspraak d.d. 22 maart 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2015, nummer SGR 14/9420, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.432.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 45. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 februari 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de navolgende door de rechtbank onder 1 tot en met 5 van haar uitspraak vermelde feiten:

1. Belanghebbende] heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2011 in Nederland.

2. Gedurende de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 was [belanghebbende] werkzaam aan boord van het binnenvaartschip [A] (het schip) dat eigendom is van [B] . (…). [Belanghebbende] was dat jaar in dienstbetrekking bij [C] S.A. gevestigd te [D] (Luxemburg).

3. Het schip is in het geschil zijnde jaar voorzien van het Rijnvarendencertificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte.

4. [ Belanghebbende] heeft voor het jaar 2011 aangifte inkomstenbelasting premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van € 33.432. In de aangifte heeft [belanghebbende] voor het gehele jaar 2011 vrijstelling gevraagd voor premies volksverzekeringen.

5. Met dagtekening 21 juni 2014 is de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2011 opgelegd. [De Inspecteur] heeft daarbij de verzochte vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen niet verleend.

3.2.

Voorts is in hoger beroep nog als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan dat de eigenaar van het schip in Nederland is gevestigd en dat het schip gedurende geheel 2011 met winstoogmerk werd gebruikt in de vaart op de Rijn, de zijrivieren van de Rijn en haar verbindingen naar België.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep tussen partijen in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op het bezwaarschrift en, naar het Hof begrijpt, tot vermindering van de aanslag naar een premie volksverzekeringen van nihil met handhaving van de aanslag naar het vastgestelde belastbaar inkomen.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak het navolgende overwogen:

"Nationale wetgeving

10. Vast staat dat [belanghebbende] in 2011 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (de Wet) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, is [belanghebbende] voor dat jaar aan te merken als Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

11. In afwijking van artikel 6 van de Wet wordt op grond van artikel 6a van de Wet als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

De Verordening

12. Op 1 mei 2010 is de Verordening van kracht geworden. Artikel 13 van de Verordening luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"Artikel 13

1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:

a. de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of

b. indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont:

i. i) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, indien hij in dienst is van één onderneming of werkgever (…)"

13. Op grond van artikel 16 bestaat de mogelijkheid voor lidstaten om, in afwijking van de in de Verordening opgenomen aanwijsregels, de sociale zekerheidswetgeving van een andere lidstaat aan te wijzen als toepasselijke wetgeving. Artikel 16 van de Verordening luidt als volgt:

"Artikel 16

1. Twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 vaststellen."

14. Op 11 februari 2011 hebben de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland op grond van artikel 16, eerste lid, van de Verordening, de Overeenkomst gesloten. De Overeenkomst bevat exclusieve aanwijsregels voor werknemers en zelfstandigen die op grond van de Overeenkomst als Rijnvarende kunnen worden aangemerkt. De bepalingen van de Overeenkomst gelden met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2010.

15. De tekst van de Overeenkomst luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"De voor deze overeenkomst bevoegde autoriteiten zijn,

- krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) nr. 883/2004;

- in het licht van de lange traditie en het bijzondere karakter van de Rijnvaart;

- rekening houdend met het gezamenlijk verzoek van alle sociale partners –vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en zelfstandigen– dat de op hetzelfde schip als Rijnvarenden te werk gestelde personen onderworpen zouden moet zijn aan dezelfde wetgeving;

- overwegende dat de toepasselijke wetgeving die van de Ondertekenende Staat moet zijn waar de Rijnvarende voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit de nauwste banden mee onderhoudt;

- overwegende dat de wetgeving van de Ondertekenende Staat waar de zetel of het filiaal van de onderneming of vennootschap zich bevindt die het schip daadwerkelijk exploiteert, beschouwd moet worden als de wetgeving waarmee deze beroepsactiviteit het nauwst verbonden is, (…)

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst

a. a) wordt onder het begrip ‘Rijnvarende’ een werknemer of zelfstandige verstaan, (…), die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en dat is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, (…)

c) wordt onder de uitdrukking ‘de onderneming waartoe het schip behoort’ de onderneming of vennootschap verstaan die het betrokken schip exploiteert, ongeacht of deze eigenaar van het schip is of niet. Wanneer het schip door meerdere ondernemingen of vennootschappen wordt geëxploiteerd, dan geldt voor toepassing van deze overeenkomst als exploitant van het schip de onderneming of vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is in het bijzonder voor het economische en commerciële management van het schip. Voor de vaststelling van de onderneming zijn de op de Rijnvaartverklaring vermelde gegevens maatgevend.

(…)

Artikel 4 Toepasselijke wetgeving

(…)

2. Op de Rijnvarende is de wetgeving van toepassing van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het in artikel 1, sub c) bedoelde schip behoort, aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht.

(…)"

16. De rechtbank stelt vast dat [belanghebbende] een werknemer is die, behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en dat is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte, waardoor [belanghebbende] is aan te merken als Rijnvarende in de zin van artikel 1, onder a van de Overeenkomst, zodat de sociale verzekeringsplicht aan de hand van de Overeenkomst moet worden beoordeeld. Nu niet in geschil is dat het schip waarop [belanghebbende] werkzaam was werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming, is de rechtbank van oordeel dat op grond van de aanwijsregel van artikel 4, tweede lid, van de Overeenkomst de Nederlandse wetgeving de toepasselijke wetgeving is en [belanghebbende] aldus in Nederland sociaal verzekerd is.

17. [ Belanghebbende] voert in dit verband – onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland West Brabant 27 januari 2014 ECLI:RBZWB:2014:410 – aan dat er sprake is van discriminatie van [belanghebbende] als bemanningslid ten opzichte van een bemanningslid dat via Cyprus zou worden verloond. Aangezien Cyprus niet bij de totstandkoming van de Overeenkomst is betrokken en deze daarom ook niet heeft ondertekend zijn in dat geval immers niet de aanwijsregels uit de Overeenkomst van toepassing maar bepaalt artikel 13 van het Verdrag de toepasselijke wetgeving, zijnde de Cypriotische sociale verzekeringswetgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de grief dat sprake is van handelen in strijd met enig verbod op discriminatie alleen dan slagen indien de uitwerking van de Nederlandse wettelijke bepalingen een met internationale verdragen strijdige ongelijkheid met zich brengt. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of hier sprake is van gelijke gevallen is hier van discriminatie in vorenbedoelde zin geen sprake. Het verschil in behandeling wordt immers niet opgeroepen door de Nederlandse wettelijke bepalingen, maar enkel door de omstandigheid dat niet alle EU-lidstaten bij de totstandkoming van de Overeenkomst zijn betrokken. Dat is echter geen omstandigheid die door enig verbod op discriminatie wordt bestreken."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Met de rechtbank stelt het Hof vast dat belanghebbende in 2011 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (AOW) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, is belanghebbende voor dat jaar aan te merken als Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

7.2.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 oktober 2014, nr. 14/01601, ECLI:NL:HR:2014:3016, BNB 2014/264, geoordeeld dat een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast meebrengt dat als een belanghebbende het standpunt inneemt dat hij op grond van het (tot 1 mei 2010 geldende) Rijnvarendenverdrag niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd, hij daarvoor de relevante feiten moet stellen en, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aannemelijk moet maken. Naar het oordeel van het Hof moet de bewijslast ook op deze wijze worden verdeeld als een belanghebbende een vergelijkbaar standpunt inneemt onder de op 11 februari 2011 door de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland gesloten Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (hierna: de Overeenkomst). De Overeenkomst, welke geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2010, bevat exclusieve aanwijsregels voor werknemers en zelfstandigen die op grond van de Overeenkomst als Rijnvarende kunnen worden aangemerkt.

Deze bewijslastverdeling heeft voorts te gelden als een belanghebbende betoogt niet in Nederland verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen op grond van de met ingang van 1 mei 2010 in werking getreden Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (hierna: de Verordening), Vo. 883/2004 omdat hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verricht.

7.3.

Aangezien belanghebbende in Nederland woont en gedurende de in geschil zijnde periode in dienstbetrekking werkzaam is bij een werkgever die is gevestigd in Luxemburg, gelden voor de beslechting van dit geschil niet de toewijzingsregels van artikel 13 van de Verordening, maar de bepalingen van de Overeenkomst. Gelet op de vaststaande feiten is belanghebbende een Rijnvarende in de zin van de Overeenkomst. Zijn verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen wordt aldus bepaald door de wetgeving van de Ondertekenende Staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het schip behoort als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel c van de Overeenkomst, aan boord waarvan hij zijn beroepsarbeid verricht.

7.4.

Anders dan in eerste aanleg heeft belanghebbende ter zitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat het schip in 2011 niet werd geëxploiteerd door Scheepvaartbedrijf [B] gevestigd te [E] in Nederland, maar door [F] gevestigd te [G] in België. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt belanghebbende dat [F] de winst behaalt die met het gebruik van het schip in de Rijnvaart wordt beoogd. Tegenover de gemotiveerde betwisting van deze stelling door de Inspecteur heeft belanghebbende geen bewijs voor zijn stelling bijgebracht. Gelet op de onweersproken stelling van de Inspecteur dat voor het schip een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c van de Overeenkomst is afgegeven waarop Scheepvaartbedrijf [B] als exploitant staat vermeld, moet het er voor gehouden worden dat dit scheepvaartbedrijf de onderneming is waartoe het schip behoort in de zin van de Overeenkomst aan boord waarvan belanghebbende in 2011 zijn beroepsarbeid heeft verricht. Aangezien vaststaat dat de zetel van deze onderneming zich in Nederland bevindt, is belanghebbende op grond van de toewijzingsregels van de Overeenkomst verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen in Nederland.

7.5.

Evenals in eerste aanleg, voert belanghebbende in hoger beroep aan dat belanghebbende als bemanningslid ten opzichte van een bemanningslid dat via Cyprus zou worden verloond ongelijk wordt behandeld. Aangezien Cyprus niet bij de totstandkoming van de Overeenkomst is betrokken en deze daarom ook niet heeft ondertekend, zijn in dat geval immers niet de aanwijsregels uit de Overeenkomst van toepassing, maar bepaalt artikel 13 van de Verordening de toepasselijke wetgeving, zijnde de Cypriotische sociale verzekeringswetgeving. Op deze grond moet, zo begrijpt het Hof belanghebbende, de sociale verzekeringsplicht van belanghebbende worden beoordeeld op basis van het bepaalde in artikel 13 van de Verordening en niet op basis van de Overeenkomst. Belanghebbende verwijst in dit verband naar het EVRM en naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 januari 2014, ECLI:RBZWB:2014:410. Dit standpunt van belanghebbende faalt. Daartoe overweegt het Hof als volgt.

7.6.

Als onweersproken staat vast dat in het onderhavige jaar voor alle opvarenden van het schip geldt dat zij in Nederland verzekerings- en premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen. In zoverre is er geen sprake van ongelijke behandeling van belanghebbende.

7.7.

Het door belanghebbende gestelde verschil in behandeling kan zich overigens slechts voordoen in een situatie waarin sprake is van varend personeel dat beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt, welk schip is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte en waarbij toepassing van de Overeenkomst leidt tot toepasselijkheid van sociale zekerheidswetgevingen van verschillende Lidstaten. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, wordt het verschil in behandeling alsdan niet opgeroepen door de Nederlandse wettelijke bepalingen, maar enkel door de omstandigheid dat niet alle EU-lidstaten bij de totstandkoming van de Overeenkomst zijn betrokken. Dat is echter geen omstandigheid die leidt tot strijd met het beginsel van rechtsgelijkheid.

7.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige stellingen van belanghebbende betreffende de vraag of sprake is van een ongelijke behandeling, geen behandeling.

7.9.

Het beroep op toepassing van artikel 15 van het Belastingverdrag Nederland-België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 2001,136) faalt, reeds omdat in het onderhavige geval premieheffing volksverzekeringen aan de orde is en dit verdrag daar niet op ziet.

7.10.

Aan het ter zitting gedane aanbod voor nadere bewijslevering van het feit dat belanghebbende minder dan 25 percent van zijn werkzaamheden in Nederland heeft uitgevoerd door middel van het alsnog inbrengen van het vaartijdenboek 2011, zal worden voorbijgegaan, aangezien die situatie gelet op hetgeen hiervoor in 7.3 en 7.9 is overwogen niet relevant is voor de beslechting van dit geschil.

7.11.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is. Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 22 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.