Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:433

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
2200232114
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot verwurging van zijn echtgenote. De verdachte heeft zijn echtgenote in hun gezamenlijke woning van achteren aangevallen en haar keel dichtgehouden, waardoor haar de adem gedurende aanzienlijke tijd werd benomen.

Het hof wijkt af van de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf. Hiertoe ziet het hof aanleiding in verdachtes persoonlijke omstandigheden zoals die zijn gebleken uit recente rapportages en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof is van oordeel dat geen strafrechtelijk doel is gediend met hernieuwde detentie van de verdachte.

Het hof acht het wel noodzakelijk dat aan een voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden worden verbonden. Het hof acht mede gelet op de actuele situatie van de verdachte en zijn echtgenote voortzetting van het toezicht en de behandeling aangewezen.

Alles afwegend acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend met bijzondere voorwaarden. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw zal worden gedetineerd, nu hij het onvoorwaardelijke deel van de straf al heeft uitgezeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002321-14

Parketnummer: 09-820071-13

Datum uitspraak: 23 februari 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1946,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de algemene en de bijzondere voorwaarden als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 2 november 2013 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk terwijl hij, verdachte, achter die [aangever] stond:

- met beide handen en/of armen het hoofd van die [aangever] heeft vastgepakt en vervolgens het hoofd meermalen met kracht naar rechts en naar links heeft gedraaid en/of

- vervolgens beide armen van die [aangever] heeft vastgehouden en/of -geklemd en/of vervolgens met kracht gedurende langere tijd zijn hand tegen de keel van die [aangever] heeft gehouden (waardoor zij belemmerd werd in het ademhalen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 2 november 2013 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet terwijl hij, verdachte, achter die [aangever] stond: - met beide handen en/of armen het hoofd van die [aangever] heeft vastgepakt en vervolgens het hoofd meermalen met kracht naar rechts en naar links heeft gedraaid en/of - vervolgens beide armen van die [aangever] heeft vastgehouden en/of -geklemd en/of vervolgens met kracht gedurende langere tijd zijn hand tegen de keel van die [aangever] heeft gehouden (waardoor zij belemmerd werd in het ademhalen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 2 november 2013 te Rijnsburg, gemeente Katwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk terwijl hij, verdachte, achter die [aangever] stond:

met kracht gedurende langere tijd zijn hand tegen de keel van die [aangever] heeft gehouden waardoor zij belemmerd werd in het ademhalen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Voorwaardelijk opzet op de dood

De verdediging heeft zich – overeenkomstig de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota - primair op het standpunt gesteld dat het handelen van de verdachte niet kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag zoals primair is ten laste gelegd. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met het dichtduwen van de keel van aangeefster bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zou komen te overlijden.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Op 2 november 2013 heeft [aangever] aangifte gedaan tegen haar echtgenoot, de verdachte. Volgens haar verklaring begon de verdachte haar hoofd te masseren, toen hij opeens met beide handen haar hoofd vastpakte en meermalen met kracht haar hoofd naar links en naar rechts draaide. Vervolgens viel ze op haar knieën op de grond. De verdachte zat achter haar. De zijkant van zijn hand hield hij tegen haar keel, waardoor zij moeilijk kon ademhalen. Zij voelde zich wegglijden, de tunnel in en dacht dat zij dood ging, aldus de aangeefster. Toen de in huis aanwezige hond tegen de verdachte aansprong en verdachtes greep verslapte, kreeg zij weer lucht en zag zij kans om los te komen.

Aangeefster had ten gevolge van dit voorval onder meer veel pijn in haar keel, vooral bij het slikken. Volgens forensisch arts A. Dalhuijsen, die het letsel bij aangeefster heeft beschreven, past het letsel bij het beschreven voorval.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij na een knik of signaal zijn vrouw aanviel. Ter terecht-zitting in hoger beroep heeft hij in lijn met zijn eerdere verklaringen te kennen gegeven dat hij zich weinig tot niets meer van het voorval kan herinneren.

Gelet op het vorenstaande acht het hof bewezen dat de verdachte met kracht gedurende enige tijd zijn hand tegen de keel van aangeefster heeft geduwd waardoor haar ademhaling werd belemmerd.

Het is een algemene ervaringsregel dat het op deze wijze belemmeren van de ademhaling tot de dood van het slachtoffer kan leiden. Aangeefster heeft verklaard dat zij zich voelde wegglijden, de tunnel in. Dit duidt erop dat dit belemmeren van aanzienlijke duur moet zijn geweest. De gedragingen van de verdachte moeten bovendien bezien naar de context waarin ze volgens de aangeefster, in haar hierboven weergegeven verklaring, hebben plaatsgevonden naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als te zijn gericht op het doden van het slachtoffer. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte hiermee minst genomen de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.

Dat aangeefster uiteindelijk niet is overleden, is te danken aan het feit dat de in de woning aanwezige hond tegen de verdachte is opsprongen, waardoor aangeefster uit de greep van de verdachte los heeft kunnen komen.

Het hof verwerpt het verweer.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk – in voorwaardelijke zin – heeft gepoogd aangeefster van het leven te beroven door

gedurende langere tijd zijn hand met kracht tegen haar keel te houden, waardoor zij belemmerd werd in het ademhalen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een behandeling door De Waag.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot verwurging van zijn echtgenote. De verdachte heeft zijn echtgenote in hun gezamenlijke woning van achteren aangevallen en haar keel dichtgehouden, waardoor haar de adem gedurende aanzienlijke tijd werd benomen. Het is aan de gelukkige omstandigheid dat een hond tegen verdachte aansprong te danken dat het slachtoffer de gelegenheid kreeg zich uit de greep van verdachte te verlossen en zij daardoor deze aanval ternauwernood heeft overleefd. Juist in de eigen woning en in notabene gezelschap van de echtgenoot zou men zich veilig moeten kunnen voelen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij dit gevoel van veiligheid ernstig op de proef heeft gesteld en zijn echtgenote bijna heeft beroofd van haar meest kostbare bezit: het leven.

Het is het hof niet duidelijk geworden hoe de verdachte tot deze daad is gekomen. Er is neurologisch onderzoek bij verdachte verricht en er is onderzoek gedaan naar een eventueel verband tussen het gebruik van Viagra en de geweldshandelingen van verdachte, maar dit heeft niet geleid tot aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte de handelingen buiten zijn wil om heeft verricht. Door de psycholoog en de psychiater is evenmin een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte vastgesteld die een dergelijke conclusie zou kunnen billijken. Het dossier bevat voorts sterke aanwijzingen dat verdachte verwikkeld was in een buitenechtelijke relatie en zich geen raad wist met het verzoek van zijn echtgenote - vlak voorafgaand aan zijn daad - om aan die relatie definitief een einde te maken. Of dit inderdaad het motief was van de verdachte kan het hof evenwel niet met zekerheid vaststellen.

Het hof heeft voorts in zijn overwegingen betrokken hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard omtrent zijn relatie met zijn echtgenote. Hij en zijn gezin, waaronder het slachtoffer, hebben nog altijd een goed contact met elkaar. Nadat het contactverbod met zijn echtgenote is opgeheven, hebben de verdachte en aangeefster zich ten volle ingezet tijdens de relatietherapie bij De Waag, hetgeen heeft geresulteerd in een dusdanig herstel van het vertrouwen dat de verdachte weer bij aangeefster mocht komen wonen.

Ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep woont de verdachte weer tijdelijk in zijn huurhuis, mede nu dat na overleg met de reclassering, gelet op spanningen in de afgelopen periode, het meest verstandig leek. De verdachte heeft te kennen gegeven de afloop van deze strafzaak af te willen wachten, voordat hij en zijn vrouw zich zullen beraden over hun al dan niet gezamenlijke toekomst.

Het hof heeft in aanmerking genomen een advies van de Reclassering Nederland d.d. 1 februari 2016 waarin wordt geadviseerd dat het ingezette toezicht wordt voortgezet zodat het contact tussen verdachte en zijn echtgenote verder kan worden begeleid en de behandeling bij De Waag kan worden voortgezet en eventueel kan worden afgerond.

Het hof weegt verder mee een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 januari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder met justitie of politie in aanraking is geweest.

Het hof wijkt af van de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf. Hiertoe ziet het hof aanleiding in verdachtes persoonlijke omstandigheden zoals die zijn gebleken uit recente rapportages en uit het verhandelde ter terecht-zitting in hoger beroep. Het hof is van oordeel dat geen strafrechtelijk doel is gediend met hernieuwde detentie van de verdachte.

Het hof acht het wel noodzakelijk dat aan een voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden worden verbonden. Het hof acht mede gelet op de actuele situatie van de verdachte en zijn echtgenote voortzetting van het toezicht en de behandeling aangewezen.

Alles afwegend acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend met bijzondere voorwaarden. Dit betekent dat verdachte niet opnieuw zal worden gedetineerd, nu hij het onvoorwaardelijke deel van de straf al heeft uitgezeten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd, dan wel zolang dit door de reclassering nodig wordt geacht onder behandeling zal stellen van de forensische polikliniek De Waag, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op nader te bepalen dagen en tijdstippen te melden bij de Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit arrest is gewezen door mr. C.J. van der Wilt, mr. G.P.A. Aler en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. M.J. den Haan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 februari 2016.