Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:432

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
2200203915
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof veroordeelt een 16-jarige verdachte voor doodslag in plaats van voor moord, zoals de rechtbank bewezen had verklaard. Het hof overweegt dat de verdachte weliswaar al enige dagen tot weken rondliep met het voornemen om personen die hem zouden bedreigen of iets zouden aandoen met een mes te steken, maar dat dit voornemen was gericht tegen andere personen dan het slachtoffer. Niet bewezen kan worden dat verdachte de gewelddadige actie tegen het slachtoffer eerder al had bedacht. Het hof acht voorwaardelijk opzet op de dood bewezen. Het hof legt op een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-002039-15

Parketnummer: 09-777228-14

Datum uitspraak: 25 februari 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 april 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres verdachte],

thans gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 24 september 2015 en 11 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde (moord) veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die is doorgebracht in voorarrest. Daarnaast is aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: PIJ-maatregel) opgelegd. Omtrent de vordering van de benadeelde partij is, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, beslist als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 oktober 2014 te Voorburg

[slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] met een mes, althans een steekwapen, althans een puntig voorwerp in de hals/nek gestoken, althans tegen de hals/nek geslagen terwijl hij een mes, althans een steekwapen, althans een puntig voorwerp in zijn hand had, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord en bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij de impliciet primair ten laste gelegde moord op [slachtoffer] (hierna: [voornaam slachtoffer]) bewezen acht.

Uit een aantal feiten en omstandigheden, zoals beschreven in het vonnis van de rechtbank, is volgens de advocaat-generaal af te leiden dat de verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van een eerder genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof bespreekt hieronder bij het kopje ‘oordeel van het hof’ de door de advocaat-generaal naar voren gebrachte omstandigheden nader.

Standpunt van de verdediging

Van de zijde van de verdachte is – kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer], omdat hij niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Voorts is er volgens de verdediging geen sprake van moord, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, omdat hij het mes niet bij zich had voor [slachtoffer], maar voor personen van een andere groep waarmee hij eerder confrontaties heeft gehad. De actie ten aanzien van [slachtoffer] is niet van tevoren door hem overdacht, aldus de verdediging.

De raadsman acht alleen het strafbare feit “zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend” bewijsbaar, echter dat is niet ten laste gelegd.

Oordeel van het hof

Ter zake van de ten laste gelegde moord

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt vast dat het slachtoffer, 15 jaar oud, op 10 oktober 2014 in het [naam school] te Voorburg is overleden ten gevolge van één messteek in de halsstreek. Niet ter discussie staat dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] de verwonding met het mes heeft toegebracht en dat die messteek de oorzaak is van zijn overlijden.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de impliciet primair ten laste gelegde moord kan worden bewezen verklaard. Van belang is dat kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft gehandeld met ‘voorbedachte raad’.

Het hof heeft bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad in het bijzonder gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012, (ECLI:NL:HR:2012:BR2342), waarin is overwogen dat:

“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Het hof acht in de onderhavige zaak de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Voorafgaand aan de fatale confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] buiten, naast de fietsenstalling, is sprake geweest van een (ogenschijnlijk nietszeggend) voorval tussen de verdachte en [slachtoffer] in de laatste les van die dag, Nederlands, waarbij over en weer is gescholden. Bij dit incident is door de verdachte en [slachtoffer] min of meer afgesproken om elkaar na de les buiten te treffen.

In het dossier zijn beelden van verscheidene camera’s in het [naam school]aanwezig. Het hof heeft de camerabeelden voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep bekeken. Het hof heeft op de camerabeelden waargenomen dat de verdachte na de les schijnbaar rustig over de gangen loopt, dat hij vervolgens bij zijn locker bezig is, een werkbroek uittrekt en daarna in de richting van de fietsenstalling loopt. Voorts heeft het hof waargenomen dat de verdachte en [slachtoffer] hun fietsen pakken, dat vervolgens buiten de fietsenstalling de verdachte eerst langs [slachtoffer] loopt met zijn fiets, dat [slachtoffer] vervolgens langs de verdachte beweegt en even verderop zijn fiets kennelijk neerzet. Ook de verdachte zet zijn fiets ogenschijnlijk rustig op de standaard en loopt vervolgens met ferme, versnelde pas in de richting van [slachtoffer]. Dan volgt de fysieke confrontatie, waarbij de verdachte [slachtoffer] duwt met zijn bovenlichaam en zijn rechterarm. Kort daaropvolgend maakt de verdachte met zijn rechterhand eenmaal een stekende beweging in de richting van het hoofd/het bovenlichaam van [slachtoffer]. Daarna is te zien dat het slachtoffer wegrent en dat de verdachte de plaats van de confrontatie verlaat.

Weliswaar vormen de hieronder uitgewerkte feiten en omstandigheden potentiële aanwijzingen dat door de verdachte met voorbedachte raad zou zijn gehandeld, maar deze aanwijzingen zijn naar het oordeel van het hof in onderhavig geval niet van dien aard dat daaraan doorslaggevende betekenis voor de voorbedachte raad moet worden toegekend, ook niet wanneer zij in onderling verband en samenhang worden bezien.

De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat uit de voorgeschiedenis en het handelen van de verdachte valt af te leiden dat hij heeft gehandeld met voorbedachte raad. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft de advocaat-generaal aangedragen dat de in het dossier aanwezige WhatsApp- en chatgesprekken voor bewijs daarvan kunnen bijdragen.

De verdachte heeft over de bedoelde WhatsApp- en chatgesprekken kort gezegd verklaard dat sprake was van een vorm van ‘stoerdoenerij’.

Het hof is van oordeel dat deze WhatsApp- en chatgesprekken de indruk geven dat de verdachte in de periode voorafgaand aan het gebeuren op 10 oktober 2014 op nogal lichtzinnige wijze sprak over het gebruik van geweld, waaronder het gebruik van een mes, en de mogelijkheid iemand te steken. Daarnaast zou uit de gesprekken mogelijk kunnen worden afgeleid dat de verdachte al enige dagen tot weken rondliep met het voornemen om de personen die hem zouden bedreigen, met een mes te steken.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof echter van oordeel dat de betreffende WhatsApp- en chatgesprekken niet op overtuigende wijze kunnen bijdragen aan het bewijs dat de verdachte het uitdrukkelijke voornemen had [slachtoffer] van het leven te beroven. Immers, de inhoud van de berichten zag op (incidenten met) personen met wie de verdachte eerder een confrontatie had gehad en die de verdachte eerder dat jaar hadden bedreigd. Het betreft een groep jongens waarvan [slachtoffer] geen deel uitmaakte. Het mogelijke voornemen van de verdachte om een van de leden van deze groep te bedreigen of te steken, maakt immers niet zonder meer dat de verdachte ook het voornemen had om [slachtoffer] te steken.

De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat de verdachte zich bewust heeft bewapend door het mes uit de locker mee te nemen naar buiten, naar de reeds afgesproken confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer].

De verdachte heeft over het meenemen van het mes verklaard dat hij het mes vaak bij zich had op school in verband met de bedreigingen van de eerder genoemde andere groep jongens, en dat hij vanuit school het mes (bijna) altijd weer meenam naar huis. Zo ook die dag; het incident vond plaats na het laatste lesuur en de verdachte had het mes uit de locker gepakt om het mee naar huis te nemen, aldus de verklaring van de verdachte. Het hof acht de verklaring van de verdachte op dat punt niet onaannemelijk. Het hof acht daarmee niet komen vast te staan dat de verdachte door het meenemen van het mes uit de locker zich ‘bewust heeft bewapend’ met het oog op het latere treffen met [slachtoffer].

De verklaring van [getuige 1], die door de advocaat-generaal wordt aangehaald, kan naar het oordeel van het hof evenmin in voldoende mate overtuigend bijdragen aan het bewijs voor voorbedachte raad. [getuige 1] heeft weliswaar bij de politie verklaard dat de verdachte bij de lockers tegen hem zou hebben gezegd dat hij [slachtoffer] zou gaan steken als [slachtoffer] op hem zou afkomen, maar tegelijkertijd heeft hij in zijn verklaring aangegeven dat hij deze mededeling van de verdachte niet serieus heeft genomen, nu de verdachte wel vaker dergelijke uitlatingen bezigde (en, zo het hof begrijpt daar dan kennelijk geen gevolg aan gaf). Het hof acht het niet ondenkbaar dat de verdachte die uitlating tegenover [getuige 1] heeft gedaan, maar neemt daarbij mee dat dit uit boosheid en stoerdoenerij kan zijn gedaan wegens het eerdere incident in het klaslokaal. Ook al zou verdachte op het moment bij de locker al wel het voornemen hebben gehad geweld te gebruiken tegen [slachtoffer], dan nog acht het hof ook in dat geval de tijdspanne zo kort voor de confrontatie dat ook dan geen sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Dit mede gelet op de eerder genoemde boosheid, de jeugdige leeftijd van de verdachte en de vloeiende overgang van het pakken van het mes bij de locker en het vertrek uit de school.

Ook in de door de advocaat-generaal naar voren gebrachte verklaringen van [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] ziet het hof geen doorslaggevend bewijs voor het aanwezig zijn van het voorgenomen plan van de verdachte om [slachtoffer] te doden.

Door de raadsman is naar voren gebracht dat de verdachte onder grote spanning functioneerde. Die spanning had te maken met recente confrontaties en bedreigingen uitgaande van de eerder hierboven genoemde groep, waartoe [slachtoffer] niet behoorde.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep

– onder meer en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij zich het moment van de confrontatie maar moeilijk kan herinneren. Eerder verklaarde de verdachte dat hij die dag gespannen was – in zijn woorden: “zwaar gestresst” -in verband met die eerdere confrontaties en bedreigingen. Hij is zoals hierboven gemeld boos geworden, wat de druppel opleverde die de spreekwoordelijke emmer heeft doen overlopen. Wat het is geweest dat die druppel precies heeft veroorzaakt, heeft de verdachte ondanks meermalen vragen ter terechtzitting in hoger beroep, niet nader aangegeven of kunnen aangeven.

Door en namens de verdachte is aangegeven dat de verdachte in de veronderstelling was dat [slachtoffer] hem zou opwachten en dat als hij de onenigheid niet op dat moment zou oplossen, de confrontatie op een later moment opnieuw zou terugkomen. Ook moest de verdachte langs [slachtoffer] en zijn vrienden om de school te verlaten.

Het hof acht het niet ondenkbaar dat de beslissing van de verdachte om geweld toe te passen eerst kort vóór of pas op het moment van de confrontatie buiten, in de buurt van de fietsenstalling, is genomen. Dat maakt naar het oordeel van het hof dat ondanks de voorhanden zijnde aanwijzingen, niet met voldoende zekerheid tot de conclusie kan worden gekomen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Dit temeer nu het tijdsverloop van het besluit om geweld toe te passen en de toepassing van dat geweld bij een dergelijk scenario naar het oordeel van het hof te kort moet worden geacht om te kunnen spreken van kalm beraad en rustig overleg.

Het hof ziet voor dit scenario ook bevestiging in de verklaring van medeleerling [getuige 5] die op 10 oktober 2014 bij de politie heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte buiten echt boos werd en vervolgens zijn mes pakte en [slachtoffer] in zijn nek stak (dossier [naam dossier], bijlage getuigen, OPV/[naam dossier]/G/53-57).

Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van het hof op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep in onvoldoende mate komen vast te staan dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om kalm en rustig na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde moord.

Het hof acht echter voldoende bewijs voorhanden om te komen tot bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag.

Ter zake van de ten laste gelegde doodslag

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij pas zou hebben geweten dat hij het mes in zijn hand had nadat hij [slachtoffer] had gestoken. Immers, toen zag hij bloed en wist hij dat hij [slachtoffer] gestoken had.

De raadsman heeft ter zake aangedragen dat de verdachte achteraf is gaan invullen wat er is gebeurd, maar zich tijdens de handelingen niet daadwerkelijk bewust was van het feit dat hij een mes in zijn hand had. Zijn verklaringen bij de politie dat hij [slachtoffer] gestoken heeft, moeten in dat licht worden bezien.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij bij de lockers het mes bij zich heeft gestoken om het mee te nemen naar huis. Kort daarna vindt de confrontatie buiten in de buurt van de fietsenstalling plaats, met de fatale handeling van de verdachte als gevolg.

Blijkens de camerabeelden is het de verdachte die buiten met ferme, versnelde pas richting [slachtoffer] loopt, hem met zijn bovenlijf tegen de borst duwt en voorts een handeling verricht die door het hof niet anders kan worden geduid dan het maken van een snelle, stekende beweging in de richting van de hals van [slachtoffer], hem daarbij kennelijk ook daadwerkelijk rakend. Van een slaande beweging, of een snijdende beweging – zoals verdachte het zich herinnert - is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof ziet zich in dat oordeel gesterkt door de bevindingen rondom de wond in het lichaam van [slachtoffer]. Uit het pathologisch onderzoek van 17 oktober 2014 is gebleken dat bij [slachtoffer] rechts in de hals een scherprandige huidperforatie is geconstateerd van 1,7 x 0,9 centimeter. Een wond, die gelet op de gemeten lengte van het steekkanaal, maar liefst 8 centimeter diep was.

Het steekkanaal was te herleiden van hoofd naar voeten van links naar rechts, reikend tot in de rechterborstholte. Eenvoudiger gezegd is door de verdachte ‘van boven naar beneden’ gestoken.

Uit het letsel, zoals hierboven weergegeven, leidt het hof af dat de verdachte kennelijk opzettelijk en met kracht in de hals van [slachtoffer] heeft gestoken.

De verdachte heeft tegen [getuige 2] verklaard dat hij [slachtoffer] in de nek had gestoken, en dat het volgens hem heel makkelijk ging. Het was steken of zelfmoord, verklaarde verdachte tegen [getuige 2] direct na het plegen van het delict. Deze verklaring geeft blijk van een bewustzijn tijdens het steken bij de verdachte en verhoudt zich niet tot de verklaring van de verdachte dat hij pas nadien zag dat hij een mes in zijn hand had en toen pas wist dat hij gestoken had.

Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij op het moment van steken niet wist dat hij een mes in zijn hand had en dat het steken per ongeluk ging, op grond van het vorenstaande niet aannemelijk geworden. Dat maakt dat de verdachte naar het oordeel van het hof wist dat hij een mes in zijn hand had en dat hij [slachtoffer] daarmee stak. Dat de verdachte een black-out heeft gehad, of anderszins niet meer wist wat hij deed, is niet aannemelijk geworden.

Voorwaardelijk opzet

Het hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte voorwaardelijk opzet oplevert.

Ten aanzien van die vraag overweegt het hof dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer] - aanwezig is indien de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans dat dat gevolg – dat het slachtoffer door zijn handelen zou komen te overlijden - zal intreden, heeft aanvaard.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is voorts niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 30 december 2012, LJN BX5396 en 25 maart 2003, LJN AE9049).

De verdachte is op [slachtoffer] afgelopen en heeft hem, nadat hij hem eerst geduwd heeft, onverhoeds en met een snelle beweging met een mes gestoken in zijn hals.

De vraag die voorligt is of het handelen van de verdachte op de wijze zoals in deze zaak is geschied, op zichzelf genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood met zich brengt. Het hof overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat wanneer een persoon met een mes in de halsstreek wordt gestoken de kans op overlijden aanmerkelijk te noemen is, waardoor de aanwezigheid van de aanmerkelijke kans op het overlijden van een persoon onder deze omstandigheden een vaststaand gegeven is en geen nadere uiteenzetting behoeft. De verdachte heeft moeten weten dat door een persoon in de hals te steken het gevolg dodelijk kan zijn.

De verdachte heeft daarnaast naar het oordeel van het hof de kans op het overlijden van [slachtoffer] ook willens en wetens, ofwel bewust aanvaard. Het hof komt tot deze conclusie, nu uit de camerabeelden en uit diverse getuigenverklaringen valt op te maken dat de verdachte met ferme, versnelde pas richting [slachtoffer] loopt, hem een duw geeft en vervolgens onverhoeds [slachtoffer], zoals hierboven reeds door het hof is opgemerkt opzettelijk en met kracht, in de hals steekt.

Naar de uiterlijke verschijningsvorm van deze handeling, wat betreft de diepte van de steekwond, de plaats waar in de hals is gestoken en de richting waarin is gestoken, heeft de verdachte de kans op het overlijden van [slachtoffer] bewust aanvaard.

Van overtuigende contra-indicaties die aan dit oordeel in de weg zouden staan, is het hof niet gebleken.

Het hof verwerpt de verweren en verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 oktober 2014 te Voorburg ([slachtoffer]) opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de hals/nek gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd onder aanvulling van gronden, te weten met toevoeging van de in hoger beroep opgestelde rapportages van S.A. Moonen, kinder- en jeugdpsycholoog en dr. M. Wiznitzer, kinder- en jeugdpsychiater.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft medeleerling [slachtoffer] op het terrein van het [naam school]te Voorburg met een mes in zijn hals gestoken. [slachtoffer], op dat moment 15 jaar oud, is ten gevolge van die messteek kort daarna op school overleden. De verdachte heeft door zijn handelen het meest kostbare bezit van [slachtoffer] afgenomen, namelijk zijn leven.

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de ouders van [slachtoffer] en zijn oma aanwezig geweest en namens de nabestaanden is in hoger beroep opnieuw een slachtofferverklaring voorgedragen. Uit deze verklaring blijkt dat het verlies voor de nabestaanden onbeschrijfelijk groot is en dat voor hen het leven na 10 oktober 2014 voorgoed is veranderd. Het gemis van [slachtoffer] valt hen heel zwaar.

Het overlijden van [slachtoffer] heeft niet alleen voor zijn directe familie en vrienden een grote impact gehad. Ook de samenleving is door het onderhavige feit ernstig geschokt. Een dergelijke steekpartij op een school, de plaats naast een thuisomgeving waar kinderen zich bij uitstek veilig moeten voelen zorgt voor hevige gevoelens van onrust en onveiligheid. Net als de rechtbank hecht het hof eraan te vermelden dat de impact van het handelen van de verdachte ook voor het [naam school], de daar werkende leerkrachten en leerlingen, enorm is geweest.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 januari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. De verdachte is dan ook een zogeheten first offender.

Op verzoek van de verdediging is in hoger beroep opnieuw onderzoek gedaan naar de persoon van de verdachte door S.A. Moonen, kinder- en jeugdpsycholoog en dr. M. Wiznitzer, kinder- en jeugdpsychiater.

Het hof heeft voor wat betreft de persoon van de verdachte onder meer acht geslagen op de inhoud van de tot het persoonsdossier van de verdachte behorende recente rapportages, zoals hieronder weergegeven:

 Het Psychologisch Pro Justitia Rapport, opgesteld en ondertekend door S.A. Moonen, kinder- en jeugdpsycholoog, d.d. 20 januari 2016;

 Het Psychologisch Pro Justitia Rapport ‘second opinion’ opgesteld en ondertekend door dr. M. Wiznitzer, kinder- en jeugdpsychiater, d.d. 21 januari 2016;

 Het Klinisch Multidisciplinair onderzoek van Pro Justitia, Observatieafdeling Teylingereind (ForCA), opgesteld en ondertekend door drs. R. Haveman,

GZ-psycholoog en dr. J. Vreugdenhil, kinder- en jeugdpsychiater, d.d. 16 maart 2015 en

 Het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, opgesteld door A. Hoekstra, raadsonderzoeker, d.d. 7 april 2015.

In de meest recente rapportages komt onder meer – zakelijk weergegeven - het navolgende naar voren:

Rapport d.d. 20 januari 2016, opgesteld en ondertekend door S.A. Moonen, kinder- en jeugdpsycholoog

In het rapport komt naar voren dat de verdachte in zijn vroege jeugd te maken heeft gehad met meerdere verhuizingen en huiselijk geweld tussen zijn ouders. Hierdoor is zijn ervaren basisveiligheid in het geding gekomen en is de hechtingsontwikkeling verstoord verlopen. De verdachte heeft van jongs af aan de wereld gezien door een wantrouwende bril. Voorts is sprake geweest van een aantal wisselingen van basisschool ten gevolge van gedragsproblemen bij de verdachte. De verdachte lijkt conflicten uit te lokken zonder dat hij zich daarvan bewust is. Bij een ontstane confrontatie blijkt hij zijn eigen aandeel achteraf niet zelden anders te interpreteren dan de overige betrokkenen en wordt de ander verantwoordelijk gemaakt (externaliseren).

De deskundige geeft aan dat de verdachte vanuit huis de hand boven het hoofd is gehouden en dat hij in die zin onvoldoende begrensd is. De sociaal-emotionele ontwikkeling van de verdachte is in het gedrang gekomen en in toenemende mate verstoord gaan verlopen. Cognitief functioneert de verdachte op een gemiddeld niveau, maar hij laat nauwelijks probleeminzicht zien.

De verdachte ervaart geen lijdensdruk en heeft geen intrinsieke motivatie om zijn gedrag aan te passen; met hem is niets aan de hand en de omgeving moet zich aanpassen. Tijdens het verblijf in Teylingereind maakt de verdachte in de loop van de tijd een gematigd positieve ontwikkeling door, met de laatste tijd een minder positieve periode die te maken zou kunnen hebben met de behandeling van zijn zaak in hoger beroep.

Er is volgens de deskundige sprake van een verstoorde hechting als voedingsbodem voor scheefgroei in de sociaal-emotionele ontwikkeling en een gedragsstoornis.

De scheefgroei komt tot uiting in beperkingen in de sociale interactie en een gestoorde emotie- en agressieregulatie. De verdachte heeft zicht noch grip op zijn emotionele belevingswereld, zijn gedrag en de gevolgen ervan. De gedragsstoornis kenmerkt zich door een lange geschiedenis van gedragsproblemen op school, bedreigen, vechten, het bij zich dragen van een wapen, beperkte empathische vermogens en een gebrekkig verantwoordelijkheidsgevoel.

Geconcludeerd wordt dat bij de verdachte, thans een 17-jarige jongeman, sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een gedragsstoornis. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een scheefgroei in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarnaast spelen ouder-kind relatieproblemen.

De ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Zowel de aspecten van de ziekelijke stoornis als de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens hebben doorgewerkt in de totstandkoming van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De kans op toekomstig gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog. Gelet op de ernst en de hardnekkigheid van de problematiek van de verdachte is het noodzakelijk dat hij langdurig en intensief wordt behandeld. De behandeling moet zich onder meer richten op het inzichtelijk maken van sociale situaties en het gedrag van de verdachte en het verantwoordelijkheid leren nemen.

In het kader van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte alsmede vanwege de hoge kans op toekomstig gewelddadig gedrag wordt geadviseerd de behandeling in het gedwongen kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Rapport d.d. 21 januari 2016, opgesteld en ondertekend door dr. M. Wiznitzer, kinder- en jeugdpsychiater

De deskundige Wiznitzer komt tot min of meer dezelfde conclusie als de deskundige Moonen. Opgemerkt wordt dat bij de verdachte kan worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van het zelfbeeld, de emotieregulatie, de agressiehantering, empathie en normbesef. Wat bij de verdachte op de voorgrond staat is het niet herkennen van eigen emoties, het niet dragen van verantwoordelijkheid voor eigen gedrag, gebrekkig zelfreflecterend vermogen en het snel interpreteren van sociale cues als vijandig.

De deskundige geeft aan dat bij de verdachte een gevaar is voor een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Daarnaast zijn ouder-kind relatieproblemen aanwezig. De ziekelijke stoornis van de verdachte en de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.

Geadviseerd wordt de verdachte verminderd toerekenings-vatbaar te achten.

Ter preventie van recidive en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling wordt een langdurige en intensieve behandeling geadviseerd. De behandeling moet zijn gericht op de stimulering van zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Bijzondere aandachtspunten zijn volgens de deskundige het beter leren inschatten van sociale cues, emotieherkenning, agressieregulatie en verantwoordelijkheid leren nemen voor eigen gedrag. In verband met het noodzakelijke losmakingsproces van moeder wordt geadviseerd wordt om de moeder van de verdachte actief te betrekken bij de behandeling.

Gezien de lange duur van de geschetste pathologie, verdachtes geringe motivatie voor een integrale behandeling, de hoge kans op recidive en de goed bedoelde, maar door de deskundige als negatief ingeschatte, invloed van de overbeschermende houding van moeder, heeft een voorwaardelijke PIJ-maatregel weinig kans van slagen. Geadviseerd wordt om de PIJ-maatregel onvoorwaardelijk op te leggen.

Overwegingen van het hof

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen die in hoger beroep onderzoek hebben gedaan naar de persoon van de verdachte over en maakt deze tot de zijne. Het hof zal de verdachte derhalve verminderd toerekeningsvatbaar achten. Niet alleen in de rapportages die zijn uitgebracht bij het onderzoek in hoger beroep, maar ook in de eerder uitgebrachte rapportages (het ForCA-rapport van 16 maart 2015 en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 7 april 2015) werd tot vergelijkbare conclusies gekomen en hield het advies in dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel dient te worden opgelegd.

Met inachtneming van de genoemde rapportages komt het hof tot het oordeel dat het onvoorwaardelijk opleggen van de PIJ-maatregel noodzakelijk is, gelet op de gebleken problematiek bij de verdachte en de gebleken noodzaak de verdachte in een residentieel kader te behandelen.

Aan de in artikel 77s, eerste lid, onder a, b en c, van het Wetboek van Strafrecht cumulatief gestelde voorwaarden is voldaan, aangezien het bewezenverklaarde een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van goederen of personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Het hof legt de PIJ-maatregel op ter zake van het bewezen verklaarde misdrijf, dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, terwijl bij de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, een en ander in verband met de mogelijkheid tot verlenging van de maatregel als nader beschreven in artikel 77t tweede en derde lid van het Wetboek van Strafrecht.

Naast het opleggen van de PIJ-maatregel acht het hof het opleggen van jeugddetentie aangewezen. Nu het hof komt tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie van het feit ziet het hof daarin aanleiding de eerder opgelegde strafduur enigszins te matigen.

Gelet op al het vorenstaande acht het hof een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden in combinatie met het opleggen van de PIJ-maatregel een passende en geboden reactie.

Vordering tot schadevergoeding [naam benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [naam benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 15.129,38.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, nu volgens de raadsman een civiele procedure is aangewezen. Volgens zijn redenering moet de hoogte van het door verdachte te betalen deel van het totale schadebedrag, waarvoor het [naam school](deels) verantwoordelijk moet worden gesteld, onderzocht worden, nu het [naam school] naar de mening van de verdediging verzaakt heeft in te grijpen en derhalve, zo het hof begrijpt, (deels) dient op te draaien voor de begrafeniskosten.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht een bedrag ter hoogte van € 7.500,-, zijnde het bedrag dat reeds door het Schadefonds Geweldsmisdrijven is uitgekeerd, in mindering te brengen op het toe te kennen bedrag. Onder verwijzing naar het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind heeft de raadsman conform hetgeen in eerste aanleg is betoogd, aangegeven dat dit bedrag kan worden gedragen door de samenleving.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof geen aanleiding de vordering van de benadeelde partij, die betrekking heeft op de kosten van de begrafenis van [slachtoffer], niet ontvankelijk te verklaren, dan wel op enigerlei wijze te matigen. Het hof maakt de motivering van de rechtbank ter zake van het niet verminderen van het schadebedrag met het bedrag dat reeds is uitgekeerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven tot de zijne.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [naam benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 15.129,38 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [naam benadeelde partij].

Het hof zal - anders dan wellicht te doen gebruikelijk - gelet op de omvang van de op te leggen maatregel in relatie tot de lange duur die nodig zal zijn om de schade te betalen, de leeftijd van de verdachte en de vergaande mogelijkheden tot incasso die er naar het inzicht van het hof voor zullen zorgen dat de nabestaanden kunnen beschikken over het nog te incasseren bedrag, bepalen dat ter zake de schadevergoedingsmaatregel geen vervangende jeugddetentie wordt opgelegd. Dit temeer daar een mogelijke toekomstige vervangende detentie betaling van de schadevergoeding in de regel enkel meer zal vertragen.

Kosten

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij].

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.129,38 (vijftienduizend honderdnegenentwintig euro en achtendertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 15.129,38 (vijftienduizend honderdnegenentwintig euro en achtendertig cent) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels, mr. H.C. Plugge en mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, in bijzijn van de griffier mr. M. Simpelaar.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 februari 2016.

Mr. Plugge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.