Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:604

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
22-002701-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 93 (drieënnegentig) dagen. Voorts veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002701-14

Parketnummer: 10-691036-14

Datum uitspraak: 9 februari 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1958,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 januari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, welke bij eerdere beslissing van 9 mei 2014 was geschorst, opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een klauwhamer, althans een hard voorwerp, meerdere malen, althans éénmaal slaande beweging(en) heeft gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het impliciet primair ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte nimmer in de richting van het hoofd van aangever heeft geslagen met de hamer, doch hooguit met de hamer slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van de arm van aangever waarbij de hamer kennelijk is afgeketst en omhoog in de richting van het hoofd is gegaan. Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van aangever ontbreekt derhalve.

De raadsman heeft voorts betoogd dat het impliciet subsidiair ten laste gelegde weliswaar kan worden bewezen verklaard, doch dat aan de verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat aangever de verdachte in een wurggreep vast had en dat de verdachte daarvan los wilde komen en daarom met de hamer op de arm van aangever heeft geslagen, waarbij de verdachte mogelijk een keer te veel heeft geslagen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde (poging tot doodslag)

Dat de verdachte niet in de richting van het hoofd van de aangever zou hebben geslagen wordt weerlegd door niet alleen de verklaring van de aangever, maar ook die van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Met name getuige [getuige 3] verklaart te hebben gezien dat de verdachte meerdere keren met de klauwhamer sloeg, iedere keer in de richting van het hoofd van het slachtoffer. Het hof is van oordeel dat de verdachte door te slaan met een klauwhamer in de richting van het hoofd van aangever, op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever. De verdachte heeft met zijn handelen welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de hamer op het hoofd van aangever terecht zou komen en aangever daarbij dodelijk zou treffen. Blijkens een FARR-rapport d.d. 24 januari 2014 is rechts op de schedel van aangever door de forensisch arts een tweetal wonden aangetroffen, beide met iets wijkende randen. Hieruit volgt dat de verdachte de aangever ook daadwerkelijk op het hoofd heeft geraakt. De verdachte –en het slachtoffer- kan van geluk spreken dat op een CT-scan van de schedel en de hersenen geen traumatische afwijkingen werden aangetroffen en dat het letsel beperkt is gebleven tot hoofdwonden met een beperkte genezingsduur. Het handelen van de verdachte kan -gelet op het vorenstaande- niet anders worden gekwalificeerd dan een poging tot doodslag. Derhalve verwerpt het hof het verweer van de raadsman hieromtrent.

Ter zake van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling)

Nu het hof het impliciet primair ten laste gelegde zal bewezen verklaren, en derhalve niet aan een beoordeling van het impliciet subsidiair ten laste gelegde toekomt, behoeft het in het kader van het impliciet subsidiair ten laste gelegde gevoerde noodweerexces verweer geen bespreking.

Het hof overweegt evenwel ten overvloede dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die erop wijzen dat sprake is geweest van een situatie waarin zich een wederrechtelijke aanranding van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed heeft voorgedaan waartegen de noodzakelijke verdediging geboden was, zodat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een noodweersituatie voor de verdachte, zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het beroep op noodweerexces slaagt reeds daarom niet. Uit onafhankelijke getuigenverklaringen is per slot van rekening naar voren gekomen dat het de verdachte is geweest die uit het niets met een hamer op aangever is afgelopen. Het hof verwerpt derhalve hetgeen de raadsman hieromtrent heeft aangevoerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 17 januari 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een klauwhamer, althans een hard voorwerp, meerdere malen, althans éénmaal slaande beweging(en) heeft gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Het spreekt voor zich dat de onverhoedse en gewelddadige confrontatie met de verdachte op het slachtoffer een enorme impact heeft gehad. Aldus handelende heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en diens gevoel van veiligheid. Feiten als het onderhavige veroorzaken in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid, in dit geval te meer nu willekeurige omstanders van het gewelddadige feit getuigen zijn geweest.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 januari 2016, waaruit is gebleken dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige feit niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht

Het hof heeft kennisgenomen van een schrijven van mr. J. Goltstein, advocaat te Kerkrade, d.d. 19 januari 2016, waaruit blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden en deze heeft begroot op € 500,-. Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer [slachtoffer] zich in de onderhavige zaak niet als benadeelde partij heeft gevoegd.

Het hof ziet in voornoemde brief evenwel aanleiding om ambtshalve aan de verdachte de verplichting op te leggen om een bedrag van € 500,- aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het impliciet primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 93 (drieënnegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] een bedrag te betalen van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. T.L. Tan en mr. A.E.A.M. van Waesberghe, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 februari 2016.