Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:439

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
200.134.933/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Binnenvaartrecht. Geen aansprakelijkheid afzender voor grijperschade bij lossing binnenvaartschip. Beoordeling volgens het CMNI en aanvullend Nederlands recht (art. 8:913 en 8:929 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/52
NTHR 2016, afl. 3, p. 199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.134.933

Zaaknummer rechtbank : C/10/399401/HA ZA 12-330 (ECLI:NL:RBROT:2013:6177)

arrest van 23 februari 2016

inzake:

1 […] VOF,
gevestigd te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],
wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],
wonende te [woonplaats],

appellanten,
hierna tezamen aangeduid als: [appellanten],

advocaat: mr. T. Roos (Rotterdam),

tegen


NEDERLANDSE ONTTINNINGSFABRIEK B.V.,
gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: NOF,

advocaat: mr. R.J. Kramer (Maastricht).

1 Het verdere verloop van het geding

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenarrest van 30 december 2014 waarin een comparitie van partijen is bevolen. Deze comparitie is gehouden op 6 maart 2015. Voorafgaande aan de comparitie hebben de advocaten van partijen elk een brief met bijlagen aan het Hof doen toekomen. De advocaat van NOF heeft ter comparitie een memo overgelegd met daarin aantekeningen naar aanleiding van het laatste tussenarrest. Na afloop van de comparitie is een datum voor een vervolguitspraak bepaald.

2 De verdere beoordeling van het hoger beroep

inleiding

2.1.

Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of NOF als afzender van een door [appellanten] met het binnenvaartschip ‘[naam]’ van Leeuwarden naar Duinkerken (Frankrijk) vervoerde lading onttind blik aansprakelijk kan worden gehouden voor grijperschade die bij lossing aan dit binnenvaartschip is toegebracht door de stuwadoor die door de ontvanger ArcelorMittal was ingeschakeld.

beslissing van de rechtbank

2.2.

De rechtbank beantwoordde deze vraag ontkennend op basis van de volgende, vrij weergegeven, overwegingen: (i) het op de vervoerovereenkomst toepasselijke CMNI (Verdrag van 22 juni 2001, Trb. 2001, 124) regelt niet welke partij aansprakelijk is voor schade die ontstaat in het kader van het lossen van een schip; (ii) nu hierover ook in de bevrachtingsovereenkomst niets is opgenomen dient te worden teruggevallen op Boek 8, titel 10, afdeling 2, BW; (iii) het in die afdeling opgenomen art. 8:913, lid 1, BW, dat de afzender verplicht tot vergoeding van onder meer schade die door de behandeling van de lading is ontstaan, kan in dit geval niet dienen als basis voor aansprakelijkheid, omdat NOF, hoewel afzender zijnde, juridisch noch feitelijk bij de lossing betrokken was en het in die fase ook niet in haar macht had om schade te voorkomen; (iv) ook is niet gehandeld in strijd met art. 8:926 BW, aangezien in de stellingen van [appellanten] niet besloten ligt dat NOF haar naar een onveilige los-

plek heeft verwezen. De tegen NOF gerichte vordering is daarom afgewezen. Dat geschiedde bij vonnis van 3 juli 2013

2.3.

In datzelfde vonnis is ArcelorMittal wel aansprakelijk gehouden. De overwegingen daarbij zijn: (i) art. 8:929 lid 2 BW bepaalt dat de ontvanger verplicht is de zaken uit het schip te lossen; (ii) door de vervoerde goederen in ontvangst te nemen is zij toegetreden tot de bevrachtingsovereenkomst, inclusief daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen; (iii) dat betekent in dit geval dat de aansprakelijkheid van de afzender ex art. 8:913 BW, voor zover het de behandeling van de zaken tijdens de lossing betreft, op haar is overgegaan, (iv) waarbij geen verschil maakt of zij de goederen zelf heeft gelost of daarvoor de hulp van anderen heeft ingeroepen (art. 6:76 BW). In een volgend vonnis (2 april 2014) is ArcelorMittal veroordeeld tot betaling van een concreet bedrag aan schadevergoeding aan [appellanten], aan welk vonnis inmiddels is voldaan, waardoor [appellanten] haar schade (grotendeels) vergoed heeft gekregen. Het financieel belang van de onderhavige procedure is daarmee grotendeels verdwenen.

de grieven

2.4

Het hoger beroep van [appellanten] richt zich tegen de afwijzing van haar vordering tegen NOF. Haar grieven - althans vier van de vijf; de vijfde gaat over de proceskosten en mist zelfstandige betekenis - betreffen in de kern het oordeel van de rechtbank dat NOF juridisch niet bij de lossing betrokken was, waarmee bedoeld zal zijn dat het lossen geen verplichting van NOF was. [appellanten] meent dat ofwel het CMNI aldus moet worden uitgelegd dat de afzender te allen tijde verantwoordelijk is voor de lossing, ofwel zodanige verantwoordelijkheid op grond van het aanvullend toepasselijke Nederlandse recht dient te worden aanvaard. Hierover wordt het volgende overwogen.

2.5

Wat de door [appellanten] voorgestane uitleg van het CMNI betreft moet worden vastgesteld dat de tekst van het verdrag daarvoor geen houvast biedt; die tekst wijst immers niet de afzender aan als degene die tot lossing gehouden is en/of schadeplichtig is voor de daarbij aan het schip toegebrachte beschadigingen. Ook aan de hand van de (overige) uitlegmaatstaven van art. 31 en 32 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, Wenen, 23 mei 1969 - waaronder de wordingsgeschiedenis, zoals die kenbaar is uit de inmiddels gepubliceerde travaux préparatoires - kan niet tot een dergelijke gehoudenheid/aansprakelijkheid van de afzender worden geconcludeerd. Evenmin is gebleken van een heersende opvatting in rechtspraak en literatuur van de andere verdragsstaten volgens welke die gehoudenheid/aansprakelijkheid (toch wel) in het verdrag besloten ligt. Het verdrag lijkt bij de inontvangstneming/lossing veeleer aan de ontvanger te hebben gedacht. Die gedachte is ook verwoord in de memorie van toelichting op de goedkeurings-/ uitvoeringswet van het CMNI (Kamerstukken II 2004/05, 29 943, MvT, nr. 3, pag.3): ‘Gelet op artikel 6, vierde lid en artikel 10, tweede lid, CMNI zullen in beginsel de afzender en de ontvanger zorgdragen voor respectievelijk de lading en de lossing, waarbij de inontvangstneming en de aflevering ingevolge artikel 3, tweede lid, CMNI, tenzij anders overeengekomen aan boord zullen plaatsvinden.’

2.6

Dat laatste – de afzender zorgt voor het laden, de ontvanger voor het lossen – is naar het aanvullend toepasselijke Nederlandse recht niet anders (art. 8:929 lid 2 BW). Art. 8:913 lid 1 BW, dat de afzender jegens de vervoerder schadeplichtig maakt, vormt daarop geen aanvulling; dat de afzender schadeplichtig is voor o.a. stuwadoorsschade (ook bij lossing; vgl. Parl. Gesch. Boek 8, blz. 421) - welke schadeplichtigheid, naar wordt aangenomen, evenzeer geldt voor de ontvanger, ‘voor zover deze laatste althans in zijn plaats als wederpartij van de vervoerder moet beschouwd’ (vgl. Parl. Gesch. Boek 8, blz. 424) - betekent niet dat hij reeds daarom naast de ontvanger gehouden is om te lossen. Van belang hierbij is verder dat deze schadeplichtigheid niet een risicoaansprakelijkheid is, maar een schuldaansprakelijkheid, die (dus) niet geldt ‘voor zover de[..] schade is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig afzender [..] niet heeft kunnen vermijden en waarvan zulk een afzender de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen’, anders gezegd: ingeval van een geslaagd beroep op overmacht (art. 8:913 lid 1 BW). Daarvan is hier (sowieso) sprake, nu [appellanten] niet gemotiveerd is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat NOF - die dus niet (krachtens overeenkomst, wet of verdrag) tot lossen gehouden was - geen enkele bemoeienis heeft gehad met de lossing en het in die fase ook niet in haar macht had om de schade te voorkomen, terwijl evenmin gesteld of gebleken is dat de schade bij lossing gevolg is van een tekortschieten van NOF in de nakoming van een (wel) op haar als afzender rustende verplichting uit hoofde van (bijvoorbeeld) art. 6 CMNI en/of van de tweede afdeling van titel 10 van boek 8 BW. Voor het niettemin toerekenen aan haar van onzorgvuldige gedragingen van de hulppersoon van de ontvanger bestaat onder deze omstandigheden geen goede grond. Zoals de rechtbank hierbij heeft aangetekend, kan de situatie anders zijn indien, zoals in de praktijk gebruikelijk, krachtens toepasselijke bevrachtingsvoorwaarden, de verplichting tot lossing, behalve op de ontvanger, tevens op de afzender rust.

2.7

Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht besloot tot afwijzing van de door [appellanten] tegen NOF als afzender ingestelde vordering. De tegen die afwijzing gerichte grieven van [appellanten] falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met een veroordeling van [appellanten], als zijnde de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing

Het Hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van NOF tot aan deze uitspraak bepaald op € 1.862,-- aan verschotten en € 1.788,-- (2 punten x tarief II) aan salaris voor de procesadvocaat, met bepaling dat over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd is vanaf zeven dagen na betekening van het arrest;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, H.J. Vetter en R.F. Groos, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.