Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4403

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
22-001283-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1416, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 417bis Sr. Schuldheling. Alternatief scenario, te weten dat de verdachte de goederen heeft gevonden, niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001283-16

Parketnummer: 10-810338-12

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 5 november 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 12 oktober 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair – waar het de opzetheling betreft - ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfendertig dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan dertig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit hof heeft in hoger beroep bij arrest van 2 oktober 2014, met vernietiging van het vonnis waarvan beroep, het subsidiair ten laste gelegde – schuldheling - bewezen verklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentien dagen met aftrek van voorarrest, waarvan veertien dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden als vermeld in dat arrest.

Namens de verdachte is op 10 oktober 2014 tegen het arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van

16 februari 2016 het arrest van dit hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 juli tot en met

26 juli 2012 te X met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening in / uit een woning heeft weggenomen onder andere een of meerdere bankpassen en/of een of meer horloges en/of een autosleutel en/of huissleutels en/of geld (tot een bedrag van ongeveer 250 euro) en/of kussenslopen en/of (een) klui(s)(zen) met daarin onder andere sieraden, een geld bedrag tot een hoogte van ongeveer 12.000 euro, een laptop, autosleutels en kentekenbewijzen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan A en/of B en/of C en/of D, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming en/of door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik van (een) sleutel(s) van D, tot welk gebruik hij niet gerechtigd was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 26 juli 2012, in elk geval in of omstreeks de periode van 20 juli 2012 tot en met 26 juli 2012 te X en/of Y (een) goed(eren), te weten een of meerdere bankpassen en/of een e.dentifier (van de abn-amro bank), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door (gekwalificeerde) diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair, impliciet primair (opzetheling), is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan –overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal- behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 26 juli 2012, in elk geval in of omstreeks de periode van 20 juli 2012 tot en met 26 juli 2012 te X en/of Spijkenisse (een) goed(eren), te weten een of meerdere bankpassen en/of een e.dentifier (van de abn-amro bank), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf, namelijk door (gekwalificeerde) diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte (ook) van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er een mogelijk alternatief scenario bestaat, waarin de eigenaar de bankpassen en de e.dentifier heeft verloren en dat deze door de verdachte zijn gevonden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat dit alternatieve scenario zeer onaannemelijk is.

Dat een rechthebbende zowel de bankpasjes als een e.dentifier samen bij zich draagt en deze voorwerpen alle tegelijk verliest is hoogst onwaarschijnlijk. Ook het gedrag van de verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding, het wegrennen en weggooien van de pasjes en de e.dentifier, is met dit scenario niet te rijmen. De verdachte heeft voormelde goederen op enig moment verkregen en niet van de rechthebbende. Op grond van de tenaamstelling van de pasjes had de verdachte moeten vermoeden dat er sprake was van goederen die van misdrijf afkomstig waren.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair, impliciet subsidiair, bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenis-straf voor de duur van vijftien dagen waarvan tien dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden als vermeld in de vordering, alsmede tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van bankpassen en een e.dentifier, welk misdrijf het plegen van diefstallen en inbraken lucratief maakt en een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 september 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit en andere vermogensdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat, mede gelet op de ouderdom van het feit, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof acht geen termen aanwezig om, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf een bijzondere voorwaarde op te leggen, nu het bewezen verklaarde feit in juli 2012 is begaan en de verdachte recent nog (niet onherroepelijk) bestraft is. Het hof ziet evenmin aanleiding hiernaast een werkstraf op te leggen zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair, impliciet primair (opzetheling), ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair, impliciet subsidiair (schuldheling), ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

21 (eenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.P.A. van Engelen,

mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. W.P.C.M. Bruinsma, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 oktober 2016.

Mr. I.P.A. van Engelen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.