Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4393

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
200.182.318/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:14345, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 20 juli 2016

Zaaknummer : 200.182.318/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-8458

Zaaknummer rechtbank : C/09/476267

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.P. Friperson te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 18 december 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 oktober 2015 van de rechtbank Den Haag. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.182.318/01. Op 24 december 2015 heeft zij tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend, ingeschreven bij dit hof onder zaaknummer 200.182.318/02.

De vader heeft op 18 januari 2016 een verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingediend.

Van de zijde van de moeder is voorts op 1 februari 2016 een V-formulier van 31 januari 2016 met bijlagen bij het hof ingekomen.

De raad heeft bij brief van 27 januari 2016 zijn rapport van 28 mei 2015 aan het hof overgelegd, met de mededeling aan het hof ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 3 februari 2016 mondeling behandeld, doch uitsluitend wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 24 februari 2016 heeft dit hof het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking afgewezen.

Nadien is van de zijde van de moeder op 2 juni 2016 een V-formulier van 26 mei 2016 met bijlagen bij het hof ingekomen.

Op 15 juni 2016 is de hoofdzaak mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- [naam] namens de raad.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 18 maart 2015 van de rechtbank Den Haag en de bestreden beschikking.

Bij de beschikking van 18 maart 2015 is een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige bepaald en is de raad verzocht onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid van gezamenlijk gezag en hierover te rapporteren en te adviseren.

Bij de bestreden beschikking is - voor zover in dit hoger beroep van belang en met wijziging in zoverre van de beschikking van 12 juni 2012 van de rechtbank Den Haag - bepaald dat de moeder en de vader gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , (hierna te noemen: de minderjarige) en is een zorgregeling tussen de vader en de minderjarige vastgesteld. Voorts is een informatieregeling vastgesteld en zijn partijen verwezen naar het Expertisecentrum Haaglanden voor doorverwijzing naar Ouderschap Blijft. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De moeder verzoekt het hof bij beschikking - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vader af te wijzen.

2. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de moeder ongegrond te verklaren, althans haar beroep af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, eveneens uitvoerbaar bij voorraad.

3. De moeder stelt dat het raadsrapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De raad heeft immers geen kennis van de onderliggende stukken. Daarnaast doet de minderjarige zorgwekkende uitspraken over de vader. Zo heeft hij gezegd dat de vader een pistool heeft, dat de vader hem slaat en dat de moeder dood moet volgens de vader. Ook heeft hij geregeld last van buikpijn, diarree en koorts en is hij erg onrustig op school. De school maakt zich ernstige zorgen over de minderjarige en heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis. De communicatie verloopt stroef tussen partijen en de vader blijkt een onbetrouwbare gesprekspartner. Er zijn wel degelijk contra-indicaties voor uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting.

4. De vader bestrijdt de stellingen van de moeder. Volgens de vader is het raadsrapport op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en blijkt dit uit de uitspraak van de klachtencommissie. Slechts op een onbelangrijk procedureel subonderdeeltje is het klaagschrift van de moeder gegrond verklaard en verder ongegrond. De zorgwekkende uitlatingen die de minderjarige volgens de moeder doet, worden door niemand bevestigd. Sinds de bestreden beschikking worden de uitlatingen die de moeder aan de minderjarige toeschrijft, steeds heftiger. De vader vindt dit een kwalijke zaak. De moeder toont niet aan dat de somatische klachten van de minderjarige komen door de overnachtingen bij de vader. Ook toont zij niet aan dat de minderjarige klem of verloren tussen de ouders zal raken bij gezamenlijk gezag of dat er contra-indicaties voor uitbreiding van de zorgregeling bestaan.

5. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders nog altijd slecht is. Het traject Ouderschap Blijft is voortijdig afgebroken en heeft niet geleid tot een verbetering van de communicatie. De zorgen rond de minderjarige nemen toe: hij wordt onverminderd emotioneel belast met de strijd tussen de ouders, is angstig en vaak ziek. Ter zitting is gebleken dat de raad in dezen een beschermingsonderzoek gaat starten. Een kinderbeschermingsmaatregel zal mede tot doel hebben onder begeleiding van een gezinsvoogd de verhouding van partijen te verbeteren, zodat de minderjarige zich veilig en vertrouwd gaat voelen. De minderjarige zal een vertrouwenspersoon toegewezen krijgen.

6. Gelet op voormelde feiten en omstandigheden acht het hof zich thans onvoldoende geïnformeerd om op basis van de thans voorliggende stukken een eindbeslissing te nemen over de voorliggende verzoeken. Zoals ter zitting met partijen is besproken, zal het hof de zaak dan ook aanhouden ten einde de resultaten van het beschermingsonderzoek van de raad af te wachten. Tot die tijd acht het hof het in het belang van de minderjarige om de thans tussen partijen overeengekomen en lopende zorgregeling voorlopig vast te stellen. Onweersproken is dat de minderjarige thans een weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 12:00 uur bij de vader is, het weekend daarop op zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur en het weekend daarop bij de moeder. Gezien het verhandelde ter terechtzitting en gelet op het advies van de raad ziet het hof geen reden een andere regeling zonder overnachting vast te leggen. Het staat partijen uiteraard vrij deze regeling in onderling overleg dan wel met behulp van de eventueel aangestelde gezinsvoogd te wijzigen.

7. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de daarbij vastgestelde zorgregeling betreft en, opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de minderjarige voorlopig, in afwachting van de uitkomst van het beschermingsonderzoek door de raad en totdat hierover anders zal zijn beslist dan wel tussen partijen anders zal zijn overeengekomen, bij de vader zal zijn het ene weekend op zaterdag van 10:00 uur tot zondag 12:00 uur, het weekend erop van zaterdag 10:00 uur tot 16:00 uur en het weekend daarop bij de moeder, en zo verder;

bepaalt dat de advocaten van partijen het hof vóór na te melden pro formadatum zullen rapporteren omtrent het verloop van het beschermingsonderzoek;

bepaalt dat de advocaten van partijen het hof eveneens vóór na te melden pro formadatum zullen berichten of een nadere mondelinge behandeling is gewenst of dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 31 december 2016 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, C. van Nievelt en I. Jansen, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2016.