Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:499

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
2200207114
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingetrokken bekennende verklaringen bij levensdelict

Vrijspraak

Alles afwegende is het hof van oordeel dat, nu:

- bij de bekennende verklaringen van de verdachte vraagtekens zijn te zetten, en

- het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat die het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario dat de vriend van de verdachte het slachtoffer heeft gedood kunnen weerleggen, waardoor in redelijkheid aan de juistheid van het ten laste gelegde kan worden getwijfeld, en

- er ook overigens geen objectieve onderzoeksgegevens of andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die het daderschap van de verdachte kunnen onderbouwen,

de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het haar (primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair) ten laste gelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002071-14

Parketnummer: 12-700325-10

Datum uitspraak: 3 maart 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 4 november 2011 – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1985,

GBA-adres: [adres 1],

verblijfsadres: [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 januari 2016, 28 januari 2016 en 18 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte door de rechtbank Middelburg bij vonnis van 4 november 2011 vrijgesproken van het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 19 februari 2013 het vonnis waarvan beroep vernietigd, de verdachte vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde moord en de verdachte – nadat de advocaat-generaal rekwireerde tot integrale vrijspraak – ter zake van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van

22 april 2014 voormeld arrest vernietigd en heeft de zaak naar het gerechtshof Den Haag verwezen, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 6 oktober 2010 tot en met 11 oktober 2010 te Vlissingen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, nadat zij, verdachte, bij die [slachtoffer] enig snoer rond de nek/hals had gedaan en/of dit snoer had aangetrokken en die [slachtoffer] haar, verdachte, de woorden toevoegde "Ik doe niets, dat hoeft niet", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

- het bovengenoemde snoer verder heeft aangetrokken, althans aangetrokken heeft gehouden, en/of

- die [slachtoffer] onderuit heeft getrapt, dan wel ten val heeft gebracht, en/of twee, althans één, knie(ën) in de rug van die [slachtoffer] heeft gezet/gedrukt (om zodoende enig verzet van die [slachtoffer] te pareren en de door haar, verdachte, ingezette handeling te kunnen voltooien),

mede tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij in of omstreeks de periode van 6 oktober 2010 tot en met 11 oktober 2010 te Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, nadat zij, verdachte, bij die [slachtoffer] enig snoer en/of kabel rond de nek/hals had gedaan en/of dit snoer en/of kabel had aangetrokken en die [slachtoffer] haar, verdachte, de woorden had toegevoegd "Ik doe niets, dat hoeft niet", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

- het bovengenoemde snoer en/of kabel verder heeft aangetrokken, althans aangetrokken heeft gehouden, en/of - die [slachtoffer] onderuit heeft getrapt, dan wel ten val heeft gebracht, en/of twee, althans één, knie(ën) in de rug van die [slachtoffer] heeft gezet/gedrukt (om zodoende enig verzet van die [slachtoffer] te pareren en de door haar, verdachte, ingezette handeling te kunnen voltooien),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij in of omstreeks de periode van 6 oktober 2010 tot en met 11 oktober 2010 te Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval met dat opzet, bij die [slachtoffer] enig snoer en/of kabel rond de nek/hals heeft gedaan en/of dit snoer en/of kabel heeft aangetrokken en/of aangetrokken heeft gehouden, en/of die [slachtoffer] (verder) onderuit heeft getrapt, dan wel ten val heeft gebracht, en/of twee, althans één, knie(ën) in de rug van die [slachtoffer] heeft gezet/gedrukt (om zo enig verzet van die [slachtoffer] te pareren en de door haar, verdachte, ingezette handeling te kunnen voltooien), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


zij op of omstreeks de periode van 6 oktober 2010 tot en met 11 oktober 2010 te Vlissingen opzettelijk en met voorbedachte rade, mishandelend een persoon, te weten

[slachtoffer], en na kalm beraad en rustig overleg enig snoer en/of kabel rond de nek/hals heeft gedaan en/of dit snoer en/of kabel heeft aangetrokken en/of aangetrokken heeft gehouden, en/of die [slachtoffer] (verder) onderuit heeft getrapt, dan wel ten val heeft gebracht, en/of twee, althans één, knie(ën) in de rug van die [slachtoffer] heeft gezet/gedrukt (om zodoende enig verzet van die [slachtoffer] te pareren en de door haar, verdachte, ingezette handeling te kunnen voltooien), mede tengevolge waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden, althans waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Vaststaande feiten

Op 11 oktober 2010 trof de politie in de woning aan de [adres 3] te Vlissingen het stoffelijk overschot aan van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer).

De verdachte en haar vriend [vriend] waren destijds woonachtig op voornoemd adres.

Op 13 oktober 2010 heeft sectie op het lichaam van het slachtoffer plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze sectie heeft de patholoog geconcludeerd dat de vastgestelde bloeduitstortingen bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig, mechanisch, samendrukkend geweld op de hals, al dan niet in combinatie met omsnoerend geweld op de hals, zoals bijvoorbeeld kan ontstaan bij verwurging, strangulatie (door middel van een strak omwikkeld object). Het intreden van de dood kan hierdoor goed worden verklaard door algehele weefselschade als verwikkeling van doorgemaakt geweld op de hals. De bij de sectie waargenomen postmortale veranderingen passen bij een postmortale tijd van bijvoorbeeld meerdere uren tot enkele dagen.

Uit door de politie verricht onderzoek van telefoonverkeer bleek dat in de periode voorafgaand aan 11 oktober 2010 regelmatig contact was tussen telefoonnummers waarvan aannemelijk was dat deze destijds in gebruik waren bij de verdachte en/of [vriend], en het telefoonnummer dat in gebruik was bij het slachtoffer. Het laatste contact tussen deze nummers vond plaats op 7 oktober 2010 om 22.34 uur. Dit betrof tevens het laatst uitgaande contact van het telefoonnummer van het slachtoffer.

Aanvankelijk waren de verdachte en [vriend] onvindbaar voor de politie. Al snel werd duidelijk, onder andere uit telecomgegevens, dat de verdachte en [vriend] zich samen verplaatsten naar onder meer Amsterdam, Delft, Lelystad en met name Eindhoven. Uit afgetapte telefoongesprekken bleek dat er over het gebeurde in Vlissingen werd gesproken. Op 5 november 2010 werden de verdachte en [vriend] in verband met deze verdenking aangehouden in Eindhoven.

De verdachte heeft – na aanvankelijk tijdens de eerste zes verhoren te hebben gezwegen - op 2 december 2010 een bekennende verklaring afgelegd, inhoudende – kort gezegd – dat zij in de avond van 7 oktober 2010 in de woning aan de [adres 3] te Vlissingen was, dat zij daar wachtte op het slachtoffer die de bestelde drugs zou komen brengen, dat het slachtoffer – toen hij eenmaal in de woning was – haar begon te betasten en dat zij daarop het slachtoffer met een usb-kabel heeft gewurgd. [vriend] was op dat moment niet thuis. Toen hij thuis kwam zou hij de verdachte van het slachtoffer hebben afgetrokken, vervolgens in de hals van het slachtoffer hebben gevoeld en hebben geconstateerd dat het slachtoffer niet meer leefde. Deze bekennende verklaring heeft de verdachte in twee nadere verhoren op 3 respectievelijk 14 december 2010 herhaald. In de verhoren daarna heeft zij zich wederom op haar zwijgrecht beroepen.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de bekentenissen vals zijn, dat de verdachte daarmee [vriend] in bescherming wilde nemen en dat de verdachte hierover niet verder wil verklaren omdat zij bang is voor de consequenties. De verdachte heeft zich steeds op haar zwijgrecht beroepen. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat de bekennende verklaringen van 2, 3 en 14 december 2010 onjuist zijn, in die zin dat zij toen niet is aangerand door het slachtoffer en dat zij hem ook niet heeft gedood. Op overige vragen heeft zij zich wederom op haar zwijgrecht beroepen, naar eigen zeggen omdat zij zich door [vriend] bedreigd voelt.

[vriend] heeft zich nagenoeg steeds beroepen op zijn zwijg- dan wel verschoningsrecht, met dien verstande dat hij als getuige bij de rechter-commissaris op 14 december 2010 heeft verklaard dat hij denkt dat hij het slachtoffer op 5 oktober 2010 voor het laatst in leven heeft gezien. Ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2016 heeft hij als getuige verklaard zich niet meer te kunnen herinneren wat er in de periode van

7 tot 10 oktober 2010 is gebeurd en zich voor het overige grotendeels op zijn verschoningsrecht beroepen.

Beoordeling van het ten laste gelegde

Het hof dient thans de vraag te beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is in het dossier en volgend uit het onderzoek ter terechtzitting om de verdachte te kunnen veroordelen voor het ten laste gelegde geweld en de gevolgen daarvan.

Naast de door de verdachte op 2, 3 en 14 december 2010 afgelegde verklaringen (hierna: de bekennende verklaringen), die ondanks de latere intrekking daarvan voor het bewijs zouden kunnen worden gebruikt, bevat het dossier ook ander voor de verdachte belastend bewijsmateriaal.
Het hof wijst op de verklaringen van de getuige [getuige 1]. De verdachte noemde [getuige 1] een vriendin van haar, iemand die zij kon vertrouwen. [getuige 1] woonde destijds samen met [getuige 2], die eveneens als getuige is gehoord. Zij hebben de verdachte en [vriend] een paar dagen onderdak geboden toen laatstgenoemden op de vlucht waren. [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte heeft verteld dat zij een man had gewurgd, omdat die man haar wilde verkrachten. [vriend] zou er niet bij zijn geweest. Hij kwam de woning pas binnen op het moment dat het slachtoffer al was overleden. Hij zou de verdachte van het slachtoffer af hebben moeten trekken. [getuige 2] heeft in dezelfde lijn verklaard. Deze verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] bieden dus steun voor de bekennende verklaringen van de verdachte, zij het dat de verklaringen over de aanleiding voor en de manier van verwurging enigszins uiteen lopen.

Het dossier bevat voorts een afgeluisterd telefoongesprek tussen de verdachte en haar zus, op 18 december 2010, waarin de verdachte zegt dat [slachtoffer] zijn handen niet thuis kon houden en dat het toen een beetje fout is gegaan, dat [vriend] niets heeft gedaan en dat hij niet thuis was op dat moment.
De verdachte heeft bovendien tijdens haar voorarrest brieven/dagboekaantekeningen geschreven, onder meer luidende: “Ik heb een verklaring afgelegd (..) Er was zoveel bewijs (..) Nu weten ze de waarheid” en “Ik heb een verklaring afgelegd, ik wil niet dat jij hiervoor veroordeelt wordt, dat zou gewoon niet eerlijk zijn”.

Al met al constateert het hof dat het dossier steun biedt voor een eventuele bewezenverklaring.

Het hof neemt evenwel in aanmerking dat het dossier ook aanwijzingen bevat dat de bekennende verklaringen van de verdachte niet op waarheid berusten. De verdediging heeft in dat verband bepleit dat de verdachte die verklaringen heeft afgelegd met als doel [vriend] te ontlasten. Hiervoor zijn aanwijzingen te vinden in het dossier.
Zo schreef de verdachte in haar dagboek: “Hij (het hof begrijpt: [vriend]) moet morgen naar Middelburg, voor verhoor bij de R.C., ik hoop maar dat ‘ie op zwijgrecht blijft zitten, dat ‘ie het niet verneukt! Want ik heb een hele grote opoffering voor hem gedaan, omdat ik verschrikkelijk veel van ‘m hou (..) Ik hoop gewoon dat ‘ie waardeert wat ik voor ‘m doe (..) Soms denk ik wel van ‘Wat doe ik mezelf aan?’ (..) Maak ik nu de grootste fout van m’n leven? Ben ik loyaler geweest dan goed voor me is? Waardeerd hij wat ik voor hem doe, en handelt ‘ie daar ook naar? Of laat ‘ie mij straks keihard vallen? (..) Weet je, ik heb hem ’n belofte gemaakt, dat ik hem er niet (alleen) voor op zou laten draaien (..) ik hoop door hem te laten zien dat ik mijn belofte nakom, en dat ik echt loyaal aan hem ben, dat hij dat ook echt naar mij is (..) Als ik op zwijgrecht was blijven zitten had hij automatisch de schuld gekregen. Maar dat doe ik niet, zoals beloofd, en ik hoop zó dat hij dat waardeerd”.

Daarbij is nog van belang dat de verdachte haar eerste bekennende verklaringen heeft afgelegd op een moment vlak nadat over [vriend] (zeer) belastend was verklaard door de getuige [getuige 3].

Uit het dossier wordt voorts duidelijk dat de verdachte destijds hevig verliefd was op [vriend] en hoopte dat zij zo spoedig mogelijk weer bij elkaar zouden zijn. De getuige [getuige 1] heeft in dit verband verklaard dat de verdachte absoluut niet zonder [vriend] wilde leven. Volgens [getuige 1] heeft de verdachte haar verteld dat [vriend] nog een aantal jaren open had staan en als de verdachte en [vriend] zich zouden aangeven, zouden ze elkaar een behoorlijk aantal jaren niet zien, aldus [getuige 1]. Volgens [getuige 1] heeft [vriend] ook nog tegen de verdachte gezegd dat zij zich moest melden bij de politie. Dan was het zelfverdediging geworden en hoefde ze maar een paar maanden te zitten.

Het hof kan er voorts niet aan voorbij gaan dat het dossier ook meerdere bewijsmiddelen bevat, die [vriend] aanwijzen als degene die het slachtoffer heeft gedood. Aan de hand van deze bewijsmiddelen heeft de verdediging als alternatief scenario aangedragen dat [vriend] degene is die het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Met name de verklaringen van de eerder genoemde getuige [getuige 3] en de getuige [getuige 4] zijn belastend voor [vriend]. Zij verklaren beiden dat [vriend] hen – op een tijdstip kort na het overlijden van het slachtoffer – heeft verteld dat hij iemand had omgelegd/afgemaakt. Dat [vriend] dit zou hebben verteld om de verdachte uit de wind te houden, zoals de advocaat-generaal heeft geopperd, vindt, naar het oordeel van het hof, geen steun in het dossier.
Naast de verklaringen van voornoemde getuigen is er ook een aantal afgeluisterde telefoongesprekken, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [vriend] degene is die het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Zo spreekt de moeder van [vriend] in een telefoongesprek over haar zoon, die “door het lint was gegaan”, “iemand zijn strot had dichtgeknepen” en “zeker voor twaalf jaar zou gaan”. En ook de hiervoor aangehaalde dagboekaantekeningen, waarin de verdachte schrijft dat zij een hele grote opoffering voor [vriend] heeft gedaan en zij zich afvraagt of hij dat zal waarderen en of zij niet te loyaal is geweest, kunnen worden gelezen als ondersteunend voor het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario.

Bij de beoordeling van het bewijs neemt het hof tevens in ogenschouw dat het voor de verdachte belastende materiaal vrijwel steeds afkomstig is uit dezelfde bron, namelijk van de verdachte zelf. Hierboven is reeds aan de orde gesteld dat de verdachte mogelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard. Dit kan zij zowel tegenover de politie als tegenover derden hebben gedaan. De verklaringen van de verdachte – en de verklaringen van getuigen over wat zij van de verdachte hebben gehoord – worden niet ondersteund door objectief bewijsmateriaal, afkomstig uit een andere bron dan de verdachte. Het gegeven dat de verklaringen van de verdachte op een aantal punten aansluiten bij de bevindingen van de patholoog, zoals benadrukt door de advocaat-generaal, heeft geen, althans onvoldoende, onderscheidend vermogen omdat hetgeen door de verdachte is verklaard ook bij haar bekend kan zijn geweest doordat zij getuige is geweest van de levensberoving of doordat zij achteraf informatie daarover heeft gekregen.

Conclusie

Alles afwegende is het hof van oordeel dat, nu:

  • -

    bij de bekennende verklaringen van de verdachte vraagtekens zijn te zetten, en

  • -

    het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat die het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario dat [vriend] het slachtoffer heeft gedood kunnen weerleggen, waardoor in redelijkheid aan de juistheid van het ten laste gelegde kan worden getwijfeld, en

  • -

    er ook overigens geen objectieve onderzoeksgegevens of andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die het daderschap van de verdachte kunnen onderbouwen,

de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het haar (primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair) ten laste gelegde.

In het licht van vorenstaande conclusie behoeven de door de verdediging gevoerde verweren, voor zover deze hierboven nog niet aan de orde zijn gekomen, thans geen bespreking meer. Nu het hof tot een integrale vrijspraak komt, heeft de verdediging daarbij geen belang.

Ten overvloede

Het hof realiseert zich dat voornoemd oordeel, in het bijzonder voor de nabestaanden van het slachtoffer, onbevredigend is. Hoewel duidelijk is dat de kring van potentiële plegers van het levensdelict beperkt lijkt tot twee personen, blijft tot op heden onopgehelderd door wie, onder welke omstandigheden en vooral waarom, hun dierbare van het leven is beroofd. Dat beide personen (vooralsnog) voor het levensdelict vrijuit gaan, zal voor hen een hard gelag zijn. Een belangrijk uitgangspunt in het Nederlandse strafrecht is evenwel dat moet worden voorkomen dat iemand wordt veroordeeld voor iets dat hij of zij niet heeft gedaan.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. C.J. van der Wilt, mr. H.J.M. Smid-Verhage en mr. E.C. van Veen, in bijzijn van de griffier mr. N. van der Velden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 maart 2016.