Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4376

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
29-05-2017
Zaaknummer
200.065.022/04
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1025, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige overheidsdaad. Gewezen verdachte. Begaclaim-criteria

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0485
NJ 2019/415 met annotatie van T. Kooijmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.065.022/04

Rolnummer rechtbank : 242204 / HA ZA 05-1469

arrest van 22 november 2016

inzake

  1. [appellant],

  2. [appellante],

beiden wonende te Sint Michielsgestel,

appellanten,

hierna te noemen: [appellanten] of ieder afzonderlijk [appellant] en [appellante],

advocaat: mr. Y. Moszkowicz te Utrecht,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. R.W. Veldhuis te Den Haag.

Het geding

1. Bij exploot van 16 april 2010 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010. Bij memorie van grieven, tevens wijziging/aanvulling van eis met producties, van 15 juli 2014 hebben zij drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord van 4 november 2014 met producties bestreden. De zaak is op 27 januari 2015 ambtshalve geroyeerd en op 3 mei 2016 weer geïntroduceerd. Partijen hebben de zaak vervolgens op 10 oktober 2016 doen bepleiten door hun advocaten, die zich daarbij hebben bediend van aan het hof overgelegde pleitnotities. Beide partijen hebben ten behoeve van het pleidooi nog nadere producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest bepaald.

2. [appellanten] hebben voorts bij verzoekschrift van 15 december 2014 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Dat verzoek is bij beschikking van dit hof van 21 april 2015 afgewezen.

Beoordeling van het hoger beroep

3. De rechtbank heeft onder 2.1-2.41 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling is niet opgekomen, zodat het hof van diezelfde feiten dient uit te gaan. Het gaat om het volgende:

  1. [appellant] en [appellante] zijn levenspartners.

  2. [appellant] dreef een eenmanszaak onder de handelsnaam Clip Confectie Service. In dat kader hield hij zich onder meer bezig met het snijden van stoffen ten behoeve van de confectie-industrie.

  3. Op 25 november 1999 heeft een huiszoeking plaatsgevonden in het door [appellant] gehuurde bedrijfspand aan de [adres] waarin de door [appellant] gedreven onderneming was gevestigd. Bij deze inval is een XTC-laboratorium ontmanteld en een hoeveelheid vloeibare XTC inbeslaggenomen.

  4. Op 29 november 1999 heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie in ieder geval jegens [appellant] een gerechtelijk vooronderzoek (hierna: “gvo”) geopend.

  5. Op 31 januari 2000 is [appellante] aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van artikel 2 in verband met artikel 10 en/of 10a Opiumwet. Op 1 februari 2000 is [appellante] in vrijheid gesteld.

  6. [appellant] is op 1 februari 2000 aangehouden en in verzekering gesteld voor de duur van drie dagen op verdenking van overtreding van artikel 2 in verband met artikel 10 en/of artikel l0a Opiumwet en artikel 140 Wetboek van Strafrecht (Sr).

  7. De officier van justitie heeft de inverzekeringstelling van [appellant] op 4 februari 2000 met (maximaal) drie dagen verlengd. Diezelfde dag is [appellant] voorgeleid aan de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft de inverzekeringstelling als rechtmatig beoordeeld, maar de vordering van de officier van justitie tot inbewaringneming voor de duur van tien dagen afgewezen. [appellant] is op 6 februari 2000 in vrijheid gesteld.

  8. Uit onderzoek is gebleken dat [appellant] en [appellante] voorafgaand aan de ontmanteling van het XTC-laboratorium contact hadden met (een van) de andere verdachten in deze zaak en dat [appellant] aan een van hen op 30 oktober 1999 de sleutels en op 13 november 1999 de toegangscode van het bedrijfspand heeft verstrekt.

  9. Op 16 februari 2000 is door [verbalisant 1], brigadier/rechercheur van politie, regio Brabant-Noord, Dienst Centrale Recherche (hierna: “[verbalisant 1]”) op ambtseed proces-verbaal opgemaakt van een door hem uitgeluisterd telefoongesprek tussen verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] dat werd afgeluisterd op 12 november 1999. Naast voormeld proces-verbaal is van het bewuste gesprek (eerder) ook een tapjournaal opgemaakt door [verbalisant 2].

  10. Bij mondeling vonnis van 19 september 2001 heeft de politierechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch [appellante] vrijgesproken van de haar tenlastegelegde overtreding van artikel 2 jo artikel 10 en l0a Opiumwet.

  11. Bij vonnis van 25 september 2002 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch [appellant] vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. De meervoudige strafkamer van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 13 mei 2003 in de strafzaak tegen [appellant] het vonnis van de rechtbank bevestigd. Daarbij is onder meer als volgt overwogen:

“Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte als

bovenvermeld is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair en subsidiair ten laste is gelegd, op grond van de omstandigheid, dat niet is gebleken dat de verdachte, op het moment dat hij de sleutels van het bedrijfspand (...) afstond aan een derde, bekend was met voornemen van die derde en/of anderen om in dat pand een XTC-laboratorium te vestigen.

Het hof acht ook de meer subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan het door een ander of anderen gepleegde gronddelict (kort gezegd, het exploiteren van een XTC- laboratorium) niet wettig en overtuigend bewezen. Medeplichtigheid in de vorm van het gelegenheid bieden tot het plegen van het gronddelict, door het bedrijfspand (...) aan die ander of anderen ter beschikking te stellen, is op grond van de hierboven omschreven omstandigheid niet bewijsbaar.

Medeplichtigheid in de vorm van het behulpzaam zijn bij het plegen van het gronddelict, is evenmin bewijsbaar, aangezien - daargelaten de vraag of bij de verdachte inmiddels volstrekte wetenschap bestond dat in het bedrijfspand een XTC-Ïaboratorium gevestigd was - uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de verdachte het bedrijfspand voor die ander of anderen beschikbaar heeft gehouden. Uit het dossier volgt integendeel dat de verdachte alles in het werk heeft gesteld om die ander of anderen uit het pand te verwijderen.”

Bij beschikking van 22 december 2003 is aan [appellant] op de voet van het bepaalde in artikel 89 Sv een bedrag van € 5.000,- toegekend en op de voet van artikel 591a Sv een bedrag van € 24.604,50.

In een brief van 18 december 2003 van de hoofdofficier van Justitie te ’s-Hertogenbosch, R.W.M. Craemer, aan De Telegraaf, is onder meer opgenomen: “Op basis van dergelijke gegevens ging politie en O.M. er van uit dat [appellant] hand en spandiensten verleende. Later is aan de hand van afgelegde verklaringen het beeld (ook voor het O.M.!) veranderd. Maar zo is het begonnen. (…) Uiteindelijk heeft de rechter geoordeeld dat in dit concrete geval [appellant] strafrechtelijk niets te verwijten viel. Dat gun ik hem uiteraard van harte.”

In een ambtsbericht van 21 maart 2011 van advocaat-generaal mr. T.W. d’Anjou in het kader van een beklagprocedure op de voet van artikel 12 Sv is onder meer opgenomen: “Klagers zijn – achteraf gezien – ten onrechte aangehouden en hebben daar veel leed van ondervonden. Echter voor genoegdoening is er de procedure van artikel 89 en 591 Wetboek van strafvordering. De procedure wegens schade uit onrechtmatige daad tegen de Staat zijn klagers in het ongelijk gesteld. Het lijkt er op dat klagers via de procedure van artikel 12 Wetboek van strafvordering alsnog hun gram willen halen tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor hun leed. Daar is deze procedure echter niet voor bestemd.”

4. [appellanten] vorderden in eerste aanleg, samengevat weergegeven, een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de ten gevolge van het onrechtmatig handelen van de Staat door [appellant] geleden materiële schade en de door [appellant] en [appellante] geleden immateriële schade, alsmede de veroordeling van de Staat tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente. Tot slot vorderden zij de veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

5. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de kosten van het geding.

6. [appellanten] hebben in hoger beroep hun vordering uit eerste aanleg gehandhaafd. Zij hebben hun vordering verder aldus vermeerderd dat zij in hoger beroep ook vorderen dat voor recht wordt verklaard dat zij ten onrechte als verdachten zijn aangemerkt en dat de Staat door het aanvangen en voortzetten van de vervolging onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld en dat dit onrechtmatig handelen aan de Staat kan worden toegerekend. Tot slot vorderen zij dat voor recht wordt verklaard dat de Staat door het in stand houden en bezigen als bewijs van verschillende transcripties van één telefoongesprek van 12 november 1999 onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld en dat dit onrechtmatig handelen aan de Staat kan worden toegerekend.

7. Grief I komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van de situatie dat dwangmiddelen zijn toegepast in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten. [appellanten] voeren aan dat de rechtbank is uitgegaan van de onjuiste premisse dat de verdenking ten tijde van de arrestatie van [appellanten] en de inverzekeringstelling van [appellant] op goede gronden tot stand was gekomen, terwijl die verdenking volledig was gebaseerd op de eerste uitwerking van het telefoongesprek van 12 november 1999, waarin ten onrechte door verbalisant [verbalisant 2] is verwerkt dat gezegd zou zijn dat derden de loods nog langer wilden huren.

Grief II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de situatie dat de onschuld van [appellanten] is gebleken, zich niet voordoet. [appellanten] voeren aan dat het in strijd komt met de onschuldpresumptie om na een vrijspraak nog aan hun onschuld te twijfelen, zodat de Nederlandse jurisprudentie over het “gebleken-onschuld-criterium” in strijd is met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens terzake artikel 6, tweede lid, EVRM. Uit het arrest van (de strafkamer van) het hof ’s-Hertogenbosch van 13 mei 2003 blijkt bovendien dat het hof zich in positieve zin over de onschuld van [appellant] heeft uitgesproken.

Met grief III voeren [appellanten] aan dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld doordat tot drie maal toe een nieuwe transcriptie is uitgewerkt van het telefoongesprek van 12 november 1999, die belastend voor hen was, terwijl zij daardoor ten onrechte als verdachte zijn aangemerkt en bloot hebben gestaan aan een langdurige vervolging.

8. Het hof oordeelt als volgt. Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956) bestaan voor de gewezen verdachte, kort samengevat, twee mogelijkheden tot schadevergoeding in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie op de voet van onrechtmatige overheidsdaad.

In de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv. heeft ontbroken.

In de tweede plaats kan zich, ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, het geval voordoen dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.

9. Grief I stelt de vraag aan de orde of het onder I bedoelde geval zich voordoet en in het bijzonder of de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ten tijde van de toepassing van dwangmiddelen en de daarop gebaseerde vervolging jegens [appellant] en [appellante] een redelijk vermoeden van schuld bestond. Het hof zal de vraag of deze situatie zich voordoet ten aanzien van [appellant] en [appellante] afzonderlijk bespreken.

10. Ten aanzien van [appellant] onderschrijft het hof oordeel van de rechtbank dat de vraag of een redelijke verdenking bestond reeds door de strafrechter (rechter-commissaris) is beoordeeld toen deze een gvo opende. De opening van een gvo impliceert dat de rechter-commissaris van oordeel was dat een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken verzet zich ertegen dat de burgerlijke rechter zich vervolgens achteraf opnieuw over diezelfde vraag buigt.

11. Ten aanzien van [appellante] heeft te gelden dat de rechtbank heeft overwogen dat ook tegen haar een gvo is geopend en dat daarmee is gegeven dat de strafrechter over het bestaan van een redelijke verdenking heeft geoordeeld. Het hof kan niet vaststellen of dit juist is. In het proces-verbaal van 26 november 1999, waarin er melding van is gemaakt dat door de officier van justitie mondeling een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek werd gedaan (productie 22 bij memorie van antwoord), is uitsluitend [appellant] genoemd als de verdachte tegen wie de opening van een gvo werd gevorderd. Aangezien (de advocaat van) [appellante] geen grief heeft gericht tegen de vaststelling van de rechtbank en zelf ook stelt dat er tegen [appellante] een gvo is geopend (paragraaf 3 memorie van grieven), is het hof aan die vaststelling gebonden. Dat betekent dat in deze civiele procedure moet worden aangenomen dat destijds ook tegen [appellante] een redelijk vermoeden van schuld bestond.

12. Grief I stuit hierop af. [appellanten] hebben bij de onderbouwing van grief I verder naar voren gebracht dat er meerdere uitwerkingen zijn van het telefoongesprek van 12 november 1999. Het hof zal de vraag of de Staat hiermee onrechtmatig heeft gehandeld in het kader van grief III behandelen.

13. Grief II behandelt het hierboven onder II bedoelde geval en stelt in de eerste plaats de vraag aan de orde of het de burgerlijke rechter in het licht van artikel 6 EVRM vrij staat in een civiele procedure te toetsen of de onschuld van de gewezen verdachte is gebleken. In zijn arrest van 18 januari 2011 (ECLI:NL:XX:2011:BP6170; Bok / Nederland) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld over de vraag of het in de Nederlandse jurisprudentie ontwikkelde (en door de rechtbank in deze zaak toegepaste) systeem voor schadevergoeding voor een gewezen verdachte zich verhoudt met de in artikel 6 EVRM neergelegde onschuldpresumptie. Het hof oordeelde onder meer als volgt:

42. […] the applicant was awarded a sum of money towards his costs and expenses in dedicated proceedings which have not given rise to allegations that Article 6 § 2 has been violated, the applicant having chosen to bring additional civil proceedings in an attempt to obtain further sums.

43. The Court finds this latter distinction to be decisive. After all, in civil proceedings it is normally the plaintiff in a defended action who bears the burden of proof (affirmanti non neganti incumbit probatio, enshrined in domestic procedure as Articles 149 and 150 of the Code of Civil Procedure, see paragraphs 26 and 27 above).

44. The applicant based his claim on the premise that any suspicion against him had been groundless from the outset (see paragraph 13 above). For his claim to succeed, the applicant was required to prove his position by any of the means which domestic procedure placed at his disposal (see paragraphs 18 and 27–29 above).

45. The Court cannot find it unreasonable that the applicant was required to prove, on balance, the truth of his allegation that there had never been any reason to suspect him in circumstances where he was claiming damages in this regard. If the Court were to hold otherwise it would lead to the absurd consequence of obliging the domestic courts to take the applicant's assertions of wrongdoing on the part of the state at face value. The domestic courts were satisfied that there was prima facie evidence upon which the State was entitled to bring the criminal proceedings against the applicant. He enjoyed the presumption of innocence and was entitled to the benefit of the doubt in criminal proceedings. His acquittal was based on the fact that the evidence of the prosecution was not sufficient to find him guilty beyond reasonable doubt. His acquittal in criminal proceedings did not mean that he was dispensed from the obligation of having to prove his claim for damages brought in civil proceedings in accordance with the applicable domestic rules regarding burden of proof (see paragraphs 43–44 above).

46. It must be accepted as a consequence that the domestic civil courts were required, and therefore entitled, to decide whether the applicant had properly discharged his burden of proof.

In dit oordeel ligt besloten dat het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt dat [appellanten] in deze civiele procedure het onrechtmatig handelen van de Staat moeten bewijzen in die zin dat zij moeten aanwijzen waar uit het strafdossier hun onschuld volgt, niet onverenigbaar is met artikel 6 EVRM. Dat geldt blijkens de overwegingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (achter 42 van de uitspraak) in het bijzonder waar aan [appellant] op de voet van artikel 89 en 591a Sv vergoedingen zijn toegekend en hij niet stelt dat in die procedures de onschuldpresumptie is geschonden. Artikel 13 EVRM – dat overigens niet in de memorie van grieven is genoemd, maar eerst ter zitting van het hof – verzet zich evenmin ertegen dat van een eiser in een civiele procedure wordt verlangd dat hij het onrechtmatig handelen van zijn wederpartij bewijst.

14. Het hof dient vervolgens te beoordelen of [appellanten] hebben voldaan aan de op hen rustende stelplicht en bewijslast. Daarbij heeft, zoals de rechtbank met juistheid overwoog, als uitgangspunt te gelden dat, om onrechtmatig handelen van de Staat aan te nemen, moet worden beoordeeld of uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak dan wel de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. Blijkens de hierboven aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het hier om een restrictief criterium dat enerzijds is ingegeven door de gedachte dat een risicoaansprakelijkheid in die zin dat de Staat het risico draagt schade te moeten vergoeden, indien de strafvervolging ten slotte, om welke reden dan ook, niet tot een veroordeling leidt, niet kan worden aanvaard, en dat anderzijds verband houdt met de onwenselijkheid dat de burgerlijke rechter zich anders in de regel ertoe genoopt zou zien in een daarop niet toegesneden procedure vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de strafrechter is toegerust en geroepen, en die deze, in geval van vrijspraak, veelal reeds bij gewijsde heeft beantwoord.

Zoals de rechtbank ook met juistheid heeft overwogen, is om het onrechtmatig handelen van de Staat aan te nemen, niet voldoende dat [appellanten] door de strafrechter zijn vrijgesproken.

15. Binnen dit kader zal het hof opnieuw afzonderlijk bespreken of de Staat jegens [appellant] enerzijds en [appellante] anderzijds onrechtmatig heeft gehandeld.

16. Met betrekking tot [appellante] heeft te gelden dat zij is vrijgesproken bij mondeling vonnis van 19 september 2001. Die vrijspraak is een ongemotiveerde (“negatieve”) vrijspraak. Daaruit is niet af te leiden dat de Staat onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld.

17. [appellant] beroept zich in de eerste plaats op het arrest van de strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 mei 2003. Hij stelt dat het hof daarin heeft uitgesproken dat zijn onschuld aan hetgeen hem ten laste is gelegd, is gebleken.

18. Met betrekking tot hetgeen primair en subsidiair ten laste is gelegd, volgt het hof [appellant] niet in zijn standpunt. De strafrechter heeft uitgesproken dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen omdat “niet is gebleken dat [appellant], op het moment dat hij de sleutels van het bedrijfspand (…) afstond aan een derde, bekend was met het voornemen van die derde en/of anderen om in dat pand een XTC-laboratorium te vestigen.” De strafrechter heeft aan zijn oordeel dus ten grondslag gelegd dat de bekendheid van [appellant] over het voornemen van die derde, niet is gebleken. Daarmee heeft de strafrechter niet het voor het bewijs van het onrechtmatig handelen van de Staat vereiste oordeel uitgesproken dat de onschuld van [appellant] is gebleken.

Met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde heeft te gelden dat de strafrechter medeplichtigheid in de vorm van het behulpzaam zijn bij het gronddelict niet bewijsbaar heeft geacht omdat uit het dossier blijkt dat [appellant] alles in het werk heeft gesteld om de personen die een XTC-laboratorium in het bedrijfspand hadden gevestigd, daaruit te verwijderen. Het hof onderschrijft de stelling van [appellant] dat daaruit is af te leiden dat de strafrechter van oordeel was dat [appellant] op enig moment activiteiten heeft ondernomen om de personen die in het bedrijfspand een XTC-laboratorium hadden gevestigd, daar weg te krijgen. Het hof kan dat oordeel echter niet zodanig lezen dat het ook betrekking heeft op het primair en subsidiair ten laste gelegde. Omdat de toegepaste dwangmiddelen en de vervolging ook op die ten laste gelegde feiten betrekking hadden, stuit de grief daarop reeds af.

19. Het bovenstaande wordt, zowel ten aanzien van [appellant] als ten aanzien van [appellante], niet anders wanneer de brief van 18 december 2003 aan De Telegraaf en het ambtsbericht van 21 maart 2011 in aanmerking worden genomen. De brief aan De Telegraaf behoort in ieder geval niet tot de stukken van de strafzaak en dient daarom buiten beschouwing te blijven. Voor het ambtsbericht geldt hetzelfde aangezien het is opgemaakt in het kader van een artikel 12 Sv-procedure. Bovendien heeft te gelden dat uit het ambtsbericht niet is af te leiden dat de advocaat-generaal zich heeft willen uitlaten over de vraag die in deze civiele procedure moet worden beantwoord. Van een gerechtelijke erkentenis is reeds geen sprake omdat de uitlatingen niet, zoals artikel 154 Rv vereist, in een aanhangig geding zijn gedaan.

20. [appellant] heeft verder aangevoerd dat uit de gehanteerde sepotgronden voor de feiten waarvoor hij niet is vervolgd, blijkt dat hij ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Dat betoog faalt reeds omdat de dwangmiddelen ook zijn ingezet met het oog op het onderzoek naar de feiten waarvoor [appellanten] wel zijn vervolgd.

21. Grief II stuit op het bovenstaande af.

22. Grief III heeft betrekking op de uitwerking van het telefoongesprek op 12 november 1999. [appellanten] stellen dat tot drie maal toe een nieuwe transcriptie is uitgewerkt die belastend was voor [appellant] en [appellante] en dat zij daardoor ten onrechte als verdachten zijn aangemerkt en ten onrechte hebben bloot gestaan aan langdurige vervolging (pagina 17 memorie van grieven). Zoals tijdens de zitting van het hof aan de orde is gekomen, bevindt zich in het dossier van het hof het tapjournaal waarin het bewuste gesprek is uitgewerkt door [verbalisant 2], en de uitwerking in het proces-verbaal van 16 februari 2000 door [verbalisant 1]. In het tapjournaal is als titel opgenomen “[L] wil langer huren / auto [T]”. In de uitwerking is opgenomen dat door [verdachte 2] is gezegd “zeg maar tegen Robert dat eeh, die [L], nog wilde huren, een maand”. In de uitwerking door [verbalisant 1] is als tekst van [verdachte 2] opgenomen: “Ik moet nog eeh, ik moet nog eeh, zeg maar tegen [R] dat Eeh, die “[L]”, nog wilde huren, een maand.” Afgezien van het onderwerp in het tapjournaal, komen deze uitwerkingen op hoofdlijnen overeen en is dus niet in te zien hoe hiermee door de Staat onrechtmatig is gehandeld, dit overigens nog daargelaten dat er geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat voor het handelen van [verbalisant 1] niet aansprakelijk is (rov. 4.21 van het bestreden vonnis).

23. Het hof is ook overigens van oordeel dat [appellanten] niet voldoende hebben onderbouwd dat zij door het bestaan van verschillende transcripties, ook niet wanneer wordt aangenomen dat er nog een derde transscriptie is, zijn blootgesteld aan een verdenking en een vervolging. Zoals door de rechtbank is overwogen, waren er meerdere feiten waarop de toepassing van de dwangmiddelen, het redelijk vermoeden van schuld en de vervolging waren gebaseerd. Voor de conclusie dat er bij een juiste uitwerking van het telefoongesprek – wat die juiste uitwerking dan ook geweest moge zijn – geen verdenking en geen (verdere) vervolging zou zijn geweest, hebben [appellanten] onvoldoende feiten aangedragen. Daarom kan ook in het midden blijven of er nog een derde uitwerking van het gesprek is geweest en kan de uitkomst van het onderzoek van The Maastricht Forensic Institute evenmin tot een andere conclusie leiden.

24. Grief III faalt daarom ook.

25. Het bewijsaanbod is niet gespecificeerd en voldoet dus niet aan de eisen die daaraan in hoger beroep mogen worden gesteld en zal om die reden worden gepasseerd. Het hof voegt daaraan het volgende toe. Zoals hierboven is overwogen zijn bij beoordeling van de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, de stukken van de strafzaak het uitgangspunt. Voor zover het bewijsaanbod ertoe strekt nader bewijs over die strafzaak te leveren, is het daarom niet relevant. Voor zover het bewijsaanbod betrekking heeft op het horen van de in de strafzaak betrokken rechters, verwijst het hof naar hetgeen in de beschikking van 21 april 2015 is overwogen. Voor zover het betrekking heeft op het bestaan van meerdere uitwerkingen van het telefoongesprek van 12 november 1999 is het aanbod niet ter zake dienend omdat het hof hierboven heeft overwogen dat er tussen die gestelde onjuiste uitwerking en de gestelde schade geen causaal verband is.

26. Tegen de achtergrond van het bovenstaande falen de grieven en kan de (gewijzigde) vordering niet worden toegewezen. [appellanten] dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 20 januari 2010;

  • -

    wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

  • -

    veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 314,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, A. Dupain en H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2016 in aanwezigheid van de griffier.