Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:436

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
08-03-2016
Zaaknummer
200.179.324/01T
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2018:3436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

incident schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad; criteria

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.179.324/01

Zaak-/rolnummer rechtbank :C/09/475239 / HA ZA 14-1167

Arrest van 8 maart 2016

inzake

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in het incident,

appellanten in de hoofdzaak,

hierna te noemen: gezamenlijk [appellanten] en ieder voor zich [appellant 1] en [appellant 2] ,

advocaat: mr. M.R. Backer te Den Haag,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST (Midden- en Kleinbedrijf),

mede kantoorhoudende te Den Haag,

verweerder in het incident,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

hierna te noemen: de Ontvanger,

advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 21 oktober 2015 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 2 september 2015. Bij memorie van grieven (met producties) hebben [appellanten] één grief tegen het vonnis aangevoerd. Tevens hebben zij een incident opgeworpen, strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis. Voorts heeft [appellant 2] een processtuk getiteld “voorwaardelijk incidenteel appel tevens houdende voorwaardelijke vordering tot voeging ex artikel 217 jo 353 Rv” genomen. De Ontvanger heeft bij antwoord in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging de vordering van [appellanten] in het incident bestreden. Tevens heeft de Ontvanger bij antwoord in het voorwaardelijk incident tot voeging de voorwaardelijke incidentele vordering tot voeging bestreden. Daarna heeft de Ontvanger een kopie van het procesdossier gefourneerd en hebben partijen arrest in het incident gevraagd.

Beoordeling van de incidentele vordering

1. In deze zaak gaat het kort gezegd om het volgende. [appellant 1] staat als eigenaar geregistreerd van een appartement, gelegen [adres] (verder: het appartement). [appellant 2] heeft de aankoop van het appartement gefinancierd en houdt zich ook bezig met de exploitatie ervan. De Ontvanger heeft ter inning van een (omvangrijke) belastingschuld van [appellant 2] gevorderd dat de rechtbank [appellant 1] zal veroordelen te dulden dat de Ontvanger het appartement executoriaal of onderhands zal verkopen, alsmede zal bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de tot levering van het appartement bestemde akte. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen en heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2. [appellanten] hebben in hoger beroep een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ingesteld. Daaraan hebben zij kort gezegd ten grondslag gelegd dat zij en in het bijzonder [appellant 1] belang hebben bij de gevorderde schorsing, nu een executieverkoop onomkeerbaar is. Het belang van [appellanten] weegt volgens hen zwaarder dan het belang van de Ontvanger. De incidentele vordering tot voeging van [appellant 2] is ingesteld onder de voorwaarde dat hij niet reeds partij is in het op 21 oktober 2015 ingestelde hoger beroep.

3. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen, in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. De betreffende partij mag die bevoegdheid om tot executie over te gaan echter niet misbruiken. Van een dergelijk misbruik kan ingevolge artikel 3:13, tweede lid, BW sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan volgens het genoemde artikellid van misbruik van bevoegdheid sprake zijn indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen.

4. Dienovereenkomstig is in vaste rechtspraak aanvaard dat de rechter slechts dan de tenuitvoerlegging van een vonnis op de voet van artikel 351 Rv kan schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan, dan wel misbruik maakt van de bevoegdheid tot executie. Hiervan kan met name sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (zie o.a. HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575; HR 24 februari 1989, NJ 1989, 551; HR 30 oktober 1992, NJ 1993, 4 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012). Indien dergelijke omstandigheden zich niet voordoen, is de rechter in een executiegeschil als het onderhavige gebonden aan de beslissingen die door de rechter in het te executeren vonnis zijn gewezen. Dit uitgangspunt brengt bovendien mee dat de enkele mogelijkheid dat een hoger beroep kans van slagen heeft, geen omstandigheid is op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging van een vonnis.

5. Niet kan worden staande gehouden dat de Ontvanger, gelet op de omvang van de belastingvordering, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruik van zijn executiebevoegdheid. Hetgeen [appellanten] in hoger beroep hebben aangevoerd, wettigt evenmin het oordeel dat het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. [appellanten] hebben ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die zich na het vonnis van de rechtbank hebben voorgedaan of aan het licht gekomen zijn, die meebrengen dat voor [appellant 1] door de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zal ontstaan, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Gelet hierop is het hof gebonden aan de beslissing van de rechtbank tot uitvoerbaar verklaring van het vonnis.

6. De voorwaarde waaronder de incidentele vordering tot voeging van [appellant 2] is ingesteld, is niet vervuld. [appellant 2] heeft immers bij exploot van 21 oktober 2015 hoger beroep ingesteld en is daardoor partij in hoger beroep (HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549). De incidentele vordering van [appellant 2] behoeft derhalve geen behandeling.

7. De slotsom is dat het hof de vordering van [appellanten] in het incident zal afwijzen. Het zal de beslissing over de kosten van het incident aanhouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. Het zal voorts elke verdere beslissing aanhouden en de zaak verwijzen naar de rol van 19 april 2016 voor memorie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van de Ontvanger.

Beslissing

Het hof:

in het incident:

- wijst de vordering van [appellanten] in het incident af;

- houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 19 april 2016 voor memorie van antwoord aan de zijde van de Ontvanger;

- houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, J.E.H.M. Pinckaers en M.E. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.