Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:662

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
200.162.234/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

niet nakoming beheersovereenkomst, schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.162.234/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/460215 / HA ZA 14-224

Arrest van 8 maart 2016

inzake

MVGM Vastgoedmanagement B.V.,

gevestigd te Rijswijk,

appellante,

hierna te noemen: MVGM,

advocaat: mr. R.J.H.W. Vlutters te Utrecht,

tegen

Haakarm B.V.,

gevestigd te Uddel,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Haakarm,

advocaat: mr. J.P.H. Jacobs te Utrecht.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot aan 17 februari 2015 verwijst het hof naar het arrest in deze zaak van die datum. Daarbij werd een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 7 april 2015 en waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Bij memorie van grieven (met producties) heeft MVGM vijf grieven tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Haakarm de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen op 4 februari 2016 de zaak door hun advocaten doen bepleiten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 15 oktober 2014 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

Haakarm exploiteert bij haar in eigendom berustend onroerend goed. In dat verband heeft zij medio mei 1995 aan [huurder] verhuurd een “bedrijfsruimte plaatselijk bekend [adres] , bestaande uit circa 24m2 werkplaats, alsmede de bovengelegen woning” (hierna: het verhuurde).

1.2

Bij een in juli 2006 opgestelde en ondertekende akte van indeplaatsstelling is mevrouw [huurster] (hierna: [huurster] ) huurster van het verhuurde geworden.

1.3

Haakarm heeft het beheer van haar onroerend goed opgedragen aan (de rechtsvoorgangster van) MVGM. In de door partijen in mei 1994 ondertekende beheersovereenkomst is, voor zover van belang, het navolgende opgenomen:

“Artikel 1

Tot de beheerwerkzaamheden worden gerekend de navolgende diensten:

(…)

c. Het toezien op de naleving van de bepalingen in de huurovereenkomsten;

(…

e. Het verzorgen van de inkasso en de administratie van de huren en de overige uit hoofde van de huurovereenkomsten te vorderen bedragen;

(…)

g. Het voeren van een beleid, dat er op is gericht, om achterstanden in huurdersbetalingen zoveel mogelijk te voorkomen. Het nemen van maatregelen om eventuele betalingsachterstanden van huurders te beperken cq. te beëindigen.

(…)

Artikel 3

  1. Beheerder informeert eigenaar indien hem, als gevolg van wanprestatie van een huurder, het nemen van bepaalde rechtsmaatregelen noodzakelijk voorkomt. Beheerder is gerechtigd in geval van wanprestatie zonder nader overleg een advocaat met de invordering te belasten. Kosten, die niet op de huurder verhaalbaar blijken, zijn voor rekening van eigenaar.

  2. In geval van juridisch advies bij huurgeschillen zullen de kosten daarvan aan eigenaar in rekening worden gebracht, tenzij anders wordt overeengekomen.

  3. Uit handen te geven vorderingen, betrekking hebbend op huur, service- en stookkosten of andere uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen of te verhalen mutatieschade worden behandeld door een door beheerder aan te wijzen advocaat.

Indien op verzoek van eigenaar een door hem aan te wijzen advocaat of deurwaarder genoemde zaken dient te behandelen, zullen de kosten daarvan aan eigenaar in rekening worden gebracht, tenzij anders overeengekomen.”

1.4

Begin 2012 bedroeg de huurprijs van het verhuurde in totaal € 2.167,36, waarvan

€ 464,64 voor de bovengelegen woning en € 1.702,72 voor de winkelruimte en de werkplaats. Vanaf 1 maart 2012 is [huurster] opgehouden met betaling van huur.

1.5

Op 15 juni 2012 heeft MVGM aan Haakarm een mail, afkomstig van een incassomedewerker van SWG, doorgezonden met de volgende inhoud:

“Inzake opgemelde kwestie is voor de woning een ontruimingsprocedure gestart. Wederpartij heeft de vordering erkend. Op 27 juni zal vonnis worden gewezen.

Voor wat betreft de bedrijfsruimte heeft de curator in het faillissement van de besloten vennoot van debiteur verzocht om huurbeëindiging op basis van de faillissementswet. Telefonisch is met hem besproken dat de huurovereenkomst op naam staat van [huurster] die zelf niet in staat van faillissement verkeerd. De curator heeft aangegeven dat namens haar zal worden verzocht om voortijdige huurbeëindiging onder het aanbieden van een afkoopsom.

Gezien bovenstaande heeft het behalen van een ontruimingsvonnis voor de bedrijfsruimte weinig toegevoegde waarde. Tot op heden heb ik echter geen voorstel ontvangen. Ik neem aan dat de curator meerdere belangen moet afwegen alvorens een dergelijk voorstel te kunnen doen.

Zodra vonnis is gewezen voor wat betreft de woning kan een snelle oplossing worden afgedwongen middels het aanzeggen van de gerechtelijke ontruiming.

Graag verneem ik of kan worden ingestemd met het aanhouden van dit dossier in afwachting van een voorstel.”

1.6

De dagvaarding van 4 mei 2012 waarmee de ontbindingsprocedure voor de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Hilversum is ingeleid, is niet op naam van Haakarm maar op naam van haar directeur, Arien Strijbis , uitgebracht. Daarin staat onder meer het volgende te lezen:

“1. Gedaagde huurt van eiseres de bedrijfsruimte, staande en gelegen (…) aan de ’ [adres] (ca. 36 m2 winkelruimte en circa 24 m2 werkplaats op de begane grond, alsmede de bovengelegen woning op de 1e en 2e verdieping) tegen een huurprijs van

€ 464,64 per maand. (…)

3.Gedaagde is in gebreke gebleven met de regelmatige betaling van de huur. (…)

6.Eiseres heeft in totaal van gedaagde te vorderen (aan huurachterstand tot en met mei 2012, aanmaankosten, rente en buitengerechtelijke incassokosten) € 2.059,27.

(…)

MITSDIEN:

Bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

  1. (…) de huurovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden en,

  2. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis de bedrijfsruimte alsmede de bovengelegen woning aan de [adres] geheel te ontruimen (…)

  3. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres te betalen (…) € 2.116,27 en voorts voor elke ingegane maand vanaf 1 juni 2012 tot de dag dat de huurovereenkomst (…) wordt ontbonden, een bedrag van € 464,64, en

  4. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres ter zake van schadevergoeding te betalen € 464,64 per maand vanaf de dag waarop de huurovereenkomst zal zijn ontbonden tot en met de ontruimingsdatum, en

  5. (…) € 464,64 per maand na de ontruiming tot aan de dag waarop eiseres erin slaagt de bedrijfsruimte onder gelijkluidende voorwaarden aan een derde te verhuren, echter ten hoogste tot en met 30 juni 2014, zijnde de expiratiedatum van de huurovereenkomst, en

  6. gedaagde wordt veroordeeld om aan eiseres te betalen de overeengekomen

(boete-)rente van 2% per maand (…) over de openstaande bedragen (…).”

1.7

Bij vonnis van 8 augustus 2012 heeft de kantonrechter de vorderingen, na erkenning daarvan door [huurster] , toegewezen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

1.8

Op 6 september 2012 heeft de deurwaarder geconstateerd dat zowel de bovenwoning als de winkelruimte met werkplaats grotendeels leeg en ontruimd was.

1.9

Bij mail van 2 oktober 2012 heeft MVGM aan [Medewerker bij Haakarm], onder meer bericht:

“M.b.t. de winkel hebben wij naar de huurder het voorstel gedaan om de huurovereenkomst te laten doorlopen totdat er een nieuwe huurder is gevonden. Wij zijn nog in afwachting van een reactie. (…)”

1.10

Op 29 oktober 2012 heeft de incassomedewerker van SWG een mail met onder meer de volgende inhoud verstuurd aan MVGM:

“Wat wederpartij betreft is de huurovereenkomst voor zowel de woning als de winkel in zijn geheel ontbonden door de kantonrechter. Het lijkt mij zinvol om met deze zienswijze in te stemmen en om hiervoor geen procedure te starten. (…) Voor de verhaalbaarheid van de huurachterstand wacht ik eerst de verdere executie van het voor de woning behaalde vonnis af. (…)”

En op 31 oktober 2012:

“Voor de vordering betreffende de winkel is nog geen procedure gevoerd. Er kan voor de nog niet bij vonnis toegewezen bedragen indien nodig een nieuwe procedure worden gestart (…). De advocaat van de wederpartij heeft aangegeven dat beide objecten leeg zijn opgeleverd en dat de sleutels in jullie bezit zijn, wat wederpartij betreft is de huurovereenkomst in zijn geheel ontbonden. (…)“

1.11

[Medewerker bij Haakarm] heeft MVGM op 13 februari 2013 een e-mail gezonden met als onderwerp “samenvatting gesprek 12 februari 2013” waarin onder meer het navolgende is opgenomen:

“Zoals met u besproken, is er met betrekking tot de [adres] nog een lopend huurcontract met mevrouw [huurster] . Door huurder is geen toestemming gevraagd om de tenaamstelling van het huurcontract te wijzigen van een eenmanszaak naar een BV (…) zij (dient) de verplichtingen die daaruit voorvloeien dan ook na te komen. Wij verzoeken u deze mevrouw hierop aan te spreken (…).”

1.12

De advocate van Haakarm heeft MVGM bij brief van 5 augustus 2013 onder meer het navolgende medegedeeld:

“Dank voor uw (bevestiging) dat er in de dagvaarding tot ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van huurpenningen met betrekking tot (…) de [adres] (hierna: het verhuurde) alleen de huur van de woning en niet ook van de bedrijfsruimte is gevorderd en vervolgens in het vonnis is toegewezen (…). Op verzoek van cliënte stel ik voor dat ik de herstelprocedure voer en de kosten hiervoor (…) bij MVGM in rekening breng.”

1.13

In reactie op voornoemde brief heeft de heer [X] , senior accountmanager bij MVGM (hierna: [de accountmanager] ), bij e-mail van 27 augustus 2013 Haakarm onder meer bericht:

“Uit de mailwisseling intern heb ik begrepen dat er intern geen goede (digitale) dossieropbouw is geweest waardoor het (…) moeilijk te beoordelen is of de fout in de overdracht aan SWG zit of dat SWG de kwestie onjuist heeft behandeld. MVGM is bereid het risico te dragen voor de herstel procedure maar dan wel via onze eigen deurwaarder (…) niet via SWG (…) maar via Vesting Finance.”

1.14

Bij e-mail van 30 augustus 2013 heeft de advocate van Haakarm MVGM onder meer het navolgende bericht:

“Cliënte gaat onder de volgende voorwaarden akkoord met Vesting Finance (VF) als partij die de herstelprocedure voert:

  • -

    Ondergetekende treedt (zoals u voorstelde) op als contactpersoon met VF

  • -

    Processtappen dienen met ondergetekende te worden overlegd (…);

  • -

    De procedure dient per direct te worden opgestart en binnen de kortst mogelijke termijn te worden afgerond (…).”

1.15

In reactie op voornoemde mail heeft [de accountmanager] dezelfde dag het volgende geschreven:

“Uw voorstel lijkt alleszins redelijk en wij kunnen ons hierin vinden.”

1.16

Bij e-mail van 23 januari 2014 heeft mr. A.S.K. Terng, advocaat van [huurster] , aan Vesting Finance bericht:

“Anders dan u suggereert worden de vorderingen van uw cliënte, anders dan hetgeen in het vonnis van de rechtbank is vermeld, niet erkend.

Naar weten van cliënte voldoet zij aan het vonnis van de rechtbank. De huurovereenkomst is door de rechtbank ontbonden, met bepaling van een namens uw cliënte aangegeven schadevergoeding. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Voor zover er al sprake zou zijn van een vergissing of een misverstand, komt dat voor rekening en risico van uw cliënte (…).

Gelet op het voorgaande zie ik dan ook geen aanleiding cliënte te adviseren andere vorderingen aan uw cliënte te voldoen dan de vorderingen die in rechte door de rechtbank zijn vastgesteld.”

2. Haakarm heeft in eerste aanleg, na vermindering van eis, gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat MVGM aansprakelijk is voor de schade die Haakarm lijdt als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de beheersovereenkomst, dan wel in de nakoming van de op 30 augustus 2013 gemaakte afspraken en – primair – MVGM zal veroordelen tot vergoeding van schade, te weten € 40.569,62 aan onbetaald gebleven huur voor de bedrijfsruimte over de periode 1 maart 2012 tot en met 30 juni 2014, te vermeerderen met boeterente, althans – subsidiair – de (gedeeltelijke) ontbinding zal uitspreken van de afspraken van 30 augustus 2013, zodat Haakarm gerechtigd is zelf een herstelprocedure tegen [huurster] te voeren, alsmede voor recht zal verklaren dat MVGM aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van deze ontbinding, waaronder de kosten van bedoelde herstelprocedure. Haakarm heeft voorts de vergoeding van buitengerechtelijke kosten en veroordeling van MVGM in de proceskosten gevorderd.

3. Bij vonnis van 15 oktober 2014 heeft de rechtbank de primaire vorderingen (met uitzondering van de verklaringen voor recht en de buitengerechtelijke kosten) toegewezen. De rechtbank heeft - samengevat - overwogen dat MVGM onvolledige huurprijs- en betalingsgegevens aan SWG heeft verstrekt, waarmee zij de zorg van een goed opdrachtnemer heeft veronachtzaamd. Indien de fout in de dagvaarding niet te wijten valt aan MVGM maar aan SWG, heeft MVGM in strijd met de informatieplicht ex art. 7:403, eerste lid, BW gehandeld, omdat zij Haakarm niet (tijdig) op de hoogte heeft gesteld van de procedure tegen [huurster] en het vonnis van de kantonrechter. De toerekenbare tekortkoming van MVGM heeft tot schade geleid aan de zijde van Haakarm. Schadebeperking is niet mogelijk geweest omdat de kans nihil wordt geacht dat de ten onrechte niet gevorderde (achterstallige) huurpenningen in een herstelprocedure alsnog zullen worden toegewezen of vrijwillig door [huurster] zullen worden voldaan.

4. In hoger beroep vordert MVGM dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Haakarm integraal zal afwijzen, met veroordeling van Haakarm in de kosten van beide instanties.

5. In de eerste grief en de toelichting daarop wordt betoogd dat door SWG geen fout is gemaakt maar een weloverwogen keuze is gedaan om de vordering van de (achterstallige) huurpenningen voor de winkelruimte nog niet in te dienen. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de e-mail van 13 februari 2013 blijkt dat Haakarm tot op dat moment geen weet had van de gevoerde procedure. Volgens de derde grief is de rechtbank, door te concluderen dat Haakarm de mogelijkheid werd onthouden om een herstelprocedure te voeren doordat de termijn daarvoor reeds was verstreken, buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen getreden. De vierde grief is gericht tegen de vaststelling van (de hoogte van) de schadevergoeding. Volgens de vijfde grief heeft de rechtbank ten onrechte het verweer van MVGM verworpen dat uit artikel 3, onder a, van de beheersovereenkomst volgt dat de schade voor rekening van Haakarm dient te blijven.

6. Het hof verwerpt het door Haakarm gemotiveerd betwiste betoog van MVGM dat zij of SWG geen fout heeft/hebben gemaakt, gelet op het volgende. Er is sprake van één huurcontract voor zowel de bedrijfsruimte als de woning. Ontbinding van de huurovereenkomst houdt derhalve in dat zowel de huur voor de bedrijfsruimte als de woning wordt beëindigd. Dat er administratief kennelijk door MVGM een splitsing aangebracht is tussen woning en winkel, maakt dit niet anders. Bovendien is in de in r.o. 1.6 genoemde dagvaarding opgenomen dat de bedrijfsruimte (waaronder begrepen winkelruimte, werkplaats en bovengelegen woning) wordt gehuurd en is in het petitum van die dagvaarding gevorderd ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de “bedrijfsruimte alsmede de bovengelegen woning”. Indien, zoals in dit geval, de ontbinding van de huurovereenkomst wordt uitgesproken is de huurder vanaf de datum van ontbinding geen huur meer verschuldigd maar, zoals in die dagvaarding ook is onderkend, een schadevergoeding. SWG heeft een schadevergoeding van afgerond € 465,- per maand, gerekend vanaf de ontbindings-/ontruimingsdatum, gevorderd en zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien uit hoofde waarvan de gewezen huurder tegenover de gewezen verhuurder gehouden zou zijn tot betaling van een hoger dan dit gevorderde en in overeenstemming daarmee door de kantonrechter toegewezen schadebedrag. Ook indien -zoals MVGM stelt - het (ook) de bedoeling was van Haakarm om de vordering op de huurder te splitsen in een deel dat betrekking heeft op de woonruimte en een deel dat betrekking heeft op de bedrijfsruimte is er sprake van een tekortkoming doordat hieraan blijkens de onder 1.6 weergegeven dagvaarding en het daarop volgende vonnis als genoemd in r.o. 1.7, geen gevolg is gegeven. Grief 1 faalt dan ook.

7. Het had voorts op de weg van MVGM gelegen om, gelet op art. 7:403, eerste lid, BW en art. 3, onder a, van de beheersovereenkomst, Haakarm behoorlijk te informeren omtrent de gevoerde procedure. Weliswaar volgt uit de e-mail van 15 juni 2012 (zie onder 1.5) dat MVGM aangaf dat het behalen van een ontruimingsvonnis voor de bedrijfsruimte weinig toegevoegde waarde zou hebben, doch deze mail dateert van vóór de uitspraak van de kantonrechter. Op dat moment was dus niet bekend dat de gevorderde ontbinding en ontruiming van de (gehele) huurovereenkomst bij vonnis van 8 augustus 2014 was toegewezen. Voorts volgt uit de e-mails van eind oktober 2012 (weergegeven onder 1.10) dat SWG en MVGM destijds onderling contact hebben gehad waarbij het standpunt van [huurster] is besproken, en dat het niet zinvol werd geacht een nieuwe procedure te starten. Haakarm heeft betwist hiervan op de hoogte te zijn gesteld en heeft daarbij verwezen naar de e-mail van 13 februari 2013 (zie onder 1.11). Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft MVGM haar standpunt dat de correspondentie tussen SWG en MVGM aan Haakarm is doorgestuurd, niet nader onderbouwd, zodat, mede gelet op de reactie van Haakarm in de e‑mail van februari 2013, ervan uit moet worden gegaan dat Haakarm van deze e-mails niet op de hoogte was en dus evenmin van de omstandigheid dat de gehele huurovereenkomst was ontbonden. De stelling van MVGM dat Haakarm kennis had van de feitelijke toedracht, dat de verwarring aan haar te wijten was en dat zij stil heeft gezeten, kan op grond van het voorgaande niet worden aanvaard. Het beroep op eigen schuld van Haakarm faalt dan ook. Grief 2 is tevergeefs voorgesteld.

8. Tussen partijen staat vast dat Haakarm na het verstrijken van de hoger beroep termijn het vonnis van de kantonrechter heeft ontvangen en eerst toen van de inhoud daarvan kennis nam. Daardoor heeft MVGM Haakarm de mogelijkheid van een procedure in hoger beroep ontnomen, zodat Haakarm door de in rechte niet meer te corrigeren toerekenbare tekortkoming van MVGM schade, in de vorm van de niet gevorderde huurpenningen tot aan de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst en de nadien vervallen termijnen als schadevergoeding, heeft geleden. Artikel 3, onder a, van de beheersovereenkomst sluit, anders dan MVGM betoogt, niet uit dat deze kosten voor rekening van MVGM komen, nu deze bepaling niet ziet op schade geleden door een toerekenbaar tekortschieten van de beheerder zelf. MVGM heeft zich verder op het standpunt gesteld dat Haakarm de schade had kunnen beperken door een herstelprocedure te (laten) voeren. De rechtbank was van oordeel dat de kans op het succesvol voeren van een herstelprocedure nihil is omdat het gezag van gewijsde daaraan in de weg staat. Ook als de rechtbank met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden, kan dat MVGM in hoger beroep niet baten, aangezien Haakarm zich in hoger beroep bij het oordeel van de rechtbank heeft aangesloten. Het hof overweegt hierbij dat met ‘dezelfde partij’ in art. 236, eerste lid, Rv wordt gedoeld op dezelfde materiele procespartij zodat het voor het hof niet aanstonds duidelijk is dat het gezag van gewijsde aan de herstelprocedure in de weg zou staan. Er is immers geprocedeerd namens A. Strijbis in plaats van Haakarm en niet blijkt dat Strijbis als formele partij Haakarm in materieelrechtelijke zin heeft vertegenwoordigd. Maar dat de kans op een succesvolle herstelprocedure gering zo niet afwezig is, onderschrijft het hof wel. Daartoe is redengevend wat het hof in r.o. 6 overweegt met betrekking tot de hoogte en de grondslag van de toegewezen geldvorderingen en de omstandigheid dat Haakarm en de huurder [huurster] uitvoering hebben gegeven aan het vonnis en [huurster] , gelet op de genoemde omstandigheden, naar verwachting er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Haakarm zich gebonden achtte aan het vonnis en dat de daarin neergelegde (hoogte van de) betalingsverplichting jegens Haakarm vast stond. De derde en vijfde grief treffen dus geen doel.

9. MVGM heeft in de vierde grief aangevoerd dat de rechtbank de schade ten onrechte geraamd heeft op € 43.546,26, omdat geen rekening is gehouden met de inning van het in het vonnis van de kantonrechter toegewezen bedrag van € 4.908,62.

Haakarm heeft er (ter gelegenheid van het pleidooi) op gewezen dat het door MVGM ontvangen bedrag van € 4.908,62 via prolongatie en na aftrek van kosten aan Haakarm is betaald. Haakarm heeft dat bedrag vervolgens in mindering gebracht op de huurtermijnen van de bedrijfsruimte. Het hof stelt vast dat in het overzicht, overgelegd door Haakarm als productie 23 bij akte overleggen producties tevens vermindering van eis, is te zien dat in mei 2013 een bedrag van € 3.389,42 in mindering is gebracht op de huurtermijnen van de bedrijfsruimte. MVGM stelt eveneens in de memorie van grieven (onder 19) dat MVGM, na aftrek van een bedrag van € 1.519,20 (zodat het inderdaad gaat om een bedrag van

€ 3.389,42), het saldo heeft verrekend in de huurafrekening van mei 2013. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt dus niet in te zien dat geen rekening is gehouden met het door MVGM genoemde bedrag. De vierde grief faalt derhalve eveneens.

10. Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Het (overigens algemene) bewijsaanbod van MVGM zal als niet ter zake dienend worden gepasseerd. MVGM zal als de in ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Haakarm.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 oktober 2014;

- veroordeelt MVGM in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Haakarm tot op heden begroot op € 1.920,- aan griffierecht en € 4.893,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.J. Ruijpers, A.V. van den Berg en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.