Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:766

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
200.172.128/01 en 200.172.129/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:6204, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Is er een echtscheidingsconvenant tot stand gekomen ? Ja, de vrouw is er aan gebonden. De vrouw is in de proceskosten veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0089
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 februari 2016

Zaaknummer : 200.172.128/01 en 200.172.129/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-9418 en FA RK 14-7962

Zaaknummer rechtbank : C/09/455467 en C/09/475125

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G.A. Nandoe Tewarie te Zoetermeer,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.R. Slingenberg-Beishuizen te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 25 juni 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 maart 2015 van de rechtbank Den Haag.

De man heeft op 29 september 2015 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 5 augustus 2015 een V-formulier van 3 augustus 2015 met bijlagen;

- op 18 augustus 2015 twee V-formulieren van 17 augustus 2015 met bijlagen;

- op 24 november 2015 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 26 november 2015 per faxbericht een V-formulier van diezelfde datum;

- op 1 december 2015 per faxbericht een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van de man:

- op 23 november 2015 een V-formulier van diezelfde

  • -

    op 26 november 2015 per faxbericht een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    op 2 december 2015 per faxbericht een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

De minderjarige [naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] ([land]) [in] 1997, heeft bij brief van 27 september 2015, ingekomen bij het hof op 5 oktober 2015, zijn mening over de kinderalimentatie kenbaar gemaakt.

De zaak is op 4 december 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Zoals ter terechtzitting reeds is medegedeeld houdt het hof geen rekening met de stukken van de zijde van de vrouw die op respectievelijk 24 november 2015 en 1 december 2015 zijn ingediend. Een aantal van die stukken zijn ter zitting teruggegeven aan de advocaat van de vrouw en de stukken die niet zijn teruggeven laat het hof buiten beschouwing.

Bij het weigeren van die stukken heeft het hof rekening gehouden met het belang van beide partijen – de advocaat van de man heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging - , het feit dat de stukken te laat zijn ingekomen, het feit dat er geen toelichting is gegeven bij die stukken en dat het, gezien de omvang, in strijd is met een goede procesorde in een zo’n laat stadium zonder toelichting een omvangrijk pakket aan stukken te overleggen.

Aangezien de pleitnota van de advocaat van de vrouw qua omvang niet voldeed aan de vereisten conform het procesreglement heeft het hof ook die – na gemaakt bezwaar van de advocaat van de man - ter zitting geweigerd en aan de advocaat van de vrouw teruggegeven.

De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Voorts heeft de advocaat van de man ter zitting twee pagina’s overgelegd over de mailwisseling tussen haar en de voormalige advocaat van de vrouw omtrent het convenant en het ouderschapsplan op 31 december 2013.

De hierna te noemen minderjarige [naam minderjarige] heeft schriftelijk zijn mening kenbaar gemaakt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen, met elkaar gehuwd [in] 1994 te [plaats], uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank de door partijen getroffen onderlinge regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding, zoals neergelegd in het aan de beschikking gehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan van 31 december 2013 en de aanpassing op het ouderschapsplan van 27 februari 2014, opgenomen.

Tevens is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2014 gedurende een gelimiteerde periode van zeven jaar en derhalve tot 1 januari 2021 zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 4.500,- bruto per maand, met dien verstande dat in jaar zeven, derhalve van 1 januari 2020 tot 1 januari 2021, de alimentatie wordt verlaagd tot een bedrag van € 2.500,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen uiterlijk voor de vijfde van iedere maand, waarbij geldt dat deze bijdrage niet onderhevig zal zijn aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, een en ander met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.3 tot en met 2.5 van het door partijen gesloten echtscheidingsconvenant.

Verstaan is dat de kosten van huiswerkbegeleiding van de minderjarigen separaat van de kinderalimentatieregeling worden betaald door de man.

Met uitzondering van de echtscheiding is de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

  • -

    een verklaring voor recht dat het convenant van 31 december 2013 ongeldig althans vernietigbaar is;

  • -

    de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie;

  • -

    een wijziging / aanvulling van het ouderschapsplan met betrekking tot de schoolkosten en jaarlijkse teruggave ziektekosten van de minderjarigen;

  • -

    de verdeling van de huwelijksgemeenschap, en

  • -

    ter zake de verevening van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen de afstorting bij een externe verzekeraar.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking primair geheel te vernietigen.

Subsidiair verzoekt de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht te verklaren dat het convenant van 31 december 2013 ongeldig althans vernietigbaar is;

  • -

    de partneralimentatie op € 10.500,- per maand vast te stellen althans op grond van door de man nog over te leggen cijfers nader te bepalen;

  • -

    het ouderschapsplan te wijzigen / aan te vullen met dien verstande dat daarin opgenomen wordt dat de extra schoolkosten voor rekening van de man komen en hij de jaarlijkse teruggave ziektekosten van de kinderen op de kinderrekening dient te storten;

  • -

    de verdeling te bepalen;

  • -

    de wijze van verdeling te bepalen op een nog nader aan te geven wijze;

  • -

    de man te veroordelen om ter zake de verevening van het ouderdomspensioen dit af te storten bij een externe verzekeraar, hetgeen nodig is om de rechten op verevening van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen veilig te stellen;

  • -

    althans elke andere beslissing te nemen die het hof vermeent te behoren.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking op de door de grieven aangevallen onderdelen te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van gronden.

Rechtsgeldigheid echtscheidingsconvenant

4. De vrouw beroept zich op de ongeldigheid casu quo vernietigbaarheid van het echtscheidingsconvenant omdat zij meent dat het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant een andere versie is dan die waarover zij overeenstemming hadden. Volgens de vrouw kan het gehele convenant op grond van de volgende gronden worden opengebroken: misbruik van omstandigheden, redelijkheid en billijkheid, dwaling op grond van onjuiste en onvolledige informatie, het ontbreken van wilsovereenstemming en benadeling voor meer dan een kwart.

Misbruik van omstandigheden

5. De vrouw stelt dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Zij had een advocaat die haar niet op deskundige wijze heeft bijgestaan. Ten tijde van het sluiten van het convenant ging de vrouw gebukt onder een enorme psychische druk waarvoor zij hulp heeft gezocht. De man, die de afhankelijkheid van de vrouw kende, had naar de mening van de vrouw af moeten zien van de overeenkomst vanwege de voor hem kenbare nadelen die voor haar uit de overeenkomst voortvloeiden.

Redelijkheid en billijkheid

6. Gezien de duur van het huwelijk, de financiële ongelijkheid die op basis van het convenant is ontstaan, de deskundigheid van de man tegenover de ondeskundigheid van de vrouw, het feit dat er nagenoeg geen restverdiencapaciteit bij de vrouw is, de hoogte van de partner- en kinderalimentatie en het feit dat de man weigert inzage in alle financiële stukken te geven, acht de vrouw het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om haar aan de in het convenant neergelegde afspraken te houden.

Dwaling

7. De vrouw stelt dat zij gedwaald heeft omdat zij het convenant niet ondertekend zou hebben indien zij op het moment van ondertekening had geweten dat zij benadeeld werd, althans dat er bewust werd afgeweken van de wettelijke maatstaven. Hiertoe voert de vrouw onder meer aan dat de man haar onjuist heeft ingelicht over zijn financiële draagkracht, over de gevolgen van de pensioenverevening, en meer in het bijzonder over de waarde van de aandelen en de waarden van diverse onroerende zaken.

Ontbreken wilsovereenstemming

8. De vrouw stelt dat zij een verkeerde versie van het echtscheidingsconvenant heeft getekend omdat achteraf is gebleken dat zij haar handtekening heeft gezet onder de versie van de man terwijl zij er van uit is gegaan dat zij haar handtekening had gezet onder de versie die zij met haar toenmalige advocaat had besproken en had goedgekeurd.

Benadeling voor meer dan een kwart

9. De vrouw stelt dat zij op grond van het convenant voor meer dan een kwart is benadeeld en dat het convenant om die reden vernietigbaar is. Zij voert daartoe aan dat zij als deelgenoot omtrent de waarde van een of meer te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald.

10. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist en stelt, zeer kort samengevat, dat het beroep van de vrouw op de ongeldigheid casu quo vernietigbaarheid van het convenant niet kan slagen omdat partijen volgens hem een rechtsgeldig echtscheidingsconvenant hebben ondertekend dat met behulp van deskundigen tot stand is gekomen.

11. Het hof stelt voorop dat een goede procesorde met zich brengt dat een appelschrift duidelijk moet zijn, in die zin dat helder dient te zijn tegen welke onderdelen van de bestreden beschikking de bezwaren in hoger beroep zijn gericht en dat voor de wederpartij duidelijk moet zijn waartegen hij of zij zich dient te verweren. In die zin deelt het hof de stelling van de man dat het appelschrift van de vrouw niet uitblinkt van duidelijkheid en als één grote puzzel moet worden gezien. Het appelschrift van de vrouw bevat drieëndertig pagina’s waarin niet per onderwerp een allesomvattend betoog wordt geformuleerd met daarop een toelichting maar waarin onderwerpen en toelichting deels door elkaar staan en bij elkaar gezocht moeten worden. Deze wijze van inrichten van het appelschrift komt dan ook voor rekening en risico van de vrouw. Wel staat vast dat de ondertekening van een verkeerd convenant de meest essentiële stelling van de vrouw is.

12. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting verenigt het hof zich voor wat betreft de rechtsgeldigheid van het echtscheidingsconvenant met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Vast staat dat partijen langdurig hebben onderhandeld met bijstand van deskundigen. De advocaten van partijen hebben destijds veelvuldig contact met elkaar gehad en de vrouw is ook bijgestaan door fiscaal juristen. Onder leiding van de deskundigen zijn partijen uiteindelijk tot overeenstemming gekomen en het hof is van oordeel dat partijen gebonden zijn aan die overeenstemming. Het hof passeert de stelling van de vrouw dat er sprake is van een wilsgebrek omdat zij een andere versie heeft ondertekend dan die waarover partijen overeenstemming hadden, aangezien de vrouw haar stelling op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Het hof weegt mee dat de vrouw ter terechtzitting van het hof heeft erkend dat haar toenmalige advocaat het convenant en het ouderschapsplan op 31 december 2013 te 12.09 uur naar de notaris heeft gestuurd, zoals blijkt uit de door de man ter zitting overgelegde mailwisseling op 31 december 2013. De vrouw heeft ook ter terechtzitting erkend dat zij die mailwisseling kent. Bovendien heeft de advocaat van de man onbetwist gesteld dat de door de toenmalige advocaat van de vrouw verzonden versies overeen kwamen met de versies die zij heeft gekregen en dat met die versies als uitgangspunt nog de laatste onderhandelingen zijn gevoerd, zodat van een verkeerde versie geen sprake kan zijn.

De vrouw heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er sprake is van misbruik van omstandigheden, dwaling of benadeling van meer dan een kwart en ook in zoverre verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Weliswaar heeft de vrouw ter terechtzitting van het hof nog een cijfermatige toelichting willen geven ter onderbouwing van haar stelling met betrekking tot de benadeling van meer dan een kwart maar het hof acht een toelichting in zo een laat stadium tardief. Een dergelijke toelichting had – in het kader van een goede procesorde - in het beroepschrift moeten staan.

Ontvankelijkheid hoger beroep echtscheiding

13. De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek tot echtscheiding, althans dat de echtscheiding vernietigd dient te worden. De vrouw voert daartoe aan dat zij een beroep doet op het pensioenverweer als bedoeld in artikel 1:153 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Zij meent dat eerst een toereikende voorziening dient te worden getroffen voor de bestaande en ten gevolge van de scheiding voor haar wegvallende pensioenrechten.

14. Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie kan, indien eenmaal door de eerste rechter de echtscheiding is uitgesproken, het hoger beroep slechts op grond van de door de echtgenoot die het instelt aan te voeren bijzondere omstandigheden worden gebezigd, teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorziening(en) wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd ziet het hof geen rechtvaardiging om die band te herstellen. Tegen het oordeel van de rechtbank dat het huwelijk duurzaam is ontwricht heeft de vrouw geen grief gericht. De vrouw verzet zich uitsluitend tegen de uitgesproken echtscheiding vanwege haar pensioenverweer. Naar het oordeel van het hof kan de vrouw geen beroep meer doen op pensioenverweer aangezien er een rechtsgeldig echtscheidingsconvenant tot stand is gekomen en de vrouw in het kader van de totale afwikkeling van de vermogensrechtelijke aspecten afstand heeft gedaan van haar pensioenrechten. Onder deze omstandigheid heeft de vrouw rechtens geen belang bij haar beroep tegen de echtscheiding en dient zij hierin niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Partneralimentatie

15. Aangezien het hof van oordeel is dat het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant rechtsgeldig tot stand is gekomen en daarin ook afspraken zijn opgenomen over de partneralimentatie is het hof van oordeel dat de vrouw aan de overeengekomen partneralimentatie kan worden gehouden. Het hof weegt mee dat partijen langdurig over de partneralimentatie hebben onderhandeld, dat zij bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en dat zij een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen. Het hof passeert om die reden de stelling van de vrouw dat wilsovereenstemming ontbreekt. Het hof deelt de stelling van de man dat de vrouw de grondslag van haar verzoek baseert op het bepaalde in artikel 1:401 lid 5 BW terwijl wijziging uitsluitend mogelijk is op grond van het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de partneralimentatie geen bespreking behoeft.

Wijziging ouderschapsplan

16. Overeenkomstig het verzoek van de vrouw heeft de rechtbank in de bestreden beschikking verstaan dat de kosten van huiswerkbegeleiding van de minderjarigen separaat van de kinderalimentatieregeling door de man worden betaald. Aangezien het hof er van uit gaat dat de man die kosten ook daadwerkelijk voor zijn rekening neemt, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof geen belang bij haar verzoek om in zoverre tot wijziging van het ouderschapsplan over te gaan.

17. Uit niets blijkt dat de man op grond van het echtscheidingsconvenant dan wel het ouderschapsplan gehouden is om de jaarlijkse teruggave ziektekosten van de minderjarigen op de kinderrekening te storten. Aangezien de man bovendien reeds voor een groot deel in de kosten van de minderjarigen voorziet zal het hof het verzoek van de vrouw, om de man te verplichten de teruggave ziektekosten van de minderjarigen op de kinderrekening te storten, afwijzen.

Kostenveroordeling

18. Gezien de wijze van procederen van de vrouw, die het hof in strijd acht met een goede procesorde, alsmede het feit dat de vrouw in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een ander convenant heeft ondertekend dan die waarover de wederpartij (via de toenmalige advocaat van de vrouw) beschikte, ziet het hof in de omstandigheden van dit geval reden om de vrouw te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof begroot die kosten op € 2.099,-, bestaande uit € 1.788,- salaris advocaat en € 311,- griffierecht.

19. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de uitgesproken echtscheiding;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de man tot deze uitspraak begroot op € 2.099,-, gespecificeerd als volgt:

- € 1.788,- advocaatkosten;

- € 311,- griffierrecht;

en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en O.I.M. Ydema, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2016.