Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:629

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
200.121.267/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeengekomen containervervoer niet verricht. Vorderingsgerechtigdheid. Naast cessieakte is niet ook nog een expediteursverklaring nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Uitspraakdatum : 2 februari 2016

Zaaknummer : 200.121.267

Zaak-/rolnummer rechtbank : 352995 / HA ZA 10-1344

Arrest

in de zaak van:

GLOBAL PRODUCERS B.V.,

gevestigd te Venlo,

appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: GP,

advocaat: mr. A. Al Mansouri (Utrecht),

tegen

COMPAÑĺA SUD AMERICANA DE VAPORES S.A.,

gevestigd te Valparaíso (Chili),

geïntimeerde, tevens appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: CSAV,

advocaat: mr. M. Wattel (Rotterdam).

Het geding

GP is bij exploot van 21 december 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 oktober 2012, door de Rechtbank Rotterdam tussen haar als eiseres en CSAV als gedaagde gewezen (hierna: het eindvonnis). Bij memorie van grieven (met producties), houdende een eisvermeerdering, heeft GP zeven (deels verkeerd genummerde) grieven tegen het tussenvonnis van 28 december 2011 en tegen het eindvonnis aangevoerd. Die grieven zijn door CSAV bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Tegelijk heeft CSAV onder aanvoering van vijf grieven incidenteel appel ingesteld. Daar heeft GP op gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties).Vervolgens heeft CSAV een akte uitlating productie ingediend en GP een antwoordakte. Daarna is arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

inleiding

1. GP importeert en verhandelt fruit, waaronder meloenen, die gekweekt worden op (aan haar toebehorende/gelieerde) meloenenfarms in de republiek Costa Rica, waaronder PaFru International S.A. (hierna: PaFru). Voor het (zee)transport van dit, in koelcontainers geladen, fruit van Costa Rica naar Rotterdam heeft de door haar ingeschakelde expediteur [expediteur] (hierna: [expediteur]) op 11 januari 2008 een raamovereenkomst gesloten met CSAV. In die overeenkomst stelt CSAV containerruimte beschikbaar op twee van haar lijndiensten naar Rotterdam (‘space agreements’): op (de directe) lijn 1 vanaf Puerto Limón zouden drie koelcontainers met fruit kunnen worden vervoerd (drie containerplaatsen, mogelijk uitgebreid met twee), terwijl op lijn 2 vanaf Caldera, met een transhipment in Cartagena, Colombia, een onbeperkte hoeveelheid containerruimte ter beschikking zou staan (‘unlimited space available’). Stellende dat CSAV toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van deze aldus voor het meloenenseizoen van 2008 (dat duurde van week 3 t/m week 17) gesloten overeenkomst - doordat de afgesproken containerruimte keer op keer niet beschikbaar bleek, waardoor er volgens GP 33 containerladingen moesten worden vernietigd - vordert GP vergoeding van haar beweerdelijk daardoor geleden schade, door haar, voor zover thans nog van belang, gesteld op: (a) USD 230.300 (schade wegens het verlies van de 33 containerladingen meloenen: de kostprijs per doos vermenigvuldigd met het aantal dozen) en (b) € 192.654 (schade, bestaande uit de meerkosten van de dekkingskopen die volgens GP nodig waren om na het verloren gaan van de 33 containers met meloenen alsnog aan haar leveringsverplichtingen te kunnen voldoen), genoemde bedragen vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 mei 2008, zijnde het einde van het fruitseizoen 2008.

2. Ten aanzien van de vordering van het hiervoor sub b genoemde schadebedrag van € 192.654 heeft de rechtbank al meteen bij tussenvonnis van 28 december 2011 geoordeeld dat deze wegens een gebrek aan onderbouwing dient te worden afgewezen. Wat het sub a gevorderde bedrag van USD 230.300 betreft heeft de rechtbank GP eerst nog in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat GP tot dit bedrag, zijnde de waarde van 33 (vernietigde) containerladingen meloenen, schade heeft geleden als gevolg van het door CSAV niet voldoen aan haar vervoersverplichting. In het nadien gewezen eindvonnis heeft de rechtbank overwogen dat uit de nadere stellingen van GP volgt dat GP al wel de koopprijs van de 33 containerladingen aan PaFru heeft voldaan, maar niet de containerladingen geleverd heeft gekregen, zodat GP jegens PaFru nog een aanspraak heeft op levering van deze containerladingen, waardoor niet gezegd kan worden dat GP tot een bedrag van USD 230.300 schade heeft geleden. In het dictum van het eindvonnis zijn vervolgens beide vorderingen – sub a en sub b – afgewezen, met veroordeling van GP in de proceskosten. Tegen die afwijzingen en veroordeling richt zich het hoger beroep van GP. CSAV komt in incidenteel appel op tegen de verwerping van enkele door haar gevoerde verweren: o.a. betreffende de vorderingsgerechtigdheid van GP, de aan CSAV verweten tekortkoming en haar beroep op verjaring.

3. Hieronder worden de over en weer aangevoerde grieven beoordeeld. Vooraf wordt genoteerd dat partijen het erover eens zijn dat Nederlands recht dient te worden toegepast; vgl. wat GP betreft de inleidende dagvaarding punt 26, alsook haar ‘akte vermeerdering van eis tevens houdende akte overlegging producties’ punt 12 e.v. en t.a.v. CASV de ‘aantekening ter comparitie’ van 21 juni 2011 blz. 2 bovenaan en zo ook de ter comparitie van 21 juni 2011 gedane mededeling van de aan haar zijde optredende mr. C.W. van Putten (in reactie op het vonnis van 13 april 2011 rov. 2.6 eerste liggende streepje): ‘Ik heb geconstateerd dat Nederlands recht van toepassing is’. In overeenstemming hiermee wordt het geschil tussen partijen beoordeeld naar Nederlands recht.

de vorderingsgerechtigdheid van GP en het verjaringsverweer

4.1

De beide grieven 1 in het principaal en het incidenteel appel gaan over de vorderingsgerechtigdheid van GP. Deze grieven worden behandeld in combinatie met grief 6 (genummerd VIII) in het principaal en grief 5 in het incidenteel appel, die het (in de eerste aanleg onbesproken gebleven) beroep op verjaring aan de orde stellen.

4.2

In het principaal appel beklaagt GP zich er in de eerste plaats over dat zij niet is aangemerkt als wederpartij van CSAV bij de raamovereenkomst en daarmee als opdrachtgever tot het vervoer. Eerder in de procedure, te weten in het kader van het bevoegdheidsincident, werd die hoedanigheid van contractspartij/afzender (en dus opdrachtgever) van GP door CSAV nog onderschreven. Vergelijk de volgende citaten uit de processtukken zijdens CSAV:

- incidentele conclusie inzake exceptie van onbevoegdheid (punt 2): ‘Global Producers heeft al meerdere malen via haar expediteur [expediteur] [..] gecontracteerd met CSAV. Zowel in het seizoen 2007 als 2008 heeft Global Producers containers met meloenen laten vervoeren door CSAV.’

- pleitnotities (punt 6): ‘de relatie tussen CSAV en Global Producers is niet van gisteren. Ook al vóór de vervoersovereenkomst die nu in geschil is, hebben partijen vele malen met elkaar zaken gedaan.’

- pleitnotities (punt 10): ‘Daardoor staat vast dat partijen met elkaar contracteerden zoals tussen hen [..] gebruikelijk is [..].’

- pleitnotities (punt 15): ‘Zoals ik hierna verder zal toelichten is GP afzender en in die gevallen gaat de vervoerovereenkomst voor [..].’

- pleitnotities (punt 19): ‘Er is sprake van verkoop onder FOB-condities, wat inhoudt dat de koper (Global Producers) het vervoer van de lading organiseert en dus de contractuele wederpartij is van de vervoerder. [..] Ander(s) zou er ook geen overeenkomst zijn gesloten tussen CSAV en Global Producers.’

- pleitnotities (punt 21): ‘Daarom heeft Global Producers te gelden als de afzender onder de vervoersovereenkomst.’

Kennelijk ging ook CSAV er toen vanuit dat de door GP ingeschakelde expediteur de raamovereenkomst niet in eigen naam, maar namens GP was aangegaan. In het vonnis in het bevoegdheidsincident is de rechtbank CSAV daarin gevolgd (vgl. bijv. rov. 4.10: ‘terwijl GP bij de raamovereenkomst moet worden aangemerkt als de opdrachtgever van CSAV’). Nadien is CSAV zich - zonder haar eerdere stellingen te herroepen en/of toe te lichten waarom zij van inzicht was veranderd - op het standpunt gaan stellen dat niet GP maar de door deze ingeschakelde expediteur [expediteur] haar wederpartij bij de raamovereenkomst is. Zij verwijst daarbij naar enige bij dit gewijzigde standpunt passende e-mailcorrespondentie met [expediteur]. Daar staan echter weer andere e-mailberichten tegenover die beter, althans ook bij haar eerdere standpunt en dat van GP passen, vgl. de door [expediteur] aan CSAV doorgestuurde reactie d.d. 13 december 2007 van GP: ‘anbei Mail v [A] bzgl. Costa Rica’; het e-mailbericht van 11 januari 2008 11:23 van CSAV aan [expediteur] ‘[..] Better to involve the shipper (de afzender, toev. Hof) into this discussion to. [..]’ en de reactie van [expediteur] aan CSAV: ‘not necessary to involve shipper as the decisionmaker will stay the same = Global Producers’ (prod. 28); het e-mailbericht van 20 februari 2008 van ([B] van) CSAV (prod. 33): ‘[..] we have a clear agreement with global/scheid’, alsook dat van 22 februari 2008 van CSAV (prod. 34): ‘[..] we offered as per your confirmation as fllws to Global Producer / Scheid.’

4.3

Tegen de achtergrond van die door GP aangehaalde e-mailcorrespondentie, maar bovenal op basis van CSAV’s eerdere bevestiging van de hoedanigheid van contractspartij van GP moet het er - met toepassing van de maatstaf van het Kribbebijter-arrest van 11 maart 1977, NJ 1977, 521 - voor gehouden worden dat CSAV en [expediteur] over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden dat expediteur [expediteur] bij de contractsluiting namens GP handelde. Voor haar andersluidende (gewijzigde) standpunt heeft CSAV onvoldoende aangevoerd.

4.4

Toegevoegd wordt, maar na het voorgaande ten overvloede dat, indien GP niet zou zijn aan te merken als de contractuele wederpartij van CSAV, de akte van cessie van 5 januari 2010 een voldoende basis biedt voor de vorderingsgerechtigheid van GP. Aan haar andersluidende standpunt heeft CSAV in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat, uitgaande van een stille cessie, die haar eerst op 21 juni 2010 is meegedeeld, het overgedragen vorderingsrecht is verjaard, omdat de inleidende dagvaarding, die is uitgebracht op 8 januari 2010, toen de (verlengde eenjarige) verjaringstermijn nog liep, niet als stuitingshandeling kan gelden, aangezien GP op dat moment nog niet vorderingsgerechtigd was; dat is zij eerst geworden door de mededeling van de cessie op 21 juni 2010, toen de verjaringstermijn inmiddels ruimschoots was verstreken, aldus telkens CSAV. Deze zienswijze van CSAV kan niet als juist worden aanvaard. Na de stille cessie, waarbij de vorderingsrechten uit hoofde van de raamovereenkomst (voor zover nodig) aan haar werden overdragen, was GP bevoegd tot het verrichten van een stuitingshandeling, als hoedanig het uitbrengen van de inleidende dagvaarding van 8 januari 2010 heeft te gelden; CSAV wist daardoor dat de reeds buiten rechte (mede namens GP) aan haar gepresenteerde claim (betreffende haar ‘agreement with global/scheid’ - zie hiervoor 4.2 slot) in rechte werd vervolgd.

4.5

Waar CSAV behalve het aan de cessie ontleende claimrecht ook nog de (door GP meer subsidiair aangevoerde) vorderingsgerechtigdheid uit hoofde van de door [expediteur] verstrekte last en volmacht bestrijdt, treedt er bovendien een tegenstrijdigheid op in haar stellingen; vgl. punt 154: ‘Het is niet mogelijk om een vordering zowel te cederen alsmede last en volmacht te geven [..] Immers door de stille cessie zijn alle rechten uit de raamovereenkomst overgegaan van [expediteur] op Global Producers’ versus punt 156: ‘[expediteur] was de gerechtigde uit hoofde van [de, toev. Hof] raamvervoerovereenkomst totdat de stille cessie op 21 juni 2011 aan CSAV werd meegedeeld.’ Wat hier verder van zij, de omstandigheid dat [expediteur] tot de mededeling van de cessie inningsbevoegd bleef, betekent niet dat alleen zij een stuitingshandeling kon verrichten. Daarnaast geldt dat ter zake van die inningsbevoegdheid een last en volmacht konden worden verstrekt.

4.6

Het voorgaande wordt niet anders doordat GP niet voor of bij het instellen van de procedure een expediteursverklaring ex art. 8:63 lid 2 BW heeft overgelegd. Die verklaring kan ook in een later stadium van de procedure worden getoond. In het onderhavige geval ligt die verklaring voldoende besloten in de overgelegde akte van cessie, die begint met de overweging dat [expediteur] in hoedanigheid van expediteur namens GP een vervoerovereenkomst heeft gesloten. De opvatting van CSAV dat, ingeval van een rechtsgeldige cessie, naast de cessieakte ook nog een expediteursverklaring nodig is voor de vorderingsgerechtigheid van de opdrachtgever van de expediteur strookt niet met de gedachte achter art. 8:63 lid 2 BW, welke bepaling nu juist in het leven is geroepen om de opdrachtgever tegemoet te komen door het voordeel van cessie (dat de vervoerder er zeker van kan zijn dat degene die zich tot hem wendt ook werkelijk in de rechten van de expediteur is getreden) ook langs andere, vaak gemakkelijkere, weg mogelijk te maken.

4.7

Ook ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de meerkosten van de dekkingskopen faalt het verjaringsverweer. Die vordering berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering in de inleidende dagvaarding, te weten de wanprestatie van CSAV met betrekking tot het vervoer van de meloenen naar Europa in het fruitseizoen van 2008. Ook voor die vordering vormde de inleidende dagvaarding daarom een geldige stuitingshandeling.

4.8

De conclusie is dat de hier besproken grieven van GP slagen en die van CSAV falen.

toerekenbare tekortkoming van CSAV

5. Met haar grieven 2 en 3 in het incidenteel appel komt CSAV op tegen het

oordeel van de rechtbank dat zij toerekenbaar tekortgeschoten is in haar vervoersverplichtingen en dat haar verweer aangaande het ontbreken van boekingsverzoeken geen doel treft. De grieven falen. Daargelaten of CSAV zich gecommitteerd had om (ten minste) 240 containers te vervoeren, heeft zij niet gemotiveerd weersproken dat door haar bij herhaling te kennen is gegeven dat zij de overeengekomen containerruimte niet beschikbaar had en dat zij nog zou laten weten indien er meer ruimte beschikbaar kwam, doch dat dit niet is gebeurd. Daarmee is op zichzelf genomen de tekortkoming ten aanzien van de overeengekomen vervoersprestatie een gegeven. Aan GP kan bij deze gang van zaken niet met succes worden tegengeworpen dat zij geen boekingen (meer) heeft gedaan, te minder nu, zoals de rechtbank terecht en door CSAV in hoger beroep niet bestreden overwoog: ‘CSAV niet heeft gesteld dat, voor zover er wél boekingsverzoeken waren gedaan, zij haar verplichtingen onder de overeenkomst had kunnen nakomen. Sterker nog, CSAV stelt zelf dat zij de aangeboden containerruimte niet kon leveren.’

de gestelde schade

6.1

De vraag is vervolgens of GP, zoals zij stelt doch CSAV betwist, door deze tekortkoming schade heeft geleden, meer in het bijzonder doordat daardoor 33 containerladingen moesten worden vernietigd en er een dekkingskoop moest worden gesloten voor deze hoeveelheden. Daarover gaan GP’s grieven II, III, IV (door GP abusievelijk genummerd VI) en V (door GP abusievelijk genummerd IV), evenals de incidentele grief 4 van CSAV.

6.2

Bij inleidende dagvaarding stelde GP hierover, onder verwijzing naar producties 9 en 11, dat volgens planning gedurende de periode van kalenderweek 3 t/m 17 van 2008 door CSAV 240 containers zouden worden vervoerd (direct en transloaded), doch dat er hiervan in werkelijkheid slechts 56 door CSAV zijn vervoerd; voor 151 containers is door GP vervangend vervoer geregeld, terwijl de overige 33 containers niet zijn verscheept, waardoor de inhoud ervan moest worden vernietigd, aldus GP. Het aantal van 33 - niet vervoerde en daarom vernietigde - containerladingen is door haar als volgt gespecificeerd:

Week Aantal containers

6 1 (suikermeloenen)

7 2 (suikermeloenen) + 1 (watermeloenen)

8 3 (suikermeloenen) + 3 (watermeloenen)

9 4 (suikermeloenen) + 3 (watermeloenen)

10 3 (suikermeloenen) + 3 (watermeloenen)

12 3 (suikermeloenen) + 3 (watermeloenen)

13 3 (suikermeloenen) + 1 (watermeloenen)

6.3

GP stelde bij inleidende dagvaarding verder (i) dat Pafru haar bij brief van 27 juni 2008 verzocht heeft om de waarde van de verloren gegane meloenen (33 containers), zijnde USD 230.300, binnen 15 dagen te betalen en (ii) dat zij (daarop) dit bedrag op grond van haar contractuele afnameverplichting aan Pafru heeft betaald.

de vordering sub a - USD 230.300

6.4

Bij akte vermeerdering van eis van 21 juni 2011 heeft GP over genoemd bedrag van USD 230.000 (afwijkend) nader gesteld dat zij krachtens afspraak de productie van de door PaFru te leveren meloenen (voor)financierde door middel van het betalen van voorschotten. In 2008 leverde PaFru minder fruit dan het bedrag van de vooruitbetaling, waardoor er ultimo 2008 nog een bedrag van USD 244.470,19 openstond, waarin de vooruitbetaling voor de niet-vervoerde 33 containers ad USD 230.300 zat. Op de balans over 2008 is het bedrag van USD 244.470,19 opgenomen als onderdeel van de post vooruitbetaalde inkopen. Over het vernietigen van de inhoud van de 33 containers stelde GP nader dat zij de 33 containers met fruit die zij niet meer kon (laten) vervoeren heeft vernietigd door deze ter beschikking te stellen aan lokale boeren, waarmee vernietigingskosten werden bespaard.

6.5

Ter comparitie in de eerste aanleg verklaarde de heer [A], statutair directeur van GP (weer enigszins afwijkend): ‘Een deel van deze meloenen heb ik vernietigd op de farm zelf en een ander deel heb ik aan de boeren weggegeven als voedsel voor hun koeien. Het gevolg is dat het bedrag, dat ik aan ParFu moest betalen, open is blijven staan op onze balans [..].’

6.6

De rechtbank heeft GP vervolgens bij tussenvonnis van 28 december 2011 opgedragen om te bewijzen dat zij door de tekortkoming van CSAV schade heeft geleden tot een bedrag van USD 230.300.

6.7

GP heeft geen getuigen doen horen. In haar na het tussenvonnis ingediende akte heeft zij erop gewezen dat de accountant bij de jaarrekening 2008 als toelichting heeft gegeven:

Aan PaFru S.A. zijn voor het seizoen 2007/2008 vooruitbetalingen gedaan voor levering van producten. Door PaFru S.A. is minder geleverd dan het bedrag van de vooruitbetalingen. Per 24 september 2008 stond aan vooruitbetalingen nog een bedrag open van USD 244.470,19. Dit bedrag is als vooruitbetaling voor het seizoen 2008/2009 blijven staan.

Ultimo 2008 is het bedrag van USD 244.470,19 op de balans opgenomen als onderdeel van de post voorraden ad € 1.673.654. In de toelichting op de balans is het bedrag van USD 244.470,19 opgenomen als onderdeel van de post vooruitbetaalde inkopen ad 1.096.939,= [..]’

Verder stelt GP in deze akte o.m.: ‘Met de door Global Producers [..] overgelegde documenten bewijst zij dat zij voor een bedrag van USD 2,270,000.= aan meloenen heeft gekocht van PaFru in 2008. Global Producers heeft in 2008 slechts voor een bedrag van (USD 2,270,000.= minus USD 244,470.19 =) USD 2,025,529.81 van PaFru ontvangen aan meloenen. Hiermee staat vast dat Global Producers in 2008 een bedrag van USD 244,470.19 teveel heeft betaald aan PaFru, waarin ook de voor de niet geleverde 33 containers betaalde USD 230,300.= is verdisconteerd.’

6.8

In het vervolgens gewezen eindvonnis heeft de rechtbank de vordering betreffende het bedrag van USD 230.300 afgewezen met de hierboven onder 2 weergegeven motivering.

6.9

In haar memorie van grieven stelt GP dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat jegens PaFru nog aanspraak bestaat op de levering van 33 containerladingen meloenen (4.22). Haar toelichting hierbij is dat zij in 2008 een bedrag van USD 2.270.000 aan PaFru heeft vooruitbetaald, dat van dit bedrag USD 244.470 als tegoed is blijven staan voor het seizoen 2009, zodat zij in het seizoen 2008 voor een bedrag van (2.270.000 – 244.470 =) USD 2.025.530 aan meloenen heeft afgenomen van PaFru, wat correspondeert met 240 containers, waarin begrepen waren de 33 tenietgegane containers. Het voor die tenietgegane containers betaalde bedrag is dus niet als tegoed blijven staan voor het seizoen 2009, maar maakt deel uit van het betaalde bedrag van USD 2.025.530, aldus GP, die geen verklaring geeft voor deze, wat CASV noemt, ‘opmerkelijke draai’.

6.10

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel past GP haar stellingen wederom aan, nu in die zin (3.6) dat het (zojuist genoemde) bedrag van USD 2.025.530 nog moet worden verhoogd met een bedrag van USD 230.300 voor de 33 niet vervoerde containers (die, zo begrijpt het Hof, kennelijk toch niet begrepen waren in het bedrag van USD 2.025.530). Ook stelt GP in deze memorie (3.6) dat PaFru voor het seizoen 2008 in totaal 410 containerladingen meloenen zou produceren, maar dat PaFru er uiteindelijk (slechts) 358 heeft geleverd, waarvan er 33 verloren zijn gegaan, dat zij in totaal USD 3.784.870,80 aan PaFru heeft betaald voor de meloenenoogst van 2008 en (5.5) dat zij de 33 containers aan meloenen heeft betaald met een voorschot van USD 244.470,19, welk bedrag geboekt is als vooruitbetaling voor het seizoen 2009, maar waar uiteindelijk nooit meloenen voor geleverd zijn.

6.11

De juistheid van deze, door CSAV betwiste nieuwe stellingen van GP volgt onvoldoende uit hetgeen door haar is aangevoerd en is ook niet voldoende gespecificeerd te bewijzen aangeboden. Los hiervan doet het telkens weer opnieuw aanpassen van de stellingen de vraag rijzen of de vordering sowieso (geheel of ten dele) in rechte aantoonbaar is. Niettemin bestaat aanleiding om GP nog eenmaal in de gelegenheid te stellen om de beweerdelijke schade toe te lichten, en wel aan de hand van het hiervoor in 6.2 weergegeven overzicht. De toelichting moet dus duidelijk maken (a) of CSAV de in dat overzicht bedoelde containers toen in strijd met haar vervoersverplichting niet heeft vervoerd en (b) dat de desbetreffende containerladingen, die gereed waren om te worden vervoerd, om die reden daadwerkelijk zijn vernietigd/verloren gegaan, alsook (c) dat daardoor schade is ontstaan ten bedrage van USD 230.300.

de vordering sub b - € 192.654

6.12

Nadat deze vordering door de rechtbank wegens een gebrek aan onderbouwing was afgewezen, had het voor GP ernst moeten zijn om in hoger beroep alsnog met een deugdelijke en consistente onderbouwing te komen. Dat is onvoldoende gebeurd.

6.13

Als voorbeeld wordt genoemd dat, terwijl GP eerst stelde (i) bij ‘akte n.a.v. tussenvonnis d.d. 28 december 2011’: ‘Door de wanprestatie van CSAV werden 14.000 dozen watermeloenen en 26.600 dozen gele meloenen niet naar Europa vervoerd. Zoals Global Producers heeft gespecificeerd [..] heeft zij exact (curs. Hof) 14.000 dozen watermeloenen en 26.600 dozen gele meloenen bijgekocht [..]’ en (ii) bij memorie van grieven: ‘Door het aantal meloenen dat niet geladen kon worden door de wanprestatie van CSAV op te kopen bij Europese handelaren (curs. Hof)’, zij in afwijking hiervan bij memorie van antwoord in incidenteel appel stelt: ‘Global Producers heeft in 2008 via leverancier La Ceiba nog eens 67 containers met meloenen bijgekocht om aan de vraag naar meloenen in Europa te voldoen. [..] Global Producers had 33 containers met meloenen minder hoeven bij te kopen, als CSAV de bij haar geboekte containercapaciteit had geleverd voor alle door PaFru geproduceerde meloenen [..].’ Een toelichting op deze wending ontbreekt. Ook nadat CSAV er bij ‘akte uitlating productie’ van 14 oktober 2014 nog eens gewezen had op de tegenstrijdigheid dat de gestelde vervangingskopen ‘eerst in Europa zouden zijn gedaan [..] [maar] volgens de meest recente versie van de stellingen van Global Producers in Costa Rica zijn gedaan’, heeft GP, die nadien in haar antwoordakte van 11 november 2014 de 67 containers van La Ceiba nog wel heeft genoemd, nagelaten om een verklaring te geven voor deze opmerkelijke wijziging. Geconstateerd moet dan ook worden dat een enigszins consistente stellingname met betrekking tot dit deel van de vordering ontbreekt, reden waarom deze, door CSAV gemotiveerd betwiste, vordering ook in appel op een gebrek aan onderbouwing strandt.

6.14

Aan het bewijsaanbod van GP wordt daarom niet toegekomen. Overigens is dat aanbod ten aanzien van de vordering sub b ook onvoldoende gespecifieerd; bijvoorbeeld blijkt niet op welke van wisselend ingenomen stellingen het aanbod betrekking heeft.

6.15

Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, dat GP ook niet gemotiveerd betwist heeft de door CSAV ten verwere aangevoerde stelling dat zij onder de vervoerovereenkomst niet aansprakelijk is voor de hier bedoelde schade.

tot besluit

7. De slotsom is dat een comparitie van partijen zal worden gelast voor het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot de vordering sub a (ad USD 230.300). De comparitie zal tevens worden benut voor het beproeven van een schikking, nu de zaak daarvoor vatbaar lijkt.

De beslissing

Het Hof:

- beveelt partijen, deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M. van der Klooster in een der zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage op donderdag 12 mei 2016 om 10.15 uur;

- bepaalt dat, indien een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de maanden maart tot en met juni van 2016, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de comparitie zal vaststellen;

- bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij een beroep zouden willen doen, zullen overleggen door deze uiterlijk twee weken vóór de comparitie in kopie aan de griffie handel van het Hof en aan de wederpartij te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M.M. Olthof en R.F. Groos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.