Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:446

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
200.169.854/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:569, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicatie; het boek 'De Verpanding'; afweging recht op privacy van (oud-)medewerkers van een bank tegenover de vrijheid van meningsuiting; in dit geval prevaleert de vrijheid van meningsuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/203
RAV 2016/57
AR-Updates.nl 2016-0256
IR 2016/54, UDH:IR/13289 met annotatie van Onder redactie van mr. M. van der Linden – Smit en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummer : 200.169.854/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/485156/KG ZA 15-387

Arrest d.d. 8 maart 2016

inzake

1 de stichtingSTICHTING RESTSCHULD EERLIJK DELEN,

gevestigd te Rotterdam,

2. [geïntimeerde sub 2], tevens h.o.d.n. Uitgeverij Boektotaal,

wonende te Emst, gemeente Epe,

appellanten,

hierna te noemen: RED en Boektotaal en gezamenlijk: RED c.s.,

advocaat: mr. Chr. A. Alberdingk Thijm te Amsterdam,

tegen

1 de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK MAASTRICHT E.O. U.A.,

statutair gevestigd te Maastricht,

2. de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK ZEEUWS-VLAANDEREN U.A.,

statutair gevestigd te Terneuzen,

3. de coöperatie COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN-BOERENLEENBANK B.A., statutair gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: Rabobank (in enkelvoud),

advocaat: mr. L.Ph.J. van Utenhove te Den Haag.

Het verloop van het geding

Bij appeldagvaarding van 8 mei 2015 (hierna: AD) zijn RED c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 10 april 2015. In de AD zijn vijf grieven tegen dat vonnis aangevoerd. Bij tussenarrest van 16 juni 2015 is een comparitie na aanbrengen gelast die geen doorgang heeft gevonden. Vervolgens heeft Rabobank een memorie van antwoord met producties (MvA) genomen waarin de grieven van RED c.s. zijn bestreden.

Partijen hebben hun standpunten doen bepleiten ter zitting van dit hof van 17 december 2015, RED c.s. door hun advocaat en Rabobank door mr. E.M. Snijders, advocaat te Utrecht. De advocaten hebben zich hierbij bediend van pleitnota’s (hierna: PA = Pleitnota in Appel; de pleitnota’s uit de eerste aanleg zullen hierna worden afgekort tot: PE).

Met het oog op de pleidooien hebben partijen nog (onder meer) de volgende stukken aan het hof en de wederpartij gestuurd:

- ingekomen bij het hof op 2 december 2015: de akte houdende overlegging producties van RED c.s., met de producties 1 t/m 15;

- ingekomen bij het hof op 3 december 2015: de akte houdende overlegging aanvullende producties van Rabobank, met de productie 46 t/m 58.

Verder hebben RED c.s. op verzoek van het hof nog een exemplaar van het boek ‘De Verpanding’ aan het hof toegestuurd.

Tegen overlegging van al deze stukken is geen bezwaar gemaakt, zodat zij tot de processtukken behoren.

Na afloop van de pleidooien is arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1.1

Het gaat in dit geding om het volgende.

a. RED is een stichting die opkomt voor mensen die door toedoen van hun bank in de problemen zijn geraakt, met name door restschulden.

b. Op 15 maart 2015 is het door [schrijfster] (hierna: [schrijfster]) in opdracht van RED geschreven boek ‘De Verpanding’ (hierna: het boek) aan de pers gepresenteerd. Daarna is het boek verspreid. In de colofon van het boek staat vermeld dat RED de uitgever is. Het ISBN-nummer van het boek is door Boektotaal aangevraagd.

c. In het boek – dat als (de op de voorkant van de omslag afgedrukte) ondertitel draagt: “Hoe de Rabobank op de kunst van haar klanten jaagt – Kunst verdwijnt waar Rabo verschijnt ” – worden de zaken van [X] (hierna: [X]) en [Y] (hierna: [Y]) beschreven. Beiden hebben een onderneming gehad, die niet levensvatbaar bleek, hetgeen in beide gevallen heeft geleid tot een bedrijfsbeëindiging. Zowel [X] als [Y] had een krediet bij Rabobank en om nog openstaande schulden in te lossen heeft Rabobank een beroep gedaan op aan haar verstrekte zekerheidsrechten. Daarbij zijn [X] en [Y] geconfronteerd met afdelingen Bijzonder Beheer van Rabobank.

d. In het boek worden namen genoemd van (oud-)medewerkers van Rabobank die in de periode waarover het boek gaat, werkzaam waren bij afdelingen Bijzonder Beheer (AD onder 1 en 41).

e. Op de achterkant van de omslag van het boek staat het volgende citaat van [X]:

‘“De Rabobank heeft het gepresteerd het gehele vermogen van een klant te laten verdampen. Zij hebben ons geplunderd en bestolen. Als ik nog geld over had gehad zou ik ze een proces hebben aangedaan wegens diefstal, misbruik van ‘zorgplicht’, misbruik van pandrecht en onethisch gedrag”.’

Daarnaast is op de achterkant het volgende te lezen:

[X] en [Y] kennen elkaar niet, maar hebben allebei een grote liefde voor kunst en ondernemerschap. In 2007 en 2008 sluiten de twee kunstverzamelaars een lening af bij de Rabobank. [Y] kan hiermee een museumpand financieren. [X] gebruikt het krediet voor zijn winkel en galerie. Wanneer de ambitieuze plannen van de twee kunstliefhebbers door externe omstandigheden op een teleurstelling uitlopen, opent de Rabobank de jacht op de kunstcollecties. De bank rommelt met pandaktes, intimideert en achtervolgt haar klanten en maakt listig gebruik van vertrouwen. Alles lijkt geoorloofd in de jacht op de kunstwerken.

De Verpanding is een waargebeurd verhaal over twee ondernemers die vechten tegen de macht van de bank. Zij zijn niet de enigen die deze strijd voeren. Veel mensen hebben na 2008 te maken gekregen met ingewikkelde schuldproblematiek. De Verpanding laat het menselijk gezicht zien van het gevecht voor rechtvaardigheid waarin vele onschuldige mensen ongewild terecht zijn gekomen.

(…)’.

f. Op 25 februari 2010 (zie blz. 45 e.v. van het boek) heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [Y] en enkele medewerkers van Rabobank. Hiervan is heimelijk een geluidsopname gemaakt. Een gedeeltelijke transscriptie hiervan is als bijlage bij het boek gevoegd.

g. Na publicatie van het boek is op de aan het boek gekoppelde website www.keerdebank.nl (hierna: de website) aanvullend materiaal geplaatst, waaronder de in rov. 1.f genoemde geluidsopname en een brief van [X] van 16 maart 2015 aan de directie van Rabobank.

Het geschil en het vonnis van de voorzieningenrechter

2.1

Rabobank heeft gevorderd een gebod aan RED c.s. om het drukken, vermenigvuldigen en verspreiden van de huidige inhoud van het boek, te weten met daarin vermeld de namen van (oud-)medewerkers van Rabobank, te staken, met nevenvorderingen (de ‘boek’-vorderingen), en een gebod aan RED c.s. om de in rov. 1.g. bedoelde geluidsopname en brief van de website te verwijderen (de ‘website’-vorderingen), alles op straffe van verbeurte van dwangsommen. Daartoe heeft Rabobank, samengevat, aangevoerd dat het boek een tendentieuze, onvolledige en onjuiste beschrijving van de zaken [X] en [Y] geeft en dat RED c.s. onrechtmatig handelen jegens de in het boek met name genoemde (oud-) medewerkers van Rabobank aangezien deze daarin direct of indirect worden beschuldigd van diefstal, misleiding en intimidatie, waardoor zij zijn aangetast in hun recht op eerbiediging van de goede naam/persoonlijke levenssfeer. RED c.s. betwisten dat de (oud-)medewerkers in hun goede naam zijn aangetast en beroepen zich daarnaast op hun vrijheid van meningsuiting.

2.2

In zijn vonnis van 10 april 2015 heeft de voorzieningenrechter – overwegend dat de (oud-)medewerkers in hun persoonlijke levenssfeer worden geraakt en dat hun belang bij bescherming daarvan dient te prevaleren boven de vrijheid van meningsuiting van RED c.s. – Rabobanks vorderingen (grotendeels) toegewezen.

Het hoger beroep: inleidende opmerkingen

3.1

De grieven van RED c.s. hebben de strekking het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

3.2

Rabobank heeft benadrukt het boek – hoewel zij de inhoud en strekking daarvan betwist – als zodanig niet te willen doen verbieden, maar alleen voor zover daarin haar (oud-)werknemers bij naam worden genoemd. Het hof zal er veronderstellenderwijs van uitgaan dat Rabobank in deze procedure voor haar (oud-) werknemers optreedt en kan optreden, zoals Rabobank – onder verwijzing naar een last c.q. volmacht van die (oud-)werknemers en, voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep, naar goed werkgeverschap – heeft aangevoerd, doch door RED c.s. wordt betwist met hun grief I. Hierbij zij nog wel opgemerkt dat niet kan worden aangenomen dat Rabobank als gevolmachtigde van haar (oud-)werknemers (dus: namens hen) procedeert aangezien Rabobank dat niet in de inleidende dagvaarding (hierna: ID) heeft gesteld en zij later in de procedure niet alsnog die hoedanigheid kan aannemen (zie o.m. HR 22-10-2004, NJ 2006, 202).

3.3.

Bij een botsing tussen enerzijds het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting van RED c.s. en anderzijds het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer – waaronder het door Rabobank specifiek ingeroepen recht op bescherming van de goede naam/reputatie is begrepen (EHRM 15-11-2007, ‘Pfeifer/Oostenrijk’, no. 12556/03) – moet het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht. Voor de door artikel 8 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. Dit brengt met zich dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle terzake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 19-01-2008 ‘Van Gasteren/Hemelrijk’, ECLI:NL:HR:2008:BB3210; HR 05-10-2012 ‘Endemol en SBS/A’, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, NJ 2012, 571).

Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

4.1

Eerst zal worden onderzocht welk gewicht in dit geval toekomt aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van Rabobanks (oud-)werknemers.

4.2

Het hof kan in het boek zelf – dat wil zeggen: het boek zonder de omslag maar met inbegrip van de in rov. 1.f genoemde bijlage – niet lezen dat, zoals Rabobank betoogt, de bank of haar (oud-)medewerkers worden beschuldigd van diefstal, misleiding en/of intimidatie. Op blz. 65 van het boek wordt, anders dan Rabobank stelt in punt 8 PE, niet over diefstal gerept noch daarop (voldoende duidelijk) gezinspeeld. De enkele door Rabobank concreet genoemde passages in het boek die mogelijkerwijs zouden kunnen worden opgevat als in die richting wijzend, zoals:

- ‘Bovendien missen ze een groot aantal objecten die niet op de veiling zijn verkocht maar die zich nu ook niet in de containers bevinden (…). Ze vragen ([medewerker]) in aangetekende brieven waar toch de verdwenen, onverkochte posters en sieraden zijn. Op deze belangrijke vragen heeft [medewerker] nooit geantwoord’ (blz. 27 van het boek, punt 16 ID);

- ‘De Rabobank staat in haar recht om de panden te executeren, maar er zit een luchtje aan’ (blz. 63 van het boek, punt 22 ID);

- ‘Niet alle stukken worden overigens verkocht op de veiling, maar deze werken krijgt [Y] niet terug van de Rabobank. Waar deze onverkochte stukken dan wel zijn gebleven is tot de dag van vandaag een raadsel. Op de vragen hierover van [Y] heeft de Rabobank nooit antwoord gegeven’ (blz. 54 van het boek, punt 23 ID),

zijn zo vaag en onuitgesproken dat de lezer daar geen of weinig waarde aan zal (kunnen) hechten.

4.3

Ter onderbouwing van hun stelling dat de genoemde beschuldiging is geuit, heeft Rabobank verder concreet alleen – in een voetnoot bij punt 29 ID – gewezen op de achterkant van de omslag van het boek, waar inderdaad, ook in de visie van het hof, in zekere mate de suggestie van diefstal, misleiding en/of intimidatie door Rabobank wordt gewekt, evenals overigens in de ondertitel op de voorkant van de omslag. Degenen die alleen de (voor en/of achterkant van de) omslag hebben gelezen zullen die suggestie evenwel niet in verband kunnen brengen met de (oud-)medewerkers van Rabobank omdat deze daarop niet worden genoemd. Aan degenen die, zoals de raadsheren die dit arrest wijzen, ook het boek zelf hebben gelezen, zal duidelijk zijn dat het boek de Rabobank een (veel) minder vergaand verwijt maakt dan de teksten op de omslag suggereren. De indruk die na lezing van het boek als geheel achterblijft is namelijk dat Rabobank tamelijk onwelwillend en hard tegenover haar, door schuldenproblematiek geplaagde klanten [X] en [Y] is opgetreden, zonder hen goed te informeren, met een focus op het eigen (bank-)belang, en met weinig oog voor de belangen van die klanten, maar niet dat Rabobank zich schuldig heeft gemaakt aan (poging tot) diefstal, misleiding en/of intimidatie (zie ook rov. 4.2). Het komt er op neer dat in het boek zelf aan Rabobank vooral maatschappelijk onwenselijk gedrag wordt verweten, en niet (zozeer) onrechtmatig of strafbaar handelen.

4.4

Het boek richt zich tegen Rabobank. Weliswaar straalt het aan de bank gemaakte verwijt van maatschappelijk onwenselijk gedrag ook indirect enigszins af op de daarin genoemde (oud-)medewerkers, doch omdat hun goede naam daardoor indirect, en niet direct, wordt geraakt, is de negatieve uitwerking daarvan op hun goede naam navenant minder groot.

4.5

In punt 51 MvA heeft Rabobank gesteld dat haar (oud-)medewerkers zowel in hun privéleven als bij de uitvoering van hun werkzaamheden zijn gehinderd doordat zij zijn opgevoerd in het boek. Ter onderbouwing hiervan heeft Rabobank, in noot 99 daarbij, verwezen naar punt 22 van haar PE, waar een ‘verklaring namens de betrokken (oud-)medewerkers van Rabobank’ is opgenomen. Hierin is verklaard dat de (oud-)medewerkers ‘boos zijn dat hun goede naam zó door het slijk wordt gehaald’ en dat zij ‘gegriefd zijn door de verkeerde voorstelling van zaken’, maar over de concrete gevolgen daarvan voor hun privéleven of de uitvoering van hun werkzaamheden wordt daarin niets gezegd. Over zulke gevolgen is door Rabobank evenmin iets naar voren gebracht in het kader van haar in de punten 6 t/m 8 MvA ontvouwde stelling, dat na het in het bestreden vonnis uitgesproken verbod, de namen van de (oud-)medewerkers nog ‘even’ op internet/ sociale media te zien zijn geweest. Bij pleidooi in hoger beroep heeft Rabobank wel aangevoerd dat haar medewerkers hinder van het boek kunnen ondervinden bij het toch al lastige traject dat zij moeten doorlopen met andere cliënten die in aanraking komen met de afdeling Bijzonder Beheer. Gesteld noch gebleken is echter dat deze hinder specifiek de medewerkers treft die met naam in het boek worden genoemd en dus samenhangt met de gewraakte naamsvermelding. Daarnaast heeft Rabobank niet concreet gemaakt waaruit die hinder bestaat. Bij deze stand van zaken moet voorshands worden aangenomen dat het feit dat de medewerkers met hun namen in het boek zijn opgevoerd hen niet heeft gehinderd in hun privéleven en hooguit een beperkte hinder heeft opgeleverd bij de uitvoering van hun werkzaamheden.

4.6

Het voorgaande samenvattend: door het boek worden de (oud-)medewerkers niet (direct of indirect) beschuldigd van diefstal, misleiding of intimidatie, maar het daarin aan Rabobank gemaakte verwijt van maatschappelijk onwenselijk gedrag straalt (indirect) wel enigszins op hen af, wat hooguit een beperkte hinder in de uitoefening van hun werk heeft opgeleverd. Dit een en ander overziend kan hoogstens sprake zijn van een tamelijk geringe aantasting van hun recht op goede naam/eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zodat in dit geval aan dat recht niet meer dan een tamelijk gering gewicht kan worden gehecht.

4.7

Door RED c.s. is dus terecht – in het kader van hun grief IV (in punt 28 AD) – betoogd dat in dit geval het loutere gebruik van de naam niet diepgaand ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer.

Het recht op vrijheid van meningsuiting en de afweging

5.1

Ook bij het thans te beoordelen gewicht van de vrijheid van meningsuiting in deze zaak wordt – om de in de rovv. 4.2 en 4.3 genoemde redenen – tot uitgangspunt genomen dat het in het boek aan Rabobank gemaakte verwijt hardheid/ onwelwillendheid en achterstelling van de belangen van de klant betreft, en niet diefstal, misleiding en intimidatie.

5.2

Als productie 45 heeft Rabobank overgelegd de ‘Rapportage Bijzonder Beheer’ van AFM van 26 maart 2015, dus van na de presentatie van het boek, en ook van na de ID in deze zaak. Hierin staat vermeld dat AFM tot een verkennend onderzoek naar de werkwijze van de bijzonder beheerafdelingen van banken heeft besloten om te vast te stellen hoe representatief de door haar ontvangen signalen van mkb-ers waren die ontevreden waren over de manier waarop zij door die afdelingen werden behandeld en waaruit naar voren kwam dat de werkwijze van die afdelingen op gespannen voet staat met het belang van de klant. In de door RED c.s. als productie 10 overgelegde publicatie van de Nederlandse Vereniging van Banken ‘Handreiking Bijzonder Beheer’ van 18 september 2015 is het volgende te lezen:

De afdelingen bijzonder of intensief beheer van banken hebben de laatste tijd in de aandacht gestaan. Er is kritiek op hun rol en werkwijze en klanten gaven aan niet goed te weten waar zij aan toe waren’.

Ook al heeft, zoals Rabobank heeft opgemerkt in punt 49 MvA, het AFM-onderzoek geen patroon van benadeling van klanten door banken of dubieuze praktijken aan het licht gebracht, uit deze publicaties blijkt dat er in het algemeen een serieus probleem bestond/bestaat in de relatie tussen de afdelingen Bijzonder Beheer van banken en de klanten die met deze afdelingen werden/worden geconfronteerd. Derhalve kan het boek, dat die relatie vanuit de invalshoek van twee klanten beschrijft, worden gezien als een bijdrage aan het publiek debat, waarmee beoogd is een in ondernemerskringen gevoelde misstand aan de kaak te stellen.

5.3

Dat het boek, naar hieruit blijkt, mede behartiging van het algemeen belang tot doel heeft, brengt met zich dat het als (op één lijn staand met) een perspublicatie moet worden beschouwd (vgl. rov. 3.7 van het eerder genoemde ‘Van Gasteren/Hemelrijk’-arrest van de HR). De andersluidende stellingen van Rabobank (in o.m de punten 5 en 37 MvA) worden gepasseerd.

5.4

Zoals zojuist al is aangestipt heeft de AFM bij haar onderzoek naar Bijzonder Beheer geen onredelijke praktijken aangetroffen, maar zij heeft blijkens haar rapportage (blz. 4) wel gezien dat banken klanten ‘onvoldoende informeren over wat de klant te wachten staat bij een bijzonder beheertraject en onvoldoende uitleggen hoe ze rekening houden met het belang van de klant bij het nemen van maatregelen’. Dit strookt met het in het boek aan Rabobank gemaakte verwijt, dat zij vragen vaak onbeantwoord liet (zie de in rov. 4.2 gegeven voorbeelden). De verwijten, dat Rabobank zich onwelwillend, hard en met weinig oog voor het belang van de klant opstelde, komen overeen met de signalen die AFM had opgevangen en die voor haar aanleiding waren om een onderzoek in te stellen. Gelet op dit een en ander bestond ten tijde van de publicatie van het boek voor de daarin aan Rabobank gemaakte verwijten steun in het toen beschikbare feitenmateriaal. De stelling van Rabobank, dat het boek ‘tendentieus’ is, stuit hierop af.

5.5

Het belang van de stellingen van Rabobank, dat de beschrijvingen in het boek onvolledig en onjuist zijn, dient – wat daar verder van zij – te worden gerelativeerd nu a) het de lezer duidelijk is dat het boek is geschreven vanuit het perspectief van [X] en [Y] en b) Rabobank de gelegenheid is geboden om haar visie op de zaken [X] en [Y] naar voren te brengen. De schrijfster [schrijfster] heeft bij e-mails van 16 januari 2015 en 6 februari 2015 Rabobank immers tijdig voor de deadline voor inlevering van het manuscript om een reactie gevraagd, echter vergeefs; bij mail van 19 februari 2015 heeft Rabobank [schrijfster] laten weten niet op haar verzoek in te gaan (productie 24 bij ID; punten 53 en 54 ID, punt 10 PE van RED c.s).

5.6

Hierbij komt nog dat door Rabobank niet, althans niet onderbouwd, is gesteld dat waar haar (oud-)medewerkers ten tonele zijn gebracht, dit gepaard is gegaan met feitelijk onjuistheden. In noot 22 op blz. 9 ID wordt door Rabobank weliswaar opgemerkt dat de juistheid van het op blz. 26 van het boek opgenomen citaat door de desbetreffende medewerker wordt bestreden en dat deze zich niet kan vinden in de omschrijving van zijn professionele houding, doch wat er niet klopt in het citaat of de omschrijving is daarbij niet nader toegelicht. Hetzelfde euvel kleeft aan de stelling van Rabobank in punt 21 ID, dat het in rov. 1.f bedoelde transcript en de in het boek opgenomen citaten van het gesprek van 25 februari 2010 een onvolledige en onjuiste weergave vormen van wat er gezegd is.

5.7

Volgens Rabobank was het noemen van de namen van haar (oud-)medewerkers niet nodig om de verhalen in het boek te vertellen of om de verwijten aan Rabobank aan de orde te stellen (MvA onder 47). RED c.s. hebben hier tegenin gebracht (AD onder 6; PA onder 1 en 2) dat de laatste jaren boeken op basis van onderzoeks- journalistiek waarin misstanden worden blootgelegd (bijvoorbeeld ‘De Vastgoedfraude’, ‘De Prooi’ en ‘Kortsluiting’), vaak zijn geschreven op basis van het ‘fly-on-the-wall’-principe, waarmee wordt gedoeld op de verteltechniek waarbij lezer als het ware bij de gebeurtenissen aanwezig is en die er door wordt gekenmerkt dat minutieus verslag wordt gedaan van gebeurtenissen en dat personen met naam worden genoemd. Nu in ‘De Verpanding’ deze in haar genre veelgebruikte en voor het uitdragen van de boodschap geschikt geachte vorm wordt gebruikt, kan niet worden gezegd dat de namen van de (oud-) medewerkers van Rabobank daarin nodeloos zijn genoemd; het vermelden daarvan vervult een functie in de gekozen en voor dit soort non-fictie uitingen als effectief aan te merken narratieve opzet.

5.8

De in het boek aan Rabobank gemaakte, en enigszins op haar (oud-)medewerkers afstralende verwijten zijn niet zo ernstig als Rabobank heeft doen voorkomen (zie de rovv. 4.2, 4.3 en 5.1). Die (oud-)medewerkers zijn – naar RED c.s. hebben gesteld (in punt 39 AD) en door Rabobank niet toereikend is betwist (zie punt 52 MvA) – uitsluitend in een werksituatie en, de vermelding van hun namen buiten beschouwing gelaten, zonder enige verwijzing naar hun privéleven opgevoerd, waarbij de daarbij gebezigde feitelijke beschrijvingen voor juist moeten worden gehouden (zie rov. 5.6). Onder deze omstandigheden lag het niet in de lijn der verwachtingen dat die (oud-)medewerkers in de uitoefening van hun werk of in hun privésfeer negatieve gevolgen van meer dan beperkte betekenis zouden ondervinden van het feit dat zij in het boek bij naam werden vermeld, hetgeen bevestiging vindt in rov. 4.5, waarin is toegelicht dat er geen reden is om aan te nemen dat dit de facto wel is gebeurd.

5.9

Uit het onder 5.2 t/m 5.4 overwogene blijkt dat het boek mede het algemeen belang dient, terwijl uit het onder 5.5 en 5.8 overwogene volgt dat de bij de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting behorende plichten en verantwoordelijkheden (lid 2 van artikel 10 EVRM) niet zijn veronachtzaamd: onder meer is Rabobank de mogelijkheid tot weerwoord geboden, zijn haar (oud-)medewerkers niet nodeloos vermeld in het boek en hoefde van die vermelding geen ernstige gevolgen voor hen te worden verwacht. Onder deze omstandigheden moet in dit geval aan de vrijheid van meningsuiting van RED c.s. een (niet on-)aanzienlijk gewicht worden gehecht, in ieder geval een gewicht dat groter is dan het tamelijk geringe gewicht dat in dit geval toekomt aan het recht op goede naam/eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de (oud-)medewerkers van Rabobank (zie rov. 4.6). Zoals RED c.s. in het kader van hun grief V (in punt 42 AD) hebben bepleit, valt de in rov. 3.3 bedoelde afweging dus in het voordeel van RED c.s. uit, en niet, zoals de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, in het voordeel van Rabobank.

Overige grondslagen

6.1

Het beroep van Rabobank op de Wet bescherming persoonsgegevens en artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht kan niet leiden tot een andere beslissing. In het kader van de beoordeling van het beroep op die grondslagen moet ook een afweging worden gemaakt met de fundamentele vrijheid van meningsuiting en ook in dat kader valt de afweging om de bovengenoemde redenen uit in het voordeel van RED c.s.

Slotsom

7.1.

Het voorgaande is toegespitst op de ‘boek’-vorderingen en voert tot de conclusie dat deze moeten worden afgewezen . Het hof begrijpt dat de grieven van RED c.s. zich tevens richten tegen de toewijzing door de voorzieningenrechter van de ‘website’-vorderingen en dat RED c.s. betogen dat de belangenafweging te dien aanzien hetzelfde moet uitvallen als de belangenafweging ten aanzien van de ‘boek’-vorderingen. Gelet op het feit dat ook Rabobank de ‘boek’-vorderingen en de ‘website’-vorderingen gezamenlijk en op gelijke voet heeft behandeld en geen redenen heeft aangevoerd waarom de ‘website’-vorderingen ook los van de ‘boek’-vorderingen moeten worden toegewezen, moet worden geconcludeerd dat de ‘website’-vorderingen eveneens moeten worden afgewezen.

7.2

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, onder alsnog afwijzing van de vorderingen van Rabobank. De daartoe strekkende grieven van RED c.s. treffen dus doel. Op het in hun grief I (wederom) ter sprake gebrachte niet-ontvankelijkheidsverweer (zie rov. 3.2) hoeft nu niet nader te worden ingegaan.

7.3

Als in de in het ongelijk gestelde partij zal Rabobank in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.

Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 10 april 2015, en opnieuw rechtdoende:

* wijst de vorderingen van Rabobank af;

* veroordeelt Rabobank in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van RED c.s. begroot op € 1.429,- , waarvan € 613,- aan verschotten en € 816,- aan salaris;

- veroordeelt Rabobank in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van RED c.s. begroot op € 3.487,19, waarvan € 805,19 aan verschotten en € 2.682,- aan salaris;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.Y. Bonneur, M.P.J. Ruijpers en P.H. Blok; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.