Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:474

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
2200472316
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag op 19-jarige vriendin. Het hof acht voorwaardelijk opzet bewezen.

De verdachte verkeerde onder invloed van alcohol en drugs, maar hij heeft zichzelf in die situatie gebracht. De verdachte wordt niet verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Het hof legt een gevangenisstraf van 9 jaren op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004723-15

Parketnummer: 10-661057-15

Datum uitspraak: 24 februari 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

thans gedetineerd in PI Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van de impliciet primair ten laste gelegde moord vrijgesproken en ter zake van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 maart 2015 te Capelle aan den IJssel, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg) meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/keel, althans het lichaam van [slachtoffer] gestoken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het impliciet subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het handelen van de verdachte het gevolg was van een tevoren door hem genomen besluit. De verdachte wordt derhalve vrijgesproken van impliciet primair ten laste gelegde moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 maart 2015 te Capelle aan den IJssel opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk (met kracht) met een mes in de hals van [slachtoffer] gestoken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging

Het hof heeft acht geslagen op het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 14 maart 2015 is het levenloze lichaam van de 19-jarige vriendin van de verdachte, [slachtoffer], aangetroffen in de slaapkamer van hun woning in Capelle aan den IJssel. Uit de sectie op haar lichaam is gebleken dat zij om het leven is gekomen door verbloeding, opgetreden ten gevolge van een klieving rechts in de hals. De verdachte werd ook in de woning aangetroffen, te weten in de woonkamer, tegen het keukenblok aan. Hij lag in een foetushouding in een plas bloed. Naast de rechterhand van de verdachte lag een mes, dat onder het bloed zat. De verdachte bleek letsel aan armen, benen, hals en borst te hebben, te weten - deels - oppervlakkige kras- en snijverwondingen.

Bij nader verricht onderzoek werden door de hele woning – in de woonkamer, in de gang naar de badkamer en de slaapkamer en in de bad- en slaapkamer zelf - bloedsporen aangetroffen. Tevens werd onder het slachtoffer in de slaapkamer een bebloed heft van een mes aangetroffen en bij de deur naar de woonkamer een bebloed lemmet van zo’n 20 tot 30 centimeter.

Voorts blijkt uit het relaas van verbalisanten en uit de zich in het dossier bevindende foto’s dat het in de woning een chaos was. In de woonkamer was het glas van de salontafel kapot en lagen een laptop en een telefoon op de grond. In de badkamer waren de wc-bril en de glazen douchedeur gebroken en stond de badkuip vol met rood gekleurd water. Tevens was de ruit boven de voordeur vernield. Buiten lagen glas en een deurstopper op de grond.

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij zich niets kan herinneren van wat er zich in de woning heeft afgespeeld. De verdachte kan zich nog wel herinneren dat hij en het slachtoffer de avond ervoor uit eten zijn geweest om te vieren dat hij een nieuwe werkplek had gevonden, dat zij na het etentje naar huis zijn gegaan, dat het slachtoffer op een gegeven moment naar bed is gegaan en dat de verdachte toen in de woonkamer is gebleven. Tevens kan de verdachte zich nog herinneren dat hij die avond en nacht ongeveer 1,5 gram cocaïne heeft gesnoven en zes halve-liter blikjes bier, 5 gewone blikjes bier en een longdrinkglas cognac heeft gedronken.

Alternatief scenario: was er een derde in de woning aanwezig?

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw aangevoerd – overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – dat niet kan worden uitgesloten dat een derde persoon in de woning is geweest en dat deze persoon het slachtoffer om het leven heeft gebracht en de verdachte heeft verwond.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Een ter plaatse gekomen verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat de verdachte – tijdens het verlenen van hulp door het ambulancepersoneel – een kort moment bij zijn positieven kwam en dat hij hoorde dat de verdachte zei: “Laat me maar dood gaan”. Op de vraag van het ambulancepersoneel wie hem het letsel had toegebracht antwoordde de verdachte: “Ik heb dit zelf gedaan”.

Voorts heeft een verbalisant [verbalisant 2], die nadat de verdachte naar het ziekenhuis was gebracht in het ziekenhuis aanwezig was, gerelateerd dat de verdachte, op de vraag van de vader en/of de broer van de verdachte of er iemand in zijn huis was geweest, duidelijk en zonder toon van twijfel verklaarde dat er niemand in hun huis is geweest, dat hij het zelf heeft gedaan en dat hij drugs had gebruikt, en dat de vader daar weer op antwoordde “Maar je gebruikte die zooi toch niet meer” (p. 17).

De in de woning aangetroffen en door het NFI onderzochte bloedsporen – waaronder de bloedsporen die zijn aangetroffen op het heft, op het lemmet en op het mes dat bij de verdachte lag – bevatten DNA-materiaal afkomstig van de verdachte en/of van het slachtoffer. In geen van de door het NFI onderzochte bloedsporen is DNA-materiaal afkomstig van een derde aangetroffen. Het NFI heeft tevens onderzoek gedaan naar het letsel bij de verdachte en heeft ten aanzien van het grootste deel van dit letsel – gezien de aard van de letsels en de lokalisaties daarvan op het lichaam van de verdachte – geconcludeerd dat het veel waarschijnlijker is dat de verdachte dit bij zichzelf heeft aangebracht dan dat het letsel door een ander is toegebracht, en dat het letsel niet past bij afweerletsel. Ten aanzien van drie scherprandige verwondingen direct naast het borstbeen stelt het NFI dat perforerend letsel van de borstkaswand potentieel levensbedreigend letsel is, waardoor het aantreffen van dergelijk letsel minder waarschijnlijk is onder de hypothese dat de verdachte het zelf heeft toegebracht dan dat een ander het heeft toegebracht. Echter, het NFI concludeert vervolgens - gelet op de bevindingen dat de letsels horizontaal en dwars zijn georiënteerd ten opzichte van de lengte-as door de romp, het feit dat ze relatief eenvormig zijn en relatief dicht bijeen zijn aangebracht - dat het evenwel waarschijnlijker is dat deze verwondingen door de verdachte zelf zijn aangebracht dan dat de verwondingen door een derde zijn aangebracht.

Ook ten aanzien van de verwondingen voor in de hals, die eenvormig en parallel gerangschikt zijn, komt het NFI tot de conclusie dat het veel waarschijnlijker is dat ze door de verdachte zelf zijn toegebracht dan dat de verwondingen door een ander zijn toegebracht.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uitlatingen die de verdachte tegenover het ambulancepersoneel en zijn broer en/of vader heeft gedaan, te weten dat er geen derde in hun huis aanwezig was en dat hij het letsel bij zichzelf heeft toegebracht, bevestiging vinden in de door het NFI verrichte onderzoek aan de in de woning aangetroffen bloedsporen en het letsel van de verdachte.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat niets erop wijst dat een derde persoon in de woning aanwezig was die het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

Het hof heeft in zijn oordeelsvorming voorts betrokken dat de raadsvrouw een alternatief scenario, waarin niet de verdachte maar een derde persoon het slachtoffer om het leven heeft gebracht, op geen enkele manier heeft onderbouwd.

Alles overwegende gaat het hof er met de rechtbank van uit dat de verdachte alleen met het slachtoffer in de woning was toen haar de dodelijke steekwond werd toegebracht. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer om het leven heeft bracht. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Had de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer?

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat, ingeval het hof het aannemelijk zou achten dat de verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht, de verdachte dient te worden vrijgesproken nu de verdachte geen opzet had op de dood van het slachtoffer, ook niet in voorwaardelijke zin. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte, door de door drugs en alcohol veroorzaakte gemoedstoestand, geen inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat zogenaamd ‘boos opzet’ niet bewezen kan worden.

De aard en de omvang van het steekletsel bij het slachtoffer, te weten een diepe klieving in haar hals, is zodanig dat naar het oordeel van het hof de verdachte, door het slachtoffer op deze wijze en op deze plaats te steken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij hierdoor zou sterven. De verdachte had derhalve in elk geval het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

Dat de verdachte onder invloed verkeerde van alcohol en drugs en daardoor – naar is aangevoerd – geen inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn handelingen disculpeert hem niet. Immers, hij heeft zichzelf in deze situatie gebracht, terwijl als algemeen bekend mag worden verondersteld dat fors gebruik van cocaïne zeker in combinatie met (zeer) veel alcohol tot gewelddadig gedrag kan leiden.

Dat de verdachte niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard om in een drugspsychose te geraken, met de dood van zijn vriendin tot gevolg, zoals de verdediging heeft aangevoerd, is juridisch niet relevant. Nog afgezien van de vraag of sprake is geweest van zo’n psychose, ziet het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte uitsluitend op (de gevolgen van) het steken van het slachtoffer en niet op de gevolgen van het innemen van alcohol en drugs. Dat hij naar eigen zeggen juist rustig wordt van het gebruik van deze middelen, doet niet ter zake.

Tot slot merkt het hof op dat psycholoog Koudstaal en psychiater De Mon hebben geconcludeerd dat een drugspsychose niet is vast te stellen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer in de zin van voorwaardelijk opzet en dat de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Psycholoog drs. B. Koudstaal heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 26 juni 2015. Het hof heeft acht geslagen op dit rapport. De psycholoog heeft geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte vastgesteld, op grond waarvan de verdachte beperkt toerekeningsvatbaar zou zijn.

Psychiater drs. P.A. de Mon, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 24 juni 2015. Het hof heeft acht geslagen op dit rapport. Ook uit dit rapport volgt dat er bij betrokkene geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is vastgesteld. Zij kan geen uitspraak doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Tot slot hebben beiden geconcludeerd, zoals eerder overwogen, dat een drugspsychose niet is vast te stellen. Het hof kan zulks evenmin vaststellen.

Op basis van voornoemde rapporten, maar ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn negentienjarige vriendin, met wie hij samenwoonde, door een messteek in haar hals om het leven gebracht. Vermoedelijk viel de verdachte het slachtoffer aan terwijl zij in haar bed lag te slapen. Uit het afweerletsel op de hand van het slachtoffer is op te maken dat zij nog geprobeerd heeft om messteken af te weren. Het slachtoffer is echter door de diepe snijwond in haar nek doodgebloed. Gelet op de deze – vermoedelijke – gang van zaken, moet het slachtoffer doodsangsten hebben uitgestaan in de laatste ogenblikken van haar leven.

De verdachte heeft met deze daad op brute wijze een einde gemaakt aan het leven van zijn negentienjarige vriendin. Zij had nog een heel leven voor zich. Ook heeft de verdachte daarmee onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden en dierbaren van het slachtoffer. Zij moeten verder leven met vragen die onbeantwoord blijven, omdat de verdachte zegt zich niets meer te herinneren van hetgeen zich in die vroege ochtend in hun woning heeft afgespeeld.

Het door de verdachte gepleegde misdrijf is één van de zwaarste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht.

Het opzettelijk ontnemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven. Doodslag is bovendien een feit dat de rechtsorde ernstig schokt. Alleen een vrijheidsstraf van lange duur komt voor afdoening van dit feit in aanmerking. Bij het bepalen van de duur van de vrijheidsstraf voor doodslag hanteert het hof in beginsel als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of er in de onderhavige zaak feiten of omstandigheden zijn die oplegging van een lichtere of zwaardere straf rechtvaardigen.

Het hof overweegt dienaangaande allereerst dat het een recht van de verdachte is om in hoger beroep te gaan tegen een in zijn strafzaak gewezen vonnis. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het aanwenden van een rechtsmiddel en het feit dat de verdachte, ook in hoger beroep, heeft aangegeven dat hij zich niet kan herinneren wat zich in de woning heeft afgespeeld, geen strafverhogende werking heeft.

Het hof zal bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf wel in voor de verdachte nadelige zin rekening houden met de jonge leeftijd van het slachtoffer en de omstandigheid dat het slachtoffer op brute wijze en in haar eigen woning - een plek waar zij zich bij uitstek veilig had moeten voelen - om het leven is gebracht.

Anderzijds houdt het hof echter rekening met de omstandigheid dat de verdachte verder moet leven zonder de persoon met wie hij zijn leven wilde delen, en met de wetenschap dat hij voor haar dood verantwoordelijk is. Dat de verdachte hier onder lijdt acht het hof zeer aannemelijk en het hof heeft dat bij zijn oordeel betrokken. Voorts houdt het hof er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 januari 2016 een nagenoeg blanco strafblad heeft.

Het voorgaande tegen elkaar afwegende is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, een passende en geboden reactie vormt. Het hof geeft de advocaat-generaal daarbij in overweging om bij de tenuitvoerlegging van de straf acht te slaan op het advies van de psycholoog, inhoudende de verdachte in de latere fase van zijn detentie opnieuw te laten onderzoeken en om de verdachte tijdens zijn detentie een behandeling te laten ondergaan die richtinggevend kan zijn bij eventuele detentiefasering of vervroegde invrijheidsstelling.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 37.158,94.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 37.158,94.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 12.158,94 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van hetgeen bewezen is verklaard. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 maart 2015 – de dag waarop het bewezenverklaarde feit gepleegd is - tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering geldt het volgende.

Door de benadeelde partij is een bedrag ter hoogte van € 25.000,00 gevorderd in verband met shockschade.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 12.158,94 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de impliciet primair ten laste gelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 12.158,94 (twaalfduizend honderdachtenvijftig euro en vierennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 12.158,94 (twaalfduizend eenhonderdachtenvijftig euro en vierennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 95 (vijfennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. I.P.A. van Engelen en mr. S.A.J. van 't Hul, in bijzijn van de griffier mr. S.D. Riggelink.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 februari 2016.