Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:599

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
22-001337-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een poging om aan de politie te ontkomen, heeft de verdachte tijdens een achtervolging door de politie een aaneenschakeling van uiterst gevaarlijke verkeersmanoeuvres verricht. Daarbij is de verdachte ingereden op personen die zich als fietsers op een fietspad bevonden en op een parkeerplaats is de verdachte ingereden op een jongen van destijds zes jaar oud die zich daar als voetganger bevond.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 179a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001337-15

Parketnummer: 10-661291-14

Datum uitspraak: 2 maart 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1989 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 17 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en onder de bijzondere voorwaarden - verkort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt, en dat de verdachte zich onder ambulante behandeling zal stellen bij De Waag of onder soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering. Daarbij is aan de reclassering opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde is aan de verdachte voorts een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de tijd van 2 jaren, met aftrek.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 28 november 2014 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk één of meer (vooralsnog onbekend gebleven) perso(o)n(en) en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal (telkens), (met hoge snelheid) met zijn/een door hem, verdachte, bestuurde voertuig is ingereden op

 één of meer (vooralsnog onbekend gebleven) perso(o)n(en), terwijl die (vooralsnog onbekend gebleven) perso(o)n(en) zich (toen en aldaar) als voetganger(s) op een parkeerplaats en/of trottoir en/of als fietser(s) op een fietspad, althans (telkens) op of aan een openbare weg bevond(en) en/of

 [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], terwijl die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] zich (toen en aldaar) als voetganger(s) op een parkeerplaats en/of trottoir, althans (telkens) op of aan een openbare weg, bevond(en),

terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 28 november 2014 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam, (telkens) op de/een openbare weg, één of meer (vooralsnog onbekend gebleven) perso(o)n(en) en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte, opzettelijk dreigend, met zijn/een door hem, verdachte, bestuurde voertuig (met hoge snelheid), ingereden op

 één of meer (vooralsnog onbekend gebleven) perso(o)n(en), terwijl die (vooralsnog onbekend gebleven) perso(o)n(en) zich (toen en aldaar) als voetganger(s) op een parkeerplaats en/of trottoir en/of als fietser(s) op een fietspad, althans (telkens) op of aan een openbare weg bevond(en) en/of

 [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], terwijl die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] zich (toen en aldaar) als voetganger(s) op een parkeerplaats en/of trottoir, althans (telkens) op een openbare weg, bevond(en);


2.


hij op of omstreeks 28 november 2014 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam en/of één of meer andere plaats(en), althans in Nederland, (een) goed(eren), te weten een (personen)auto (van het merk BMW, type X5, gekentekend [nr]), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die (personen)auto redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed betrof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. In het bijzonder is niet met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de personenauto wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Derhalve behoort de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 28 november 2014 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk één of meer (vooralsnog onbekend gebleven) perso(o)n(en) en/of [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, (met hoge snelheid) met zijn/een door hem, verdachte, bestuurde voertuig

één of meer (vooralsnog meermalen telkens is ingereden op onbekend gebleven) perso(o)n(en), terwijl die (vooralsnog onbekend gebleven) perso(o)n(en) zich (toen en aldaar) als voetganger(s) op een parkeerplaats en/of trottoir en/of als fietser(s) op een fietspad, althans (telkens) op of aan een openbare weg bevond(en) en/of

[benadeelde partij 1] en/of éénmaal is ingereden op [benadeelde partij 2], terwijl die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] zich (toen en aldaar) als voetganger(s) op een parkeerplaats en/of trottoir, althans (telkens) op of aan een openbare weg, bevond(en),

terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde betoogd dat opzet, ook in de vorm van voorwaardelijk opzet, ontbreekt.

Het hof gaat bij de beoordeling van dit verweer uit van de volgende feiten:


a. Op vrijdag 28 november 2014, rond 16.50 uur reed verdachte in een BMW X5 vanaf de Alsemstraat in Rotterdam. Hij parkeerde de auto na een stopteken te hebben gekregen van de politie. Toen de politie uitstapte reed hij echter met hoge snelheid weg in de richting van de snelweg A15. De politie zette met verschillende voertuigen (met licht- en geluidsignalen) de achtervolging in. Verdachte reed via de snelweg van Hoogvliet naar de uitvoegstrook Kralingen in de gemeente Rotterdam. Hij voldeed niet aan stoptekens. Verdachtes verkeersgedrag werd tijdens deze rit, die tijdens de avondspits plaatsvond, gekenmerkt door:

het links en rechts inhalen van personenauto’s, ook via de busbaan, rechts over de vluchtstrook rijden, terwijl dit niet was toegestaan, rijden met een veel te hoge snelheid, zo reed hij soms 180 km/u, dan weer 160 km/u waar 100 km/u de toegestane maximum snelheid was, of 150 km/u waar 70 km/u de toegestane maximum snelheid was, waarbij bestuurders van andere auto’s moesten uitwijken voor de door verdachte bestuurde BMW met verkeerschaos tot gevolg,

b. Onderaan de afrit Kralingen reed de BMW zonder richting aan te geven naar rechts, de Jacques Duthilweg op, terwijl het voor verdachte bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalde.

c. Op de Jacques Duthilweg te Rotterdam reed op dat moment veel verkeer. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid was 50 km/u. Verdachte bestuurde de BMW over het gras naar het naast de rijstroken gelegen vrij liggende fietspad. Op het fietspad stapten diverse fietsers af en sprongen de groenstrook in om een aanrijding met de BMW te voorkomen. Verdachte reed op dat moment op het fietspad in ieder geval 80 km/u.

d. Op de kruising van de Jacques Duthilweg met de Prins Alexanderlaan reed verdachte door terwijl het voor hem bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalde. Op de Kralingseweg reed verdachte op de rijbaan bestemd voor verkeer uit de tegenovergestelde richting. Op deze rijbaan reden andere voertuigen. Zij moesten stoppen om een aanrijding met de BMW te voorkomen. Op de Schenkelse Dreef reed verdachte 80 km/u terwijl daar 50 km/u is toegestaan.

e. Ter hoogte van de Poortmolen reed de BMW wederom het fietspad op. Fietsers moesten uitwijken voor de BMW om een aanrijding te voorkomen.

f. Op de Capelseweg dwong de BMW de andere weggebruikers om ruimte te maken zodat hij ruimte kreeg en andere weggebruikers kon inhalen. De overige weggebruikers reden hun voertuigen de berm in om een aanrijding te voorkomen.

g. Ter hoogte van Sportpark Schenkel te Capelle aan den IJssel reed de BMW de parkeerplaats bij de sportvelden op met een snelheid van minstens 80 km/u. Hij heeft de parkeerplaats weer verlaten via het fietspad.

h. Aanvankelijk heeft de politie de toegang van dit doodlopende parkeerterrein afgeblokt met politieauto’s. Uit vrees dat deze auto’s geramd zouden worden door de door verdachte bestuurde auto, zijn deze weer verwijderd.
Verdachte is uiteindelijk tot stilstand gebracht doordat een politieauto tegen de BMW is aangereden terwijl hij op het fietspad reed. De verdachte is vervolgens de auto uitgesprongen, weggerend en uiteindelijk een sloot ingesprongen. De verdachte is uiteindelijk na het lossen door de politie van verschillende waarschuwingsschoten aangehouden.

i. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte onder meer verklaard - zakelijk weergegeven -:

Mij wordt voorgehouden dat uit de inhoud van het dossier naar voren komt dat ik met een snelheid van onder meer 180 km per uur heb gereden, over vluchtstroken en fietspaden ben gereden, door rood licht ben gereden en dat mensen weg moesten springen om niet te worden aangereden. Ik heb geprobeerd weg te rijden van de politie, want ik had openstaande boetes en ik wilde de andere dag naar Curaçao voor een begrafenis. Wat u mij voorhoudt dat klopt wel. Ik heb op het parkeerterrein haar (hof: mevrouw [benadeelde partij 1]) en haar zoontje wel gezien.

Het hof leidt uit voornoemde feiten af dat verdachte als bestuurder van de BMW X5 tijdens de avondspits een reeks gevaarlijke verkeersmanoeuvres heeft uitgevoerd alvorens hij de bebouwde kom van Rotterdam en Capelle aan den IJssel inreed. Blijkens de door verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen was hij zich bewust van de situatie waarin hij zich bevond en van hetgeen rondom hem gebeurde.

Na de gevaarzettende manoeuvres op de snelweg en de gebeurtenissen op het fietspad van de Jacques Duthilweg, heeft verdachte soortgelijk gedrag op de Kralingseweg vertoond waarbij hij wederom op een fietspad (van de Poortmolen) is gaan rijden. Na wederom verkeersgevaarlijk gedrag op de Capelseweg vindt de gebeurtenis op de parkeerplaats bij de voetbalvereniging plaats. Ook daarna interpreteren de aanwezige politieagenten het gedrag van verdachte als uitermate verkeersgevaarlijk. Het hof leidt uit deze omstandigheden af dat verdachte gedurende de hele reeks van gebeurtenissen met dezelfde gemoedstoestand is blijven handelen. Zijn doel was kennelijk steeds om hoe dan ook uit handen van de politie te blijven.

Het hof overweegt voorts als volgt. Verdachte reed met de door hem bestuurde BMW X5 over een vrij liggend fietspad naast de rijbaan van de Jacques Duthilweg waar zich diverse fietsers bevonden. Verdachte reed daar 80 km/u. Verdachte heeft ook over het fietspad bij de Poortmolen gereden. Een fietspad is bestemd voor fietsers en niet voor auto’s. Fietsers zijn kwetsbare verkeersdeelnemers; een BMW X5 is dat allesbehalve. Als bestuurder van een BMW X5 hoefde verdachte niet beducht te zijn dat hij zelf het leven zou laten in geval van een botsing of aanrijding van die auto met een fietser of voetganger. Fietsers die zich voortbewegen op een (vrij liggend) fietspad behoeven op die plaats volstrekt geen auto, laat staan een auto die rijdt met een snelheid van 80 km/u te verwachten. Wanneer de door verdachte bestuurde BMW X5 een fietser zou hebben aangereden, zeker met de snelheid als waarvan in dit geval sprake was, zou die fietser geen schijn van kans hebben gehad. Om het door verdachte bestuurde voertuig te ontwijken moesten de fietsers in de groenstrook springen. Verdachte mocht er niet van uitgaan dat iedereen die zich op dat fietspad bevond het reactievermogen en de lenigheid had om tijdig uit de weg te gaan. Door te handelen als verdachte deed, heeft hij dus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door hem bestuurde BMW X5 een fietser fataal zou kunnen raken. Aldus heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen dat deze fietsers door zijn gedragingen het leven zouden kunnen laten. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat voorwaardelijk opzet op de poging doodslag op de onbekend gebleven fietsers is bewezen.

Dat verdachte twee keer gestopt is om fietsers voor te laten gaan, zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, volgt niet uit het dossier en is ook anderszins niet aannemelijk geworden. Ook de stelling dat verdachte toeterde, groot licht voerde en naar eigen zeggen de auto onder controle had, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Deze door verdachte aangevoerde omstandigheden doen immers niet af aan het opzet zoals dat volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen. Miskend wordt dat deze omstandigheden handelen/reageren van fietsers vergen op een automobilist die zij niet hoeven te verwachten op het fietspad en die gedrag vertoont dat zij al helemaal niet hoeven te verwachten. Het is in de eerste plaats aan de verdachte om zich niet als bestuurder van een (veel te hard) rijdende auto op het fietspad te begeven.

Wat betreft de gebeurtenissen op de parkeerplaats bij sportvelden aan het eind van de middag (wanneer veel jonge spelers komen en vertrekken) stelt het hof voorop dat een snelheid van 80 km/u (volgens verbalisanten) maar ook van 40 of 50 km/u (volgens verdachte) op een dergelijk terrein volstrekt uit den boze is. Stapvoets rijden is geboden en hiervan is geen sprake geweest. Juist jonge kinderen (met de aan hun leeftijd eigen energie en impulsiviteit) zijn als voetganger op een dergelijk terrein slecht zichtbaar en uitermate kwetsbaar.

Mevrouw [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat verdachte rakelings langs haar en haar zoontje reed, waarbij ze haar zoontje heel hard moest terugtrekken omdat hij anders door de auto zou zijn geraakt. Het hof acht deze verklaring gelet op het rijgedrag van de verdachte zoals dat uit de andere bewijsmiddelen blijkt, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. In samenhang met de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verbalisanten dat verdachte met 80 km/u het parkeerterrein op reed, is het hof van oordeel dat ook in dit geval wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde partij 2] door de door hem bestuurde BMW geraakt zou worden. De door verdachte genoemde snelheid van 40 of 50 km/u acht het hof niet aannemelijk geworden, mede gelet op verdachtes gedrag bij het verlaten van het parkeerterrein waarbij de politie bewust tegen de auto van verdachte is aangereden omdat zij dit als enige mogelijkheid zagen om hem tot stoppen te dwingen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met dien verstande dat de advocaat-generaal ten aanzien van de straf heeft geconcludeerd dat de in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden achterwege kunnen blijven.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. In een poging om aan de politie te ontkomen, heeft de verdachte tijdens een achtervolging door de politie een aaneenschakeling van uiterst gevaarlijke verkeersmanoeuvres verricht. Daarbij is de verdachte ingereden op personen die zich als fietsers op een fietspad bevonden en op een parkeerplaats is de verdachte ingereden op een jongen van destijds zes jaar oud die zich daar als voetganger bevond. Zodoende heeft de verdachte welbewust zeer groot en levensbedreigend gevaar voor andere verkeersdeelnemers in het leven geroepen en kennelijk op de koop toegenomen dat deze personen door zijn gedragingen het leven zouden kunnen laten. De verdachte heeft zich daarmee meermalen schuldig gemaakt aan poging tot doodslag.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen. Bovendien liep de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in de proeftijd van een eerdere veroordeling kort ervoor.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op een reclasseringsadvies d.d. 2 maart 2015 van de Reclassering Nederland. Uit het rapport komt naar voren dat de verdachte financiële problemen heeft en dat hij - ten tijde van het opstellen van het rapport – werkloos is. De verdachte lijkt voorts herhaaldelijk impulsief te reageren op situaties, waarbij in sommige gevallen ook sprake is geweest van geweld. Zolang er op deze gebieden niet geïntervenieerd wordt, blijft de kans op recidive aanwezig. Er is een vermoeden van meer problematiek, hetgeen door een behandelende instelling vastgesteld zou kunnen worden. De reclassering adviseert om aan de verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd - toezicht door de reclassering en een behandeling bij De Waag, dan wel soortgelijke ambulante forensische zorg.

In het kader van de - ten tijde van het onderhavige ten laste gelegde - lopende proeftijd zijn deze voorwaarden bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam d.d. 21 oktober 2014 reeds aan de verdachte opgelegd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw voorts een in de zaak met de lopende proeftijd uitgebracht voortgangsverslag d.d. 15 februari 2016 aan het hof overgelegd. In dat verslag staat dat de verdachte is uitgevallen bij De Waag Rijnmond. Door De Waag is aangegeven dat er bij de verdachte onvoldoende ingang is om te starten met behandeling. Een hulpvraag ontbrak. De verdachte heeft vervolgens meegewerkt aan een verdiepingsonderzoek bij Het Dok dat diende om een beter beeld te krijgen van verdachtes sterke en zwakke kanten. Daarnaast zal het onderzoek naar verwachting iets zeggen over zijn gedrag en persoonlijkheid en zal er een advies voor behandeling uit voortvloeien. De resultaten van het verdiepingsonderzoek waren ten tijde van het uitbrengen van genoemd verslag nog niet bekend. Concluderend wordt in het voortgangsverslag gesteld dat de verdachte tijdens het toezicht met kleine stapjes sinds korte tijd gedragsverandering heeft laten zien. De verdachte heeft namelijk sinds kort werk, heeft hulp van een jongerencoach aangenomen en heeft meegewerkt aan het verdiepingsonderzoek.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard sinds kort als steigerbouwer en - monteur te werken en heeft een detacheringsovereenkomst alsmede een verklaring van zijn werkgever d.d. 16 februari 2016 aan het hof overgelegd.

Vanwege de ernst van het bewezen verklaarde en de zeer grove miskenning van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers, kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf, alsmede met een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het onvoorwaardelijk op te leggen deel van de gevangenisstraf heeft de verdachte reeds in voorarrest uitgezeten. De stelling van de verdediging dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk maakt dat niet anders. Daarbij neemt het hof op basis van het laatste voortgangsrapport van de reclassering in aanmerking dat er sprake zou kunnen zijn van een voorzichtig begin van een positieve ontwikkeling in het leven van de verdachte, doch dat dit nog uitermate pril is en onduidelijk is of deze ontwikkeling zich zal voortzetten.

Alles afwegende is het hof – mede vanuit een oogpunt van speciale preventie - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, onder de na te noemen bijzondere voorwaarde, alsmede een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, beide van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen te melden bij de Reclassering Nederland te Rotterdam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179a van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz, mr. H.J.M. Smid-Verhage en mr. T.B. Trotman,

in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 maart 2016.