Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:478

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
200.179.001/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

retentierecht op kraan(onderdelen). Eigen recht op aflevering geadresseerde. Contractueel verlengd retentierecht werkt niet tegen geadresseerde die niet de wederpartij is van de vervoerder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 290
Burgerlijk Wetboek Boek 8
Burgerlijk Wetboek Boek 8 1131
Burgerlijk Wetboek Boek 10
Burgerlijk Wetboek Boek 10 129
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/67
RCR 2016/47
JOR 2016/308
NTHR 2016, afl. 3, p. 200
INS-Updates.nl 2016-0134
INS-Updates.nl 2016-0122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.179.001/01

Zaaknummer rechtbank : 483262 / KG15-919

arrest in kort geding van 8 maart 2016

inzake

[X] Towercranes GmbH,

gevestigd te Waldlaubersheim, Duitsland,

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

hierna te noemen: [X] Towercranes,

advocaat: mr. R.E. Jonen te Amsterdam,

tegen:

Alphatrans B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

hierna te noemen: Alphatrans,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij exploot van 15 oktober 2015 is [X] Towercranes in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 24 september 2015. In het exploot heeft [X] Towercranes twee grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht en vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd met toewijzing van de vorderingen van [X] Towercranes als vermeld in het petitum.

1.2

Bij memorie van grieven heeft [X] Towercranes een aantal producties in het geding gebracht en geconcludeerd tot volharding.

1.3

Bij tussenarrest van 10 november 2015 heeft het hof een comparitie van partijen gelast.

1.4

Bij memorie van antwoord tevens inhoudende voorwaardelijk incidenteel appel heeft Alphatrans de grieven bestreden en heeft zij voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld, een en ander onder overlegging van producties.

1.5

Op 15 januari 2016 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.6

Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.

Beoordeling in hoger beroep

Het hof zal uitgaan van de hieronder vermelde feiten.

2.1

[X] Towercranes heeft een torenkraan van het merk [X] Towercrane, type WT 650 Electronic Tower Crane verhuurd aan HTC Plant Ltd te Sheffield in het Verenigd Koninkrijk, ten behoeve van een bouwproject in Londen.

2.2

[Y] Bouwmaterieel B.V. te Zeewolde (hierna: [Y] ) heeft het vervoer van en naar Londen van de kraan en de opbouw en demontage op de bouwplaats in Londen geregeld. Voor het terugvervoer van Londen naar Waldlaubersheim, Duitsland, heeft [Y] de vervoerder Alphatrans ingeschakeld.

2.3

In artikel 7.10 van de Algemene Bedrijfsvoorwaarden van Alphatrans, die van toepassing zijn op de vervoerovereenkomst tussen [Y] en Alphatrans, is bepaald:

“Opdrachtnemer is gerechtigd goederen, gelden en documenten, deze laatste in de meest ruime zin des woords jegens een ieder die daarvan afgifte verlangt, terug te houden voor rekening en risico van Opdrachtgever en/of eigenaar tot alle vorderingen, al dan opeisbaar in welke valuta dan ook, van Opdrachtnemer zijn voldaan of wel bij doorzending der goederen het verschuldigde bedrag onder rembours te ontvangen en te verrekenen.”

2.4

Alphatrans heeft de onderdelen van de kraan op een aantal trailers geladen en naar haar bedrijfsterrein in Rotterdam vervoerd. Vervolgens heeft zij [Y] bericht dat zij het transport niet verder zou uitvoeren wegens een achterstand in de betalingen van [Y] aan Alphatrans.

2.5

Bij e-mail van 5 augustus 2015, 1:42 PM, heeft [Z] van Alphatrans aan [Y] van [Y] geschreven:

“Wanneer u vandaag de toegezegde 24K overmaakt en wij deze ook op onze bankrekening hebben mogen ontvangen kunnen wij weer voor u gaan rijden.”

2.6

Bij e-mail van 5 augustus 2015, 14:01, heeft S. Winkler van [Y] aan [Z] geantwoord:

“Dank voor uw bericht. Zojuist in ons telefonisch gesprek hebben wij aangegeven dat uw omschrijving wat summier is, en derhalve een correcte bevestiging nodig hebben op onderstaand verzoek:

Indien [Y] Bouwmaterieel BV een bedrag van EUR 24.000,00 overmaakt aan Alphatrans BV, zullen de volgende transporten binnen 3 werkdagen afgeleverd worden:

EB15104541 t/m EB15104544 resp. de transporten naar Breda NL

en

EB15104684

EB15104705 t/m EB15104715

Resp. de transporten naar Waldlaubersheim (D)

Zodra wij uw schriftelijke bevestiging hebben ontvangen, gaan wij direct over tot betaling en aanleveren van het betalingsbewijs.”

2.7

In antwoord op de onder 2.6 bedoelde mail heeft [Z] bij e-mail van 5 augustus 2015, 2.19 PM, aan [Y] / Severin (Winkler, hof) van [Y] geschreven:

“Als het de Eur 24.000,- vandaag op de rekening staat dan kunnen wij akkoord gaan met onderstaande voorwaarden.”

2.8

Bij e-mail van 5 augustus 2015, 14 h 31 min 54 s Central European Summer Time, heeft [Y] aan [Z] van Alphatrans geschreven:

“Betaling is doorgevoerd.”

2.9

[Y] heeft op 5 augustus 2015 een bedrag van € 24.000,- overgemaakt aan Alphatrans.

2.10

Bij e-mail van 7 augustus 2015 heeft [Z] aan [Y] geschreven:

“Zoals overeengekomen hebben wij het project Breda in zijn geheel uitgeleverd.

Wij hebben van u een betaling a.d. Euro 24.000,- mogen ontvangen welke wij op de oudste openstaande facturen hebben afgeboekt zoals verwerkt in onderstaand overzicht.

Volledigheidshalve hierbij de factuurnummers op welke de betaling is afgeboekt

(11506849/11506850/11506851/11506852/11506853/11506854/11506855/11506856/11507107/11507108).

(…)

Momenteel staan er nog 32 facturen open met een bedrag van euro 57.868,60.

Gaarne aangeven wanneer u deze gaat voldoen, zodat wij kunnen gaan beginnen met het uitleveren van de vrachten naar Waldlaubersheim (DE).”

2.11

Alphatrans heeft het transport van de kraan(onderdelen) die moest(en) worden afgeleverd in Waldlaubersheim, Duitsland, niet hervat.

2.12

Op 28 augustus 2015 heeft Alphatrans bij de rechtbank Midden-Nederland het faillissement van [Y] aangevraagd. De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 september 2015, waarna [Y] in staat van faillissement is verklaard.

3. [X] Towercranes vordert in dit kort geding, na wijziging van eis, dat Alphatrans wordt veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen arrest de kraan – primair – te transporteren naar en af te leveren aan [X] Towercranes in Waldlaubersheim, althans – subsidiair – af te geven in Rotterdam aan [X] Towercranes of een door haar aan te wijzen derde, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 per dag of deel van een dag dat Alphatrans nalatig zou zijn met de uitvoering van enig onderdeel van deze veroordeling, met afwijzing van de reconventionele vordering van Alphatrans en met veroordeling van Alphatrans in de kosten van het geding in beide instanties.

4. Alphatrans vordert in voorwaardelijk incidenteel beroep toewijzing van haar voorwaardelijke reconventionele vordering die ertoe strekt dat [X] Towercranes zal worden veroordeeld tot betaling van de openstaande vorderingen van Alphatrans op [Y] wegens vrachtpenningen ad in totaal € 57.868,64, alsmede tot betaling van de transportkosten van de kraan(onderdelen) van Rotterdam naar Waldlaubersheim, Duitsland ad € 12.000,00, en voorts tot betaling van de kosten wegens kadehuur à € 50,- per dag en de omzetderving à € 70,- per dag, berekend vanaf 1 augustus 2015 tot de datum van afgifte, met veroordeling van [X] Towercranes in de kosten van het geding in beide instanties.

5 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [X] Towercranes afgewezen. Daartegen komt [X] Towercranes in hoger beroep op. De grieven hebben de strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen.

6. Aan de Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe in deze zaak, nu de gedaagde partij, Alphatrans, in Nederland is gevestigd, dan wel omdat partijen een geldige stilzwijgende forumkeuze voor de Nederlandse rechter hebben gedaan.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat ook in hoger beroep sprake is van een spoedeisend belang.

8. [X] Towercranes heeft aan haar onder 3 vermelde vorderingen primair ten grondslag gelegd dat zij op grond van aanvaarding van een ten gunste van haar geldend derdenbeding recht heeft op aflevering van de kraan(onderdelen) in Waldlaubersheim. Subsidiair heeft zij haar vorderingen doen steunen op een onrechtmatige daad. In dat verband heeft zij gesteld dat zij (economisch) eigenaar is van de kraan(onderdelen) en dat Alphatrans onrechtmatig jegens haar handelt door de kraan(onderdelen) niet af te leveren c.q. af te geven.

9. Nu de tussen [Y] en Alphatrans gesloten vervoerovereenkomst valt onder het toepassingsgebied van de CMR (artikel 1 CMR), moet voorshands worden aangenomen dat dit verdrag daarop van toepassing is. Het betreft hier immers een overeenkomst tot vervoer tegen betaling van goederen over de weg door middel van voertuigen, terwijl de plaats van inontvangstneming en de plaats van aflevering zijn gelegen in twee verschillende landen waarvan ten minste één een partij bij het CMR-verdrag is. Zowel het land van de plaats van inontvangstneming (Verenigd Koninkrijk) als het land van de plaats van aflevering (Duitsland) is partij bij de CMR. Dat een deel van het vervoer over zee diende plaats te vinden, doet aan de toepasselijkheid van de CMR niet af, gelet op artikel 2 daarvan, dat bepaalt dat de CMR in dat geval ook van toepassing is, op voorwaarde dat de goederen niet worden gelost uit het voertuig. In het onderhavige geval zijn de kraanonderdelen vervoerd op trailers. Het hof acht voorshands aannemelijk, nu niet van het tegendeel is gebleken, dat de kraanonderdelen tijdens het zeevervoer niet van de trailers zijn gehaald. De CMR is van toepassing ongeacht of de vervoerovereenkomst is vastgelegd in een vrachtbrief (artikel 4 CMR). Het hof wijst bovendien op artikel 3.1 jo. 3.2 van de te dezen toepasselijke algemene voorwaarden van Alphatrans, waarin is bepaald dat het CMR-verdrag naast de algemene voorwaarden van toepassing is, voor zover daarvan in de algemene voorwaarden niet wordt afgeweken. Volgens artikel 41 CMR kunnen partijen bij een vervoersovereenkomst waarop de CMR van toepassing is, in hun overeenkomst niet van de bepalingen van de CMR afwijken: met die bepalingen strijdige bedingen zijn nietig.

10. Artikel 13 lid 1 CMR bepaalt (in de Nederlandse vertaling):

Na aankomst van de goederen op de plaats bestemd voor de aflevering, heeft de geadresseerde het recht van de vervoerder te vorderen dat het tweede exemplaar van de vrachtbrief aan hem wordt overhandigd en de goederen aan hem worden afgeleverd, een en ander tegen ontvangstbewijs. Wanneer verlies van de goederen is vastgesteld of de goederen aan het einde van de termijn, bedoeld in artikel 19, niet zijn aangekomen, is de geadresseerde gerechtigd om op eigen naam tegenover de vervoerder gebruik te maken van de rechten, die uit de vervoerovereenkomst voortspruiten.

11. Naar het voorlopige oordeel van het hof is voldoende aannemelijk dat [X] Towercranes onder de tussen Alphatrans en [Y] gesloten vervoerovereenkomst als geadresseerde heeft te gelden. Weliswaar is in dit geding geen vrachtbrief overgelegd en is gesteld noch gebleken dat een vrachtbrief is afgegeven waarin [X] Towercranes als geadresseerde is vermeld, maar tussen partijen is niet in geschil dat Alphatrans de kraanonderdelen volgens de vervoerovereenkomst moest afleveren aan [X] Towercranes op het zaakadres van [X] Towercranes in Duitsland (inleidende dagvaarding onder 2; appeldagvaarding onder 2 en 15). Uit artikel 13 lid 1 CMR, tweede volzin volgt dat [X] Towercranes als geadresseerde in dit geval, waarin voorshands voldoende aannemelijk is dat de goederen niet tijdig (zie artikel 19 CMR) zijn aangekomen op de plaats van bestemming, op eigen naam tegenover de vervoerder Alphatrans aflevering van de vervoerde zaken kan vorderen. Weliswaar heeft [X] Towercranes zich niet expliciet beroepen op artikel 13 lid 1 CMR, maar zij heeft zich wel beroepen op haar recht als geadresseerde om aflevering van de te transporteren zaak te vorderen. In dit verband heeft [X] Towercranes betoogd (appeldagvaarding onder 18):

“(…)uit het feit dat het een transportovereenkomst betreft, van de strekking dat aflevering van de te transporteren zaak op een bepaald adres en aan een bepaalde derde dient plaats te vinden, vloeit onmiddellijk voort dat die betreffende derde groot belang heeft bij het transport en bij de aflevering, bij uitvoering van de verbintenis die op de transporteur rust. (…) zodat (…) de tussen de oorspronkelijke partijen overeengekomen verplichting tot aflevering aan [X] Towercranes jegens [X] Towercranes als derdenbeding kwalificeert.”

Het hof dient dan ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen en dus artikel 13 lid 1 CMR toe te passen.

12. Alphatrans heeft nog gesteld dat zij haar toezegging om de meerbedoelde transporten uit te voeren tegen betaling van € 24.000,- enkele dagen later heeft herroepen, maar zij heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd op grond waarvan zij jegens [Y] als afzender eenzijdig mocht terugkomen op de gemaakte afspraak. Het hof is dan ook voorshands van oordeel dat het recht op aflevering van [Y] door deze herroeping niet werd aangetast, zodat ook het uit artikel 13 lid 1 CMR voortvloeiende recht van [X] Towercranes hierdoor niet werd geraakt.

13. Alphatrans heeft zich tegen de vorderingen van [X] Towercranes mede verweerd met een beroep op een retentierecht.

14. De CMR regelt het retentierecht niet en laat dit dus over aan het nationale recht. De vraag of een retentierecht bestaat en wat de inhoud daarvan is, wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de rechtsverhouding waaruit het retentierecht voortspruit (HR 7 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4123; artikel 10:129 BW). Partijen zijn het erover eens dat op de vervoerovereenkomst tussen Alphatrans en [Y] Nederlands recht van toepassing is. In dit geval is dus ook Nederlands recht van toepassing op de vraag naar het bestaan en de inhoud van het retentierecht. De teruggehouden kraanonderdelen bevinden zich voorts in Nederland, zodat ook de vraag in hoeverre het retentierecht geldend kan worden gemaakt, moet worden beantwoord naar Nederlands recht.

15. Met de voorzieningenrechter is het hof voorlopig van oordeel dat aan Alphatrans geen retentierecht toekomt op de kraanonderdelen waarop de transporten, genoemd in de onder 2.6 weergegeven e-mail, betrekking hebben.

16. De onder 2.5 tot en met 2.8 weergegeven e-mailcorrespondentie laat voorshands geen andere conclusie toe dan dat Alphatrans aan [Y] heeft toegezegd zich ten aanzien van die transporten (kraanonderdelen) niet langer op haar retentierecht te beroepen na ontvangst van een bedrag van € 24.000,- en dat [Y] een bedrag van € 24.000,- aan Alphatrans heeft betaald ter uitvoering van die afspraak. Ook als juist is dat [Y] bij de betaling andere ordernummers heeft genoemd dan die waren genoemd in de e-mail van Winkler aan [Z] van 5 augustus 2015, geldt dat Alphatrans gezien de inhoud van de mailwisseling en het moment van betaling moest begrijpen dat de betaling betrekking had op de in die mailwisseling gemaakte afspraak. Dit betekent dat aan Alphatrans in haar verhouding tot haar schuldenaar [Y] na genoemde betaling niet langer een retentierecht toekwam voor de kraanonderdelen die vielen onder die transporten. Waar Alphatrans geen retentierecht toekomt jegens [Y] , kan zij ook geen retentierecht tegenwerpen aan [X] Towercranes.

17. Wat betreft kraanonderdelen die niet zijn genoemd in de e-mailcorrespondentie van 5 augustus 2015 maar die wel behoorden tot de kraan die Alphatrans in opdracht van [Y] van Londen naar Waldlaubersheim moest vervoeren als bedoeld onder 2.2, geldt het volgende. De vraag of Alphatrans zich jegens [X] Towercranes op een retentierecht kan beroepen is afhankelijk van het antwoord op de vraag of Alphatrans voor het transport van die kraanonderdelen is betaald. Artikel 8:1131 BW bepaalt dat de vervoerder het recht van retentie kan uitoefenen op zaken of documenten die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, voor hetgeen hem verschuldigd is of zal worden terzake van het vervoer van die zaken. Is de vrachtprijs reeds betaald door [Y] , dan kan Alphatrans zich (ook) voor die kraanonderdelen niet beroepen op een retentierecht jegens [X] Towercranes. Naar Nederlands recht wordt aangenomen dat een contractueel “verlengd” retentierecht in beginsel niet kan worden ingeroepen jegens een geadresseerde die part noch deel heeft aan de niet-betaalde eerdere transporten. Bijzondere omstandigheden waarom [X] Towercranes het “verlengde” retentierecht toch tegen zich zou moeten laten werken, zijn gesteld noch gebleken. Alphatrans kan zich jegens [X] Towercranes dan ook niet beroepen op het contractueel bedongen “verlengde” retentierecht in haar algemene voorwaarden (zie hiervoor onder 2.3).

18. Nu [X] Towercranes aflevering althans afgifte van “de kraan” vordert zonder te specificeren welke onderdelen zij bedoelt, gaat het hof ervan uit, mede gelet op het door [X] Towercranes gedane beroep op de nadere overeenkomst zoals neergelegd in de e‑mailwisseling van 5 augustus 2015, dat de vordering van [X] Towercranes ziet op de kraanonderdelen die worden bestreken door de in de onder 2.6 genoemde e-mail van S. Winkler opgesomde transporten naar Waldlaubersheim, Duitsland, en dus niet op alle kraanonderdelen die behoren tot de door [X] Towercranes aan HTC Plant Ltd verhuurde kraan. Voor zover [X] Towercranes wel afgifte van alle kraanonderdelen beoogt te vorderen, heeft zij tegenover het beroep op het retentierecht onvoldoende gesteld dat ook de transporten die niet zijn genoemd in de overeenkomst van 5 augustus 2015 zijn betaald. Aldus heeft zij voor die transporten het door Alphatrans gedane beroep op een retentierecht onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat ten aanzien van de daaronder vallende kraanonderdelen haar vorderingen in dit kort geding niet toewijsbaar zijn.

19. Uit het voorgaande volgt dat naar het voorlopige oordeel van het hof de vordering van [X] Towercranes tot aflevering toewijsbaar is wat betreft de kraanonderdelen die vallen onder de transporten genoemd in de e-mail van Winkler d.d. 5 augustus 2015, hiervoor onder 2.6 weergegeven. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de primaire vordering zal alsnog worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal het hof toewijzen tot een bedrag van € 2.000,- per dag(deel) met een maximum van € 25.000,-. De termijn waarbinnen de aflevering dient plaats te vinden zal het hof stellen op twee weken na dagtekening van dit arrest.

20. Het hof begrijpt dat het voorwaardelijk incidenteel beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het hof zal oordelen dat [X] Towercranes het recht op aflevering dat voortspruit uit de vervoersovereenkomst geldend kan maken jegens Alphantrans. Aan die voorwaarde is blijkens het voorgaande voldaan, zodat het hof toekomt aan de behandeling van het voorwaardelijk incidenteel beroep.

21. Alphatrans vordert in het incidenteel beroep dat [X] Towercranes zal worden veroordeeld tot betaling van het vervoer van de kraanonderdelen van Rotterdam naar Waldlaubersheim, Duitsland, à € 12.000,-. Deze vordering is niet toewijsbaar, nu [X] Towercranes het recht op aflevering dat afzender [Y] ontleent aan de vervoerovereenkomst, geldend kan maken. Na de nadere overeenkomst van augustus 2015 en de betaling van € 24.000,- had [Y] recht op aflevering van de door die nadere overeenkomst bestreken kraanonderdelen, zonder dat Alphatrans zich erop zou kunnen beroepen dat het vervoer van die onderdelen nog niet (geheel) was voldaan. Datzelfde heeft dan gelet op artikel 13 lid 1, tweede volzin, van het CMR te gelden voor het recht op aflevering van [X] Towercranes als geadresseerde. Overigens is voorshands ook niet aannemelijk dat Alphatrans, die haar vervoersverplichtingen opschortte vanwege betalingsachterstanden van [Y] , aan [Y] vervolgens aflevering van bepaalde transporten zou toezeggen tegen betaling van € 24.000,-, zonder dat die transporten met de betaling van dat bedrag (volledig) waren betaald.

22. Tevens vordert Alphatrans betaling van een bedrag van € 57.868,64 ter zake van door [Y] aan haar verschuldigde, achterstallige vrachtpenningen. Alphatrans heeft niet gesteld dat het hier gaat om door Alphatrans verrichte transporten waarbij [X] Towercranes als geadresseerde betrokken was. Artikel 13 lid 1 CMR bepaalt dat de geadresseerde gerechtigd is op eigen naam tegenover de vervoerder gebruik te maken van de rechten die uit de vervoersovereenkomst voortspruiten, en lid 2 van die bepaling koppelt daaraan de verplichting de volgens de vrachtbrief verschuldigde bedragen te betalen. Hieruit valt af te leiden dat het gaat om een verplichting tot het betalen van (slechts) het vervoer in kwestie (en niet tot betaling van onbetaalde eerdere transporten). Naar het voorlopige oordeel van het hof brengt deze CMR-bepaling (dus) niet mee dat [X] Towercranes als geadresseerde in alle opzichten dezelfde positie krijgt als de afzender als partij bij de vervoerovereenkomst in die zin dat Alphatrans als vervoerder jegens [X] Towercranes als geadresseerde een vordering krijgt tot betaling van eerdere door Alphatrans in opdracht van [Y] verrichte transporten.

23. Ten slotte vordert Alphatrans vergoeding van de schade en kosten die voortvloeien uit de uitoefening van het door haar gepretendeerde retentierecht. Nu, zoals uit het voorgaande volgt, aan Alphatrans na de betaling door [Y] van € 24.000,- niet langer een retentierecht toekwam voor de kraanonderdelen die vielen onder die betalingsafspraak, komt deze schade voor haar eigen risico. Voor zover deze vordering het retentierecht op andere kraanonderdelen betreft, heeft Alphatrans onvoldoende toegelicht dat het vervoer van die kraanonderdelen onbetaald is gebleven en welk gedeelte van de gevorderde schadevergoeding hiervan het gevolg is.

24. Als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij zal Alphatrans worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding in beide instanties, in hoger beroep zowel in het principaal als in het incidenteel beroep.

Beslissing

Het hof, recht doende in kort geding:

- vernietigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 24 september 2015;

- veroordeelt Alphatrans om binnen twee weken na dagtekening van dit arrest de kraanonderdelen die vallen onder de transporten EB15104684 en EB15104705 t/m EB15104715 te transporteren naar en af te leveren aan [X] Towercranes op haar zaakadres in Waldlaubersheim, Duitsland, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- per dag of dagdeel dat Alphatrans nalaat aan die veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;

- wijst de vorderingen van Alphatrans in het voorwaardelijk incidenteel beroep af;

- veroordeelt Alphatrans in de kosten van het geding in beide instanties, wat betreft de eerste aanleg tot aan het bestreden vonnis aan de zijde van [X] Towercranes begroot op € 77,84 voor explootkosten, € 613,- voor griffierecht en € 816,- voor salaris van de advocaat, wat betreft het principaal hoger beroep tot op deze uitspraak aan de zijde van [X] Towercranes begroot op € 94,19 voor explootkosten, € 711,- voor griffierecht en € 1.788,- voor salaris van de advocaat en wat betreft het incidenteel beroep op nihil, voorts begroot op € 131,- aan nakosten indien geen betekening plaatsvindt dan wel € 199,- aan nakosten indien betekening plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit arrest;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M. Wattendorff, M.M. Olthof en D.A. Schreuder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.