Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:486

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
200.154.795/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2775, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

MBO-opleiding, annuleringsbeding, artikel 6:233 BW, oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/678
NJF 2016/211
TvC 2016, afl. 5, p. 243 met annotatie van prof. mr. M.B.M. Loos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.154.795/01

Zaaknummer rechtbank : 2529276 CV EXPL 13-56334

arrest van 8 maart 2016

inzake

Tio Teach B.V.,

gevestigd te Hengelo,

appellante in het principaal beroep,

verweerster in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: TIO,

advocaat: mr. J.J. Kappert te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.W. Renzen te Rotterdam.

Het verdere verloop van het geding

Voor het verloop van het geding tot 21 oktober 2014 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 19 januari 2015. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Bij memorie van grieven heeft TIO zeven grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel heeft [geïntimeerde] de principale grieven bestreden en tevens twee grieven aangevoerd. TIO heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel.

Vervolgens hebben partijen op 14 januari 2016 de zaak doen bepleiten. Van de pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1.

De in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2.

TIO is een particuliere onderwijsinstelling. [geïntimeerde] heeft zich op
22 augustus 2012 door invulling van een aanmeldingsformulier (hierna: het aanmeldingsformulier) ingeschreven voor (het eerste jaar van) de MBO-opleiding hotelmanagement (hierna: de opleiding). Op het aanmeldingsformulier staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“Hierbij schrijf ik mij in voor de dagopleiding in het studiejaar 2012/2013. Op de studieovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden zijn mij bekend en staan op de achterzijde van dit aanmeldingsformulier c.q. doorslagformulier afgedrukt. Het versturen/inleveren van dit aanmeldingsformulier houdt tevens in dat ik akkoord ga met deze algemene voorwaarden en met de inhoud van de bijbehorende studiegids. De studiegids en het doorslagformulier, met aan de achterzijde de algemene voorwaarden, blijven in mijn bezit. Het inschrijfgeld à € 250,- zal ik binnen 14 dagen overmaken naar: bankrekening (…)”

1.3.

De op de achterzijde van het aanmeldingsformulier afgedrukte algemene voorwaarden houden voor zover relevant in:

“7. Bij annulering na 31 augustus 2012 (…) is de student 100% van het cursusgeld verschuldigd.

(…)

9. De ingeschrevene kan de overeenkomst te allen tijde opzeggen. Tussentijdse beëindiging leidt, ongeacht de reden ervan, niet tot restitutie van het door de ingeschrevene verschuldigde bedrag of tot het vervallen van de betaalplicht daarvan”

Deze bepalingen zullen hierna worden genoemd: het annuleringsbeding.

1.4.

Bij factuur van 28 augustus 2012 heeft TIO het overeengekomen cursusgeld van
€ 12.600,00 (hierna: het cursusgeld) bij [geïntimeerde] in rekening gebracht.

1.5.

In zijn brief aan TIO van 1 december 2012 heeft de vader van [geïntimeerde] geschreven dat [geïntimeerde] de opleiding vanwege zijn psychische gesteldheid moet beëindigen. De brief houdt onder meer in:

“Omdat dit een medische indicatie betreft, een gewichtige rede; vraag ik u of we tot een financiële oplossing kunnen komen betreffende de betalingen die reeds gedaan zijn.

(…)

[geïntimeerde] heeft nu de opleiding gedurende 2,5 maand gevolgd. We hebben inmiddels € 7800,- voldaan.

Graag verneem ik van u hoe TIO hierin tegemoet kan komen, dit hebben wij ook niet voorzien.”

1.6.

TIO heeft in haar brief aan de vader van [geïntimeerde] van 12 december 2012 de opzegging van de studieovereenkomst bevestigd en heeft voorts in die brief geschreven:

“U geeft ons in overweging om af te wijken van de algemene bepalingen uit de studieovereenkomst. Onze handelswijze is echter, mede vanwege precedentwerking, vast te houden aan het overeengekomene uit de studieovereenkomst. Niet alleen ten aanzien van de verplichtingen van Tio, maar ook die van cliënt. Tio handhaaft derhalve de factuur van het collegegeld.”

1.7.

[geïntimeerde] heeft in totaal een bedrag van € 11.801,10 (€ 12.600,00 minus
€ 798,90) aan cursusgeld aan TIO betaald.

2. In conventie heeft TIO - zakelijk weergegeven - gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van het onbetaald gelaten bedrag van € 798,90 aan hoofdsom en een bedrag van € 810,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, beide bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. Voorts heeft TIO gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten, waaronder de nakosten. TIO heeft primair aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij met [geïntimeerde] een overeenkomst heeft gesloten en dat op grond van die overeenkomst op [geïntimeerde] een verbintenis rust tot betaling van het (volledige) cursusgeld, en subsidiair dat genoemde verbintenis voortvloeit uit het annuleringsbeding. Meer subsidiair maakt TIO aanspraak op volledige betaling op grond van artikel 7:411 lid 2 BW.

3. In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd dat TIO wordt veroordeeld tot terugbetaling aan hem van het bedrag aan cursusgeld dat hij onverschuldigd aan TIO heeft betaald, te weten het bedrag van € 8.838,90. [geïntimeerde] stelt daartoe dat het annuleringsbeding nietig is en TIO op de voet van het bepaalde in artikel 7:411 BW slechts aanspraak kan maken op vergoeding van een redelijk loon en dat die vergoeding – rekening houdend met besparingen – moet worden bepaald op € 2.363,00. Voorts vordert [geïntimeerde] dat TIO wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 816,95 aan buitengerechtelijke kosten en dat TIO wordt veroordeeld in de proceskosten in reconventie.

4. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie de vordering van TIO afgewezen en in reconventie TIO veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van in totaal € 8.901,85. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 8.084,90 wegens onverschuldigde betaling en een bedrag van € 816,95 aan buitengerechtelijke kosten.

5. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat, samengevat: (i) de overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 lid 1 BW, (ii) de vorderingen in conventie zijn gegrond op nakoming van het in de algemene voorwaarden opgenomen annuleringsbeding, (iii) het annuleringsbeding naar inhoud en strekking onredelijk bezwarend is en [geïntimeerde] dit beding daarom op goede gronden heeft vernietigd, (iv) op grond van artikel 7:411 BW een redelijk loon dient te worden bepaald, (v) dit redelijke loon in de omstandigheden van het geval neerkomt op een bedrag van € 3.817,00, (vi) [geïntimeerde] gelet op genoemd redelijk loon een bedrag van

€ 8.084,90 onverschuldigd aan TIO heeft betaald, en (vii) [geïntimeerde] aanspraak kan maken op het door hem gevorderde bedrag van € 816,95 aan buitengerechtelijke kosten.

6. TIO vordert in het principaal beroep - zakelijk weergegeven - dat het vonnis in conventie en reconventie wordt vernietigd en het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de vorderingen van TIO in conventie alsnog toewijst, de vorderingen van
[geïntimeerde] in reconventie alsnog afwijst, [geïntimeerde] veroordeelt tot terugbetaling van de reeds door TIO aan hem betaalde bedragen aan hoofdsom en proceskosten en
veroordeelt in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

7. In het incidenteel beroep vordert [geïntimeerde] naar het hof begrijpt - zakelijk weergegeven - dat het vonnis in reconventie wordt vernietigd, doch enkel wat betreft de hoogte van het in reconventie toegewezen bedrag, en het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: het in reconventie toegewezen bedrag bepaalt op € 10.233,22
(€ 8.901,85 plus € 1.331,37) te vermeerderen met door TIO bespaarde kosten en met rente, en TIO veroordeelt in de kosten van het hoger beroep.

8. De zeven grieven van TIO in het principaal beroep zijn gericht tegen de hiervóór in rov. 5 bij (ii) tot en met (vii) genoemde oordelen. De twee grieven van [geïntimeerde] in het incidenteel beroep zijn (uitsluitend) gericht tegen de hiervóór in rov. 5 bij (v) en (vi) genoemde oordelen.

9. Daar geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een overeenkomst van opdracht is als bedoeld in artikel 7:400 lid 1 BW, zal ook het hof daarvan uitgaan. Hierbij verdient opmerking dat het hof ook in een eerder geval aansluiting heeft gezocht bij de overeenkomst van opdracht (hof Den Haag 1 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2303).

10. De grieven in het principaal beroep en in het incidenteel beroep zullen hierna gezamenlijk en per onderwerp worden behandeld.

Moet het annuleringsbeding worden getoetst?

11. In haar grieven betoogt TIO dat de kantonrechter ten onrechte heeft getoetst of het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is. Ter onderbouwing stelt TIO – zakelijk weergegeven – het volgende. De vordering van de hoofdsom volgt rechtstreeks uit de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. Door de ondertekening van het aanmeldingsformulier rust op [geïntimeerde] een verplichting tot betaling van het gehele cursusgeld. Deze verplichting raakt de kern van de overeenkomst. De latere opzegging kan [geïntimeerde] niet van deze verplichting ontslaan, omdat een opzegging niet leidt tot verval van verplichtingen die reeds vóór de opzegging bestonden. Het annuleringsbeding vormt enkel een bevestiging van genoemde inhoud van de overeenkomst. Omdat de verplichting tot betaling van het gehele cursusgeld niet door het (in de algemene voorwaarden opgenomen) annuleringsbeding in het leven wordt geroepen, maar berust op de inhoud van de overeenkomst zelf, is toetsing van het annuleringsbeding aan artikel 6:233 aanhef en onder a BW of Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) niet aan de orde. TIO stelt in haar grieven verder dat de Richtlijn niet van toepassing is omdat het annuleringsbeding een kernbeding is als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de Richtlijn.

12. [geïntimeerde] betwist dat op grond van de overeenkomst op hem een verplichting tot betaling van het gehele cursusgeld rust. Hij voert in dit verband aan dat het aanmeldingsformulier niets inhoudt over de verschuldigd van het cursusgeld (bij annulering), maar dat daarop juist vermeld staat dat de aanmelding betrekking heeft op het studiejaar 2012/2013. Van een kernbeding is volgens [geïntimeerde] geen sprake.

13. Het hof overweegt als volgt. Gelet op rechtspraak van het Hof van Justitie EU is de rechter ambtshalve gehouden na te gaan of een contractueel beding valt binnen de werkingssfeer van de Richtlijn en zo ja, te onderzoeken of dit beding in de door de Richtlijn bedoelde zin oneerlijk is. De Richtlijn is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde, maar een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is het hiervoor bedoelde onderzoek – zo nodig ambtshalve – te verrichten indien de Richtlijn die verplichting meebrengt.

14. Daargelaten dat naar het oordeel van het hof niet direct valt in te zien dat [geïntimeerde] (de algemene voorwaarden weggedacht) had moeten begrijpen dat door de enkele aanmelding voor de opleiding op hem de verplichting kwam te rusten tot betaling van het gehele cursusgeld, ook indien hij de opleiding voortijdig zou moeten of zou willen beëindigen, stelt het hof vast dat het beding valt binnen de werkingssfeer van de Richtlijn. Het gaat hier immers om een overeenkomst tussen een professional (een verkoper als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van de Richtlijn) en een consument (als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Richtlijn) en een beding als bedoeld in artikel 3 van de Richtlijn waarover - naar moet worden aangenomen, TIO heeft hieromtrent immers niet gesteld - niet afzonderlijk is onderhandeld. Het maakt dus niet uit of het beding volgt uit de voorkant van het aanmeldingsformulier (de overeenkomst zelf, zoals TIO betoogt) of uit de algemene voorwaarden. Doorslaggevend is de strekking van de bepaling. Het annuleringsbeding bevat een regeling met betrekking tot de verschuldigdheid van het cursusgeld in situaties waarin de cursist de opleiding na een bepaalde datum annuleert. Daarmee bepaalt het annuleringsbeding niet het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. TIO kan dan ook niet worden gevolgd in haar stellingname dat het annuleringsbeding onder de reikwijdte van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn valt.

15. Het hof dient dus te toetsen of het annuleringsbeding onredelijk bezwarend of oneerlijk is.

Is sprake van een oneerlijk beding?

16. Om te bepalen of een beding ten nadele van een consument een "aanzienlijke verstoring van het evenwicht" tussen de uit een overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Bij de beoordeling of er eventueel sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht, dienen alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst alsook alle andere bedingen daarvan in aanmerking te worden genomen, en dient rekening te worden gehouden met de aard van het goed of de dienst waarop die overeenkomst betrekking heeft (zie HvJEU 16 januari 2014, ECLI:EU:C:2014:10).

17. Ingevolge artikel 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst opzeggen. Voor de gevolgen van die opzegging moet naar het oordeel van het hof aansluiting worden gezocht bij artikel 7:411 BW, waarin is bepaald op welk loon de opdrachtnemer recht heeft in gevallen waarin de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken. Hieraan kan niet afdoen dat, zoals door TIO is aangevoerd, in de overeenkomst niet expliciet is bepaald dat de verschuldigdheid van het cursusgeld afhankelijk is van de volbrenging van de opdracht of van het verstrijken van de tijd waarvoor de opdracht is verleend, voor welke situaties artikel 7:411 BW is geschreven.

18. Van beide hiervóór genoemde bepalingen kan op grond van artikel 7:413 lid 2 j˚ 408 lid 3 BW niet worden afgeweken ten nadele van een consument-opdrachtgever.

19. Het annuleringsbeding bepaalt aan de ene kant dat de cursist te allen tijde mag opzeggen. Aan de andere kant heeft TIO op grond van het annuleringsbeding in geval van opzegging in alle gevallen, ongeacht de omstandigheden, recht op het volledige cursusgeld (loon). Daarmee is naar het oordeel van het hof geen sprake van een reële mogelijkheid tot opzegging en is het annuleringsbeding strijdig met (de geest van) de artikelen 7:408 lid 1 BW en 7:411 BW. Dat klemt temeer omdat het in dit geval om een substantieel bedrag aan cursusgeld gaat (€ 12.600,00) en om een substantiële contractuele opleidingsduur (een volledig jaar). Gelet op de opleidingsduur bestaat een niet te verwaarlozen kans dat een cursist de opleiding, al dan niet buiten zijn schuld, voortijdig moet beëindigen. Die kans heeft zich in het onderhavige geval verwezenlijkt, nu [geïntimeerde] driekwart van de opleiding niet heeft kunnen volgen.

20. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het annuleringsbeding in de verhouding tussen [geïntimeerde] en TIO onredelijk bezwarend is als bedoeld in
artikel 6:233 aanhef en onder a BW en daarmee oneerlijk in de zin van de Richtlijn. Het hof is gehouden het annuleringsbeding te vernietigen, zodat TIO daarop in dit geding geen beroep kan doen. Aan dit oordeel kan niet afdoen dat, zoals door TIO is gesteld, het annuleringsbeleid is afgestemd met diverse instanties, zoals de Consumentenbond en de Autoriteit Consument & Markt.

Het redelijk loon

21. Voor de gevolgen van de opzegging, en meer in het bijzonder de verschuldigdheid van loon, dient – zoals ook in r.o. 17 overwogen - naar het oordeel van het hof aansluiting te worden gezocht bij het bepaalde in artikel 7:411 BW. Ingevolge artikel 7:411 lid 1 BW heeft TIO recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon en dient bij de bepaling daarvan onder meer rekening te worden gehouden met de reeds door TIO verrichte werkzaamheden, het voordeel dat [geïntimeerde] daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is beëindigd.

22. TIO en [geïntimeerde] richten zich in hun grieven tegen de vaststelling door de kantonrechter van het redelijk loon. TIO vindt het in het vonnis vastgestelde redelijk loon van € 3.717,00 te laag, terwijl dat bedrag volgens [geïntimeerde] juist te hoog is.

23. TIO heeft in ieder geval recht op vergoeding van de werkzaamheden die zij vóór de opzegging van [geïntimeerde] heeft verricht. Bij de bepaling van die vergoeding neemt het hof als uitgangspunt de tijd die is verstreken tussen het moment waarop de cursus aanving, te weten 1 september 2012, en het moment waarop namens [geïntimeerde] is opgezegd, te weten 1 december 2012. Dan gaat het dus om een periode van drie maanden. Dat [geïntimeerde] , zoals hij in zijn grieven stelt, door zijn psychische gesteldheid slechts twee en een halve maand daadwerkelijk gebruik heeft kunnen maken van de diensten van TIO, vormt geen aanleiding bij de berekening uit te gaan van een periode die korter is dan genoemde drie maanden. Pas door zijn opzegging op 1 december 2012 maakte [geïntimeerde] immers formeel een einde aan de door hem gevolgde opleiding en moest ook voor TIO duidelijk zijn dat [geïntimeerde] die opleiding niet zou vervolgen. Het hof gaat voorts bij zijn berekening van de redelijke vergoeding voor verrichte werkzaamheden uit van het volledige cursusgeld. Niet in geschil is dat het cursusgeld op jaarbasis € 12.600,00 bedraagt. Het hof zal de vergoeding voor de vóór de opzegging verrichte werkzaamheden naar evenredigheid vaststellen op (€ 12.600,00 gedeeld door 4 =) € 3.150,00.

24. De vraag is of TIO recht heeft op meer. TIO beroept zich in haar grieven op artikel 7:411 lid 2 BW, waarin is bepaald dat de opdrachtnemer bij voortijdige beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden (te weten indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volledige loon, gelet op alle omstandigheden van het geval redelijk is) recht heeft op het volledige loon. Van een situatie waarin - gelet op alle omstandigheden van het geval - redelijk is dat het volledige loon verschuldigd is, is in het onderhavige geval geen sprake. Daartoe overweegt het hof dat de reden van de opzegging weliswaar ligt in de risicosfeer van [geïntimeerde] , maar dat gesteld noch gebleken is dat hem van zijn ziekte een verwijt kan worden gemaakt. Voorts is het hof er niet van overtuigd dat TIO, zoals zij stelt, bij de vorming van klassen en het aangaan van verplichtingen wél rekening houdt met late aanmeldingen (zoals in dit geval door [geïntimeerde] ), maar dat zij geen rekening kan houden met uitval (zoals in dit geval, door ziekte). Het hof acht het daarom niet redelijk dat TIO in het onderhavige geval het gehele (bedrijfs)risico van voortijdige uitval door ziekte legt bij [geïntimeerde] .

25. Bij de beantwoording van de vraag of het redelijk is bij de vaststelling van het redelijk loon als bedoeld in artikel 7:411, lid 1 BW voornoemd risico te verdelen tussen TIO en [geïntimeerde] (omdat TIO – zoals zij stelt – bij aanvang van het jaar al kosten heeft gemaakt, dan wel verplichtingen is aangegaan waar zij niet meer vanaf kan) past terughoudendheid. Deze vraag beantwoordt het hof daarom ontkennend. Bij een ruime toepassing zou immers afbreuk kunnen worden afgedaan aan de afschrikwekkende werking van een vernietiging van algemene voorwaarden en daarmee aan een effectieve bescherming van consumenten tegen oneerlijke bedingen.

26. Het voorgaande brengt mee dat het hof het redelijk loon zal vaststellen op
€ 3.150,00.

Buitengerechtelijke kosten

27. TIO richt zich met haar principale grief VI tegen de toewijzing door de kantonrechter van het door [geïntimeerde] in reconventie gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten. TIO stelt dat door [geïntimeerde] geen buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt in het kader van zijn vordering in reconventie. Er heeft alleen (schikkings)overleg plaatsgevonden in het kader van de vordering in conventie. [geïntimeerde] heeft dit niet – althans onvoldoende gemotiveerd – weersproken. De grief slaagt derhalve. De door [geïntimeerde] gevorderde kosten zullen worden afgewezen.

Conclusie en proceskosten

28. Op grond van het voorgaande falen de op het vonnis in conventie gerichte principale grieven I tot en met III van TIO. De door TIO gevorderde hoofdsom is terecht afgewezen. Daarom faalt ook de principale grief V van TIO, die is gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de door TIO over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De op het vonnis in reconventie gerichte principale grief VI van TIO slaagt. Met betrekking tot de toegewezen hoofdsom in reconventie geldt dat de daartegen gerichte incidentele grief deels slaagt en de principale grief IV faalt.

29. Bij gebreke van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

30. De beoordeling door het hof leidt tot het volgende. Het vonnis in conventie dient te worden bekrachtigd. Het vonnis in reconventie kan niet in stand blijven wat betreft de hoogte van het aan [geïntimeerde] toegewezen bedrag. Opnieuw rechtdoende zal het hof het door TIO aan [geïntimeerde] te betalen bedrag bepalen op € 8.651,10. Dit bedrag is berekend door van het door [geïntimeerde] betaalde bedrag aan cursusgeld (€ 11.801,10) het door het hof vastgestelde bedrag aan redelijk loon (€ 3.150,00) af te trekken.

31. Het bedrag aan redelijk loon is door het hof vastgesteld op een lager bedrag
(€ 3.150,00) dan het bedrag aan redelijk loon dat door de kantonrechter is bepaald
(€ 3.817,00). Nu het hof echter, in tegenstelling tot de kantonrechter, de gevorderde buitengerechtelijke kosten zal afwijzen, zal het per saldo door TIO aan [geïntimeerde] te betalen bedrag worden bepaald op een lager bedrag - te weten het bedrag van € 8.651,10 - dan het bedrag van € 8.901,85 dat in eerste aanleg in reconventie is toegewezen.
Vast staat dat TIO het in eerste aanleg in reconventie aan [geïntimeerde] toegewezen bedrag aan [geïntimeerde] heeft betaald. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van het verschil tussen dit bedrag en het bedrag dat door het hof zal worden bepaald. Dit verschil bedraagt (€ 8.901,85 minus € 8.651,10 =) € 250,75. Over dit bedrag zal wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment waarop TIO het in eerste aanleg in reconventie toegewezen bedrag van € 8.901,85 aan [geïntimeerde] heeft betaald tot het moment waarop [geïntimeerde] het bedrag van € 250,75 volledig aan TIO heeft terugbetaald.

32. TIO zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal beroep en het incidenteel beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, in conventie tussen partijen gewezen vonnis van 13 juni 2014,

- vernietigt het door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, in reconventie tussen partijen gewezen vonnis van 13 juni 2014, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van het door TIO aan [geïntimeerde] te betalen bedrag,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- bepaalt de hoogte van het door TIO aan [geïntimeerde] te betalen bedrag op € 8.651,10,

- bekrachtigt het door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, in reconventie tussen partijen gewezen vonnis van 13 juni 2014 voor het overige,

- veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan TIO van het bedrag van € 250,75 en bepaalt dat [geïntimeerde] over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment van betaling door TIO tot en met de dag der algehele voldoening door [geïntimeerde] ,

- veroordeelt TIO in de kosten van het geding in principaal beroep, aan de zijde van
[geïntimeerde] tot op heden begroot op een bedrag van € 308,00 aan griffierecht en een bedrag van € 1.896,00 aan salaris advocaat,

- veroordeelt TIO in de kosten van het geding in incidenteel beroep, aan de zijde van
[geïntimeerde] tot op heden begroot op een bedrag van € 948,00 aan salaris advocaat,

- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, W.M. Limborgh en E.D.G. Kiersch, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.