Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:454

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
200 150 846
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid, recht van weg. Toepassing verleggingsrecht (artikel 5:73 lid 2)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.150.846/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/460894 / KG ZA 14-2 19

arrest van 1 maart 2016

inzake

1. [naam],

2. [naam],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [S] c.s.,

advocaat: mr. D.G. Lasschuit te Leiden,

tegen

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [H] ,

advocaat: mr. B.D. Roelink te Hoofddorp.

Het geding

1. Bij exploot van 16 juni 2014, met daarin opgenomen zeven grieven, zijn [S] c.s. in hoger beroep gekomen van twee door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de voorzieningenrechter) in kort geding tussen partijen gewezen vonnissen van 15 april 2014 en 23 mei 2014 (hierna respectievelijk het tussenvonnis en het eindvonnis). Bij tussenarrest van 22 juli 2014 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Voorafgaand aan de comparitie heeft [H] de grieven bij memorie van antwoord (met negen producties) bestreden. Zij heeft daarbij tevens haar eis gewijzigd en incidenteel appel ingesteld, waarbij zij twee grieven heeft aangevoerd. Bij brief van 9 oktober 2014 heeft zij nog een productie (10) in het geding gebracht. De comparitie is gehouden op 3 november 2014. Van de comparitie is een proces-verbaal op gemaakt. Hierna zijn nog de volgende stukken gewisseld:

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel, tevens wijziging van (de grondslag van) eis in het principaal appel, van [S] c.s. (met producties);

  • -

    de akte uitlating producties tevens uitlating wijziging van eis van [H] ;

  • -

    de brief namens [S] c.s. van 19 januari 2016 met producties 17 en 18;

  • -

    de brief namens [H] van 28 januari 2016 met productie 11;

  • -

    de brief namens [H] van 2 februari 2016 met producties 12 t/m 15.

Partijen hebben de zaak op 4 februari 2016 doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de door [S] c.s. voor het pleidooi ingediende kopiedossiers.

Beoordeling van het hoger beroep

2. De door de voorzieningenrechter in het tussenvonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Met inachtneming daarvan en van hetgeen in aanvulling daarop in hoger beroep is aangevoerd, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.1.

[H] woonde tot voor kort te Lisse aan de [adres 1] , kadastraal bekend gemeente Lisse, sectie C nummer 3690 (hierna: perceel 3690).

2.2.

[S] c.s. zijn eigenaar van de [adres 2] te Lisse, kadastraal bekend als gemeente Lisse, sectie C nummer 3842 (hierna: perceel 3842). Dit perceel is in oktober 2011 aan hen geleverd.

2.3.

De drie kinderen van [H] zijn gezamenlijk eigenaar van perceel 3690. [H] is vruchtgebruikster, zoals blijkt uit een notariële akte van 15 september

2005 getiteld ‘boedelbeschrijving/verdeling/afgifte vruchtgebruik-legaat’ (hierna: akte vruchtgebruik 2005). In die akte is onder meer opgenomen:

Door het overlijden van erflater (de echtgenoot van [H] ; toevoeging hof) is van kracht geworden zijn testament, op dertien augustus negentienhonderd zevenennegentig (…) verleden, in welk testament erflater als volgt heeft beschikt:

‘(…)

2. Ik legateer aan mijn echtgenote, mevrouw [naam] , af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden:

I. a. het vruchtgebruik van mijn woonhuis [adres 1] te Lisse met bijgelegen grond (enzovoort) onder de bepalingen:

(…)

7. De vruchtgebruikster is bevoegd tot alle handelingen die tot een goed beheer van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen dienstig kunnen zijn. (…)’

2.4.

Perceel 3690 is ontstaan door samenvoeging van drie door de overleden echtgenoot van [H] aangekochte percelen:

  • -

    op 28 oktober 1971 een gedeelte van het destijds als C 2830 bekende perceel van [G] ;

  • -

    op 28 november 1975 een gedeelte van het destijds als C 2917 bekende perceel en

  • -

    op 8 februari 1984 een gedeelte van het destijds als C 3512 bekende perceel.

2.5.

Op 28 oktober 1971, dezelfde dag waarop de echtgenoot van [H] het eerste deel van het huidige perceel 3690 geleverd kreeg, heeft [G] een ander gedeelte van zijn toenmalige perceel 2830 geleverd aan de heer [L] . Het gedeelte dat [L] kocht is vernummerd tot de percelen die kadastraal bekend zijn als gemeente Lisse, sectie C 4183 en C 4184. Perceel C 4184 wordt hierna als “het laantje” aangeduid.

2.6.

Het laantje is een strook grond die grenst aan het door [S] c.s. gekochte perceel 3842. Op 1 december 2011 hebben [S] c.s. het laantje van [L] gekocht. Het laantje is op 15 december 2011 aan hen geleverd en zij hebben dit nadien bij hun perceel getrokken.

2.7.

Ten aanzien van perceel 3690 gelden, blijkens de akte vruchtgebruik 2005, diverse lasten en beperkingen van civielrechtelijke aard. Voor zover hier van belang vermeldt de akte:

Ten aanzien van met betrekking tot het sub artikel 1 der bezittingen gemelde woonhuis bestaande bijzondere lasten en beperkingen van civielrechtelijke aard wordt verwezen naar: 1. (...)

2. (…)

en naar een akte van transport achtentwintig oktober negentienhonderd éénenzeventig voor notaris C. Hogervorst te Lisse verleden waarin een gedeelte van gemeld kadastrale perceel sectie C nummer 2917 [in de akte van 1975 staat abusievelijk C 2917; uit de originele akte uit 1971 waarnaar wordt verwezen blijkt dat dit nummer C 2830 moet zijn; uit de filiatie gegevens volgt dat (een deel van) 2830 pas in 1973 is vernummerd tot 2917; toevoeging hof] wordt overgedragen aan de heer [L] en waarin woordelijk staat vermeld:

“8. Ten behoeve van het aan verkoper blijvende gedeelte van het perceel gemeente Lisse sectie C nummer 2830 en ten laste van het bij deze verkochte wordt bij deze eenzelfde erfdienstbaarheid van weg gevestigd als hiervoor sub 7 gemeld doch uitsluitend uit te oefenen over dezelfde weg.”

Ten laste van het bij deze akte verkochte en ten behoeve van het aan verkoper in

eigendom blijvende gedeelte van het kadastrale perceel gemeente Lisse sectie C

nummer 2917 wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om met

vrachtauto’s en verdere vervoermiddelen te komen van en te gaan naar de […] ,

op de minst bezwarende wijze.” (hierna: erfdienstbaarheid 1971)

Het sub 7 gemelde luidt, voor zover hier van belang:

“7. Ten laste van de kadastrale percelen Lisse sectie C nummers 2435, 2577 en 2682, het laatste nummer voor zover eigendom van verkoopster en ten laste van 2770, voor zover eigendom van verkoopster, wordt bij deze gevestigd ten behoeve van het

bij deze akte verkochte gedeelte van Lisse C nummer 2770, het recht van weg ter breedte van zes meter, om over de bestaande weg ook met vrachtautomobielen en verdere vervoermiddelen te komen en te gaan vanaf de […] naar de zijkant en achterkant van het heersend erf en vice versa.” (hierna: erfdienstbaarheid 1961)

2.8.

In de notariële transportakte d.d. 15 december 2011, waarbij het laantje werd geleverd aan [S] c.s., zijn twee bijzondere lasten en beperkingen genoemd ten aanzien van het laantje, te weten de erfdienstbaarheid 1961 en de erfdienstbaarheid 1971.

2.9.

Blijkens de resultaten van filiatie onderzoek bij het kadaster1 is perceel C 2830 in de loop der tijd onder meer als volgt vernummerd:

2830  2916  3010  3224  3529  3690

2917  3010

2.10.

Een kadastrale kaart, waarop onder meer de percelen 3690, 3842 en het laantje (4184) te zien zijn, is hieronder weergegeven. Op perceel 3690 is aangegeven in welk jaar het betreffende deel is verkregen door de echtgenoot van [H] . De op de kaart weergegeven percelen 3690 (met uitzondering van het deel verkregen in 1984), 4183 en 4184 (het laantje) maakten tot begin van de jaren zeventig deel uit van één kadastraal perceel C 2830. De Achterweg is onderaan op de kaart te zien.

2.11.

[S] c.s. hebben [H] bij brief van 5 november 2014 laten weten dat zij voor het gebruik van de erfdienstbaarheid een ander deel van hun erf hebben aangewezen, te weten een strook grotendeels ten noorden van perceel 3842 die uitkomt op de Esdoornlaan. Die strook hebben zij op hun kosten geschikt gemaakt voor gebruik, ook door vrachtwagens.

2.12.

Op 6 januari 2016 zijn perceel 3842 en het laantje vernummerd tot een nieuw perceel, kadastraal bekend gemeente Lisse, sectie C nummer 5067.

3. [H] vorderde in dit kort geding in eerste aanleg, samengevat, om [S] c.s.

  • -

    i) te verbieden de uitoefening van het recht van weg door [H] en de overige gebruikers van het heersend erf waaronder de eigenaren en diens rechtsopvolger(s), op enigerlei wijze te belemmeren of te beperken en

  • -

    ii) (te veroordelen om) de door [S] c.s. weggenomen verharding op het laantje weer aan te brengen, althans om de ondergrond van het laantje terug te brengen in de oorspronkelijk goed berijdbare toestand, zodanig dat de weg weer met vrachtauto’s berijdbaar zal zijn;

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [S] c.s. in de kosten.

4. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [H] grotendeels toegewezen, waarbij alleen ten aanzien van vordering (ii) een dwangsom is opgelegd. [S] c.s. vorderen in hoger beroep, kort gezegd, vernietiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van alle vorderingen van [H] , met veroordeling van [H] in de kosten in beide instanties. [H] heeft incidenteel geappelleerd en haar eis ten aanzien van het terugbrengen van het laantje in de oude staat gewijzigd, zoals hierna bij de behandeling van grieven V en VI in het principaal appel zal worden weergegeven.

5. Als meest verstrekkend verweer hebben [S] c.s. bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat de gevraagde voorzieningen van [H] alsnog moeten worden afgewezen omdat [H] daar inmiddels geen (spoedeisend) belang meer bij heeft, gelet op het volgende. [H] is niet langer woonachtig op de [adres 1] en zij is geen eigenaar van perceel 3690. Bovendien bestaat, naar [S] c.s. stellen, het vergevorderde plan om de woning te slopen en op perceel 3690 vijf nieuwe woningen te bouwen waarbij de erfdienstbaarheid via het laantje geen rol meer speelt omdat ook vanuit het achterliggende deel van het perceel met voertuigen rechtstreeks toegang zal bestaan tot de Achterweg. De verlegde erfdienstbaarheid zal daarbij als calamiteitenontsluiting dienen. [H] betwist het gebrek aan spoedeisend belang. Zij betwist ook dat de ontwikkelplannen al vast staan; het is onduidelijk of en zo ja wanneer goedkeuring van de gemeente te verwachten is; (spoedige) verkoop of verhuur heeft haar voorkeur.

6. De afweging of de oorspronkelijk eiser in hoger beroep (nog) belang heeft bij een in kort geding verlangde voorziening en voorts of dat belang nog voldoende spoedeisend is, dient te worden gemaakt aan de hand van de stand van zaken op het moment van het oordeel in hoger beroep. Gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd is het hof van oordeel dat [H] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in hoger beroep nog belang heeft bij de voorzieningen. Het hof onderschrijft de stelling van [H] dat zij onverminderd belang heeft omdat zij i) vruchtgebruikster is en als zodanig huurpenningen ontvangt, ii) bij verkoop vruchtgebruikster van de koopsom wordt en iii) verantwoordelijk is voor het beheer van perceel 3690. Haar belang is ook spoedeisend omdat [S] c.s. haar het recht om het laantje te gebruiken nog steeds betwisten en [H] het perceel zo snel mogelijk wil verkopen of verhuren, waarbij ongehinderd gebruik van het recht van weg van belang is.

7. [S] c.s. hebben tijdens het pleidooi te kennen gegeven dat zij het bestaan van de erfdienstbaarheid 1971 in deze kort geding procedure niet langer betwisten, en dat zij hun grief “op dat punt in dit hoger beroep prijs geven”. Het hof zal grieven I-II, die zich beide richten tegen, kort gezegd, het bestaan van de erfdienstbaarheid 1971, derhalve als ingetrokken beschouwen en uitgaan van het bestaan van een erfdienstbaarheid over het laantje ten behoeve van perceel 3690.

8. Grief III komt op tegen het door de voorzieningenrechter aan [S] c.s. opgelegde verbod om het recht van weg te belemmeren of te beperken. Deze grief stuit in beginsel ook af op de erkenning van de erfdienstbaarheid. Echter, bij memorie van antwoord in het incidenteel appel, tevens wijziging van (de grondslag van) eis in het principaal appel, hebben [S] c.s. een nieuwe grondslag aangevoerd, stellende dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Met een beroep op artikel 5:73 lid 2 B.W. (het ‘verleggingsrecht’), stellen [S] c.s. dat zij, na het uitbrengen van de appeldagvaarding, een ander gedeelte van hun erf hebben aangewezen waarop het recht van weg dient te worden uitgeoefend, te weten via de Esdoornlaan. Daarom moet het vonnis van de voorzieningenrechter worden vernietigd en het verbod alsnog worden afgewezen.

[H] heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging en aangevoerd dat deze in strijd is met de twee-conclusie regel. Zij betwist dat aan de eiswijziging een nieuw feit ten grondslag ligt; het gaat veeleer om een nieuw verweer. Bovendien is het ‘feit’ niet nieuw nu [S] c.s. ook in eerste aanleg (bij brief van 15 oktober 2013) al het voorstel met betrekking tot de verlegging naar de Esdoornlaan aan [H] hebben gedaan en [H] dit heeft verworpen als niet geschikt alternatief.

9. Of de eiswijzing al dan niet toelaatbaar is, kan in het midden blijven. Ook wanneer veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de gewijzigde grondslag van grief III en het daarop gebaseerde verweer, kan dit niet leiden tot vernietiging van het vonnis. Naar het voorlopig oordeel van het hof hebben [S] c.s. als eigenaren van het dienende erf, gelet op de gemotiveerde betwisting door [H] , onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voorgestelde verlegging zonder vermindering van genot voor de eigenaar van het heersende erf mogelijk is. [H] heeft immers onbetwist aangevoerd dat de route heen vanaf de Achterweg naar het achtergelegen gedeelte van perceel 3690, via de Esdoornlaan 0.55 km langer is dan via het laantje. Op de terugweg is de route, vanwege het eenrichtingsverkeer op de Achterweg, 1.1 km langer dan via het (oorspronkelijke) recht van weg. Het hof acht de verlenging via de verlegde route zodanig, dat daardoor een vermindering van het genot optreedt. Daarbij weegt mee dat het recht van weg niet alleen – sporadisch – wordt gebruikt door de tuinman, zoals [S] c.s. stellen, maar dat dit, naar [H] heeft aangevoerd, ook van belang is voor de bewoners om met een auto (met trailer) vanaf het huis aan de Achterweg het achtergelegen deel van perceel 3690, met daarop onder meer paardenstallen, te bereiken. Toepassing van het verleggingsrecht door [S] c.s. stuit op het voorgaande af. Grief III faalt dan ook, eveneens op de gewijzigde grondslag, zodat het door de voorzieningenrechter gegeven verbod zal worden bekrachtigd. [H] heeft geen incidentele grief gericht tegen het feit dat aan dat verbod geen dwangsom is verbonden. Grief II in het incidenteel appel betreft immers de wél opgelegde dwangsom en betoogt dat die te laag is.

10. Grief IV in het principaal appel komt op tegen de toewijzing van het verbod ten behoeve van de overige gebruikers van het heersende erf, waaronder de eigenaren en hun rechtsopvolger(s). [S] c.s. betogen dat dit niet kan omdat die overige gebruikers geen partij zijn bij het kort geding. Deze grief kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. [H] vordert, als vruchtgebruikster en beheerder, in feite handhaving van het recht van weg. Dat is een afhankelijk zakelijk recht dat is gevestigd ten behoeve van het heersende erf (perceel 3690) en waarmee het dienende erf (het laantje) is bezwaard. Naar zijn aard heeft een zakelijk recht niet alleen tussen partijen werking maar ook ten aanzien van andere, huidige of toekomstige, gebruikers van het heersende erf. Dit zou ook het geval zijn wanneer uitsluitend een verbod tot belemmering of beperking van het recht van weg zou zijn gevorderd (en toegewezen), zonder de toevoeging van specifieke gebruikers. Niet valt in te zien waarom dit niet geëxpliciteerd kan worden in de veroordeling. Uit artikel 236 Rv volgt bovendien dat onder partijen mede moeten worden begrepen hun rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel. Grief IV slaagt dan ook niet.

11. Met grieven V en VI komen [S] c.s. op tegen de veroordeling om het laantje terug te brengen in een goed berijdbare toestand, zodanig dat de weg weer met vrachtauto’s berijdbaar zal zijn. [H] heeft in hoger beroep haar eis op dit punt uitgebreid en in dat verband incidentele grieven I en II geformuleerd. Zij vordert thans om [S] c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen 14 dagen na het wijzen van dit arrest:

  1. het laantje te brengen in de toestand waarin het zich voor 15 december 2011 bevond,

  2. althans de door [S] c.s. weggenomen verharding, dan wel gedeeltelijke verharding, op het laantje weer aan te brengen,

  3. althans een deugdelijke, bij het in de akte omschreven recht van [H] passende en voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid door [H] geschikte verharding aan te (doen) brengen.

12. Aan die vordering ligt kennelijk ten grondslag de stelling van [H] dat het laantje in de huidige toestand niet voldoet aan de erfdienstbaarheid 1971. [H] betoogt dat in ieder geval het plaatsen van graszoden een ongeoorloofde wijziging inhoudt en dat de ondergrond voorheen (gedeeltelijk) verhard was. [S] c.s. betwisten dat het laantje verhard was en stellen dat zij niets aan de ondergrond hebben veranderd en er alleen graszoden op hebben gelegd.

13. Binnen het beperkte kader van het kort geding en gelet op de tegenstrijdige standpunten van partijen, kan het hof niet vaststellen of het onder de graszoden gelegen laantje in ongewijzigde staat verkeert ten opzichte van de situatie voor 15 december 2011, en of het al dan niet als verhard is aan te merken. Dit kan echter in het midden blijven. Het gaat er immers in de kern om of het laantje in de huidige toestand voldoet aan de erfdienstbaarheid en of uit hoofde daarvan al dan geen reden bestaat om [S] c.s. te veroordelen om de gevorderde wijzigingen in de toestand van het laantje aan te brengen. Uit de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid 1971 volgt dat over het laantje een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ter breedte van zes meter, om over de bestaande weg ook met vrachtautomobielen en verdere vervoermiddelen te komen en te gaan vanaf de Achterweg (naar het achterliggende (deel van) het perceel). Hierin wordt niet gerept over het al dan niet verhard zijn van de weg, slechts over de geschiktheid daarvan voor bepaalde vervoermiddelen. Ter onderbouwing van haar stelling dat het laantje in de huidige toestand ongeschikt is, heeft [H] er slechts op gewezen dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat een weg door middel van gras en daarmee samenhangend wortelstelsel geen stevigheid verkrijgt. Dit standpunt volgt het hof niet. [S] c.s. hebben immers, onderbouwd en onbetwist, aangevoerd dat op 13 november 2014, op verzoek van [H] , met een vrachtwagen over het - op dat moment reeds van graszoden voorziene - laantje is gereden. Ook is op 8 maart 2015 met een ander vervoermiddel (te weten een auto met aanhanger) over het laantje gereden. Een en ander brengt mee dat [H] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de huidige ondergrond van het laantje een belemmering vormt voor het komen en gaan met vrachtautomobielen en verdere vervoermiddelen, zodat voor toewijzing van de vordering geen plaats is. Grieven V en VI slagen derhalve. Het eindvonnis wordt dan ook op dit punt vernietigd en het hof zal, opnieuw rechtdoende, de (gewijzigde) vordering tot verandering van de toestand van het laantje afwijzen.

14. Incidentele grief I van [H] , die is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat [H] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het laantje verhard is geweest, stuit eveneens af op hetgeen hiervoor onder 13 is overwogen. Incidentele grief II ziet op de matiging van de gevorderde dwangsommen in verband met de veroordeling tot het terugbrengen van het laantje in een berijdbare staat. Deze behoeft, gelet op de afwijzing van die vordering, geen behandeling.

15. Met grief VII in het principaal appel betogen [S] c.s. dat zij ten onrechte zijn veroordeeld in de proceskosten. Voor zover deze grief voortkomt uit de stelling van [S] c.s. dat [H] haar vorderingen hangende het kort geding zodanig heeft gewijzigd dat daarvan ‘niet een in stand is gebleven’ en [S] c.s. derhalve hun proceskansen niet van te voren hebben kunnen inschatten, mist deze grief feitelijke grondslag. Nu het (hoofd)verbod om de erfdienstbaarheid niet te belemmeren in stand blijft, ziet het hof geen aanleiding om de kostenveroordeling in eerste aanleg te veranderen aangezien [S] c.s. onverminderd hebben te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij.

Slotsom

16. De slotsom is dat grieven I en II in het principaal appel zijn ingetrokken, dat grieven III, IV en VII falen en dat grieven V en VI slagen. Nu [S] c.s. grotendeels in het ongelijk worden gesteld, worden zij in de kosten van het principaal appel veroordeeld. De kosten aan de zijde van [H] tot op heden worden vastgesteld op in totaal € 2.990,- , bestaande uit € 308,- aan verschotten en € 2.682,- (3 punten x € 894,-) aan salaris advocaat. Het incidenteel appel wordt verworpen, zodat daarbij een kostenveroordeling van [H] past. De kosten aan de zijde van [S] c.s. in het incidenteel appel tot op heden worden vastgesteld op nihil.

Beslissing

Het hof:

In het principaal appel:

- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 23 mei 2014 doch uitsluitend voor zover [S] c.s. daarin zijn veroordeeld om het laantje terug te brengen in een goed berijdbare toestand, zodanig dat de weg weer met vrachtauto’s goed berijdbaar zal zijn (tweede gedachtestreepje van de beslissing) en wijst, in zoverre opnieuw rechtdoende, deze vordering af;

  • -

    bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;

  • -

    veroordeelt [S] c.s. in de kosten van het geding in het principaal appel tot op heden aan de zijde van [H] vastgesteld op € 2.990,-;

In het incidenteel appel:

  • -

    verwerpt het beroep;

  • -

    veroordeelt [H] in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [S] c.s. vastgesteld op nihil;

In het principaal en in het incidenteel appel:

  • -

    wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

  • -

    verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.G. Lautenbach, J.J. van der Helm en M.E. Kokke en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.

1 Productie 10, aan het hof overgelegd namens [H] bij brief van 9 oktober 2014