Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4349

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2016
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
22-003450-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:3425, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van chocoladerepen bij een winkel. Verder heeft de verdachte geprobeerd om een fiets te stelen. Tot slot heeft de verdachte een politieambtenaar beledigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003450-15

Parketnummer: 09-818662-15

Datum uitspraak: 1 april 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 21 juli 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Nederlandse Antillen) op [dag] 1976,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 maart 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, onder de bijzondere voorwaarden als in het vonnis omschreven, en een taakstraf voor de duur van 110 uren, subsidiair 55 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 07 juli 2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 25 chocoladerepen (Côte d'Or), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [winkelbedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.


hij op of omstreeks 07 juli 2015 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met een kniptang een kabelslot om de wiel van de fiets door te knippen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.


hij op of omstreeks 07 juli 2015 te 's-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, [naam], hoofdagent, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: kankerlijer, ik ken jou niet eens, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beroep op bewijsuitsluiting

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat – zakelijk weergegeven – er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek nu de tas van de verdachte onrechtmatig is doorzocht. Dit vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting waarna er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde te veroordelen, zodat de verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals blijkt uit het proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 juli 2015 (met proces-verbaalnummer [nummer]) zijn de verbalisanten afgegaan op een melding van winkeldiefstal bij [winkelbedrijf]. Tijdens het zoeken in de omgeving van [winkelbedrijf] – op zoek naar de gevluchte persoon – troffen de verbalisanten de verdachte aan. De verdachte was bezig om een fiets open te breken. Naast hem stond een [winkelbedrijf]-tas die paste bij het opgegeven signalement. De verbalisanten zagen in de (met een jas afgedekte) tas een grote hoeveelheid chocolade.

Het hof is van oordeel dat de inbeslagnemingsbevoegdheid ex. artikel 95 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid impliceert om te onderzoeken of de verdachte voor inbeslagneming vatbare voorwerpen bij zich heeft. Het hof is gelet daarop van oordeel dat de verbalisanten niet onrechtmatig hebben gehandeld door in de tas te kijken. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op of omstreeks 07 juli 2015 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 25 chocoladerepen (Côte d'Or), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [winkelbedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.


hij op of omstreeks 07 juli 2015 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, door met een kniptang een kabelslot om de het wiel van de fiets door te knippen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.


hij op of omstreeks 07 juli 2015 te 's-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, [naam], hoofdagent, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: kankerlijer, ik ken jou niet eens, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde betoogd dat – zakelijk weergegeven – het naar uiterlijke kenmerken leek alsof de fiets aan niemand toebehoorde oftewel dat er sprake was van een (het hof begrijpt:) res derelicta. Onder die omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan wederrechtelijke toe-eigening van de fiets. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals blijkt uit het proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 juli 2015 (met proces-verbaalnummer [nummer]) zagen de verbalisanten dat de verdachte de fiets aan het openbreken was en dat het slot van de fiets was doorgeknipt.

Het hof is van oordeel dat gelet op foto’s in het dossier van de fiets aangenomen moet worden dat deze zich in redelijke staat bevond. Nu de fiets ook op slot stond heeft verdachte niet ervan uit mogen gaan dat de fiets aan niemand (meer) toebehoorde. Dat er geen aangifte is gedaan van diefstal van de fiets doet daar niet aan af. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke toe-eigening van de fiets.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 110 uren, subsidiair 55 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 42 dagen voorwaardelijk, onder de bijzondere voorwaarden van reclasseringscontact en een behandelverplichting.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van chocoladerepen bij [winkelbedrijf]. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten die doorgaans voor financiële schade en overlast zorgen bij de winkeliers.

Verder heeft de verdachte geprobeerd om een fiets te stelen. Door dergelijke feiten lijden de eigenaren van gestolen fietsen financiële schade en wordt bovendien overlast veroorzaakt.

Tot slot heeft de verdachte een politieambtenaar beledigd. Politieambtenaren moeten - in het belang van de openbare orde – ongehinderd kunnen functioneren, zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen. De verdachte heeft aldus handelende ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 februari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft kennisgenomen van onder meer het reclasseringsrapport d.d. 23 februari 2016.

Het hof is alles overwegende van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 63, 266, 267 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 39 (negenendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland GGZ Reclassering Palier, op het adres Johanna Westerdijkplein 40 te 2521 EN Den Haag, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen en/of voorschriften die hem door of namens de reclassering in het kader van zijn meldplicht worden gegeven, ook als dit inhoudt het deelnemen aan een intake en een eventuele behandeling voor zijn verslaving;

geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van de voormelde bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 110 (honderdtien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis;

Dit arrest is gewezen door mr. C.J. van der Wilt, mr. P. van Essen en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. A.D. Verhoeven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 april 2016.

mr. A.D. Verhoeven is buiten staat dit arrest te ondertekenen.