Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4302

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
200.173.447/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Afwikkeling nalatenschap. Medewerking afronden boedelbeschrijving. Dwangsommen verbeurd? Gebreken aan een betalingsbevel. De omvang van een gelegd executoriaal beslag. Toelating tot de rangregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2017/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.173.447/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/445006/ HA ZA 14-727

arrest van 13 december 2016

inzake

[Zus] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in renvooi, tevens incidenteel geïntimeerde in renvooi,

advocaat: mr. drs. Y.M.M. Ooykaas te Rotterdam,

tegen

[Broer een] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in renvooi, tevens incidenteel appellant in renvooi,

advocaat: mr. R.J.H. Kijne te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 13 juli 2015 is appellante in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 29 april 2015 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Appellante heeft bij memorie van grieven 2 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven weersproken, tevens heeft hij incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van 5 grieven.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft appellante de grieven in het incidenteel appel weersproken.

Op 15 maart 2016 heeft geïntimeerde nog een akte na antwoord in incidenteel appel genomen.

Appellante heeft op 12 april 2016 een antwoord akte genomen.

Het hof heeft kennisgenomen van het door geïntimeerde ingediende H-formulier met bijlagen van 19 mei 2016.

Appellante heeft haar procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank als volgt beslist:

  1. verklaart voor recht dat [Zus] een vordering heeft op [Broer een] op basis van door [Broer een] naar aanleiding van het vonnis van 13 december 2011 verbeurde dwangsommen;

  2. laat [Zus] toe tot de rangregeling voor haar vordering groot € 172.500,-;

  3. veroordeelt [Broer een] in de proceskosten, aan de zijde [Zus] tot op heden begroot op € 1.512,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

  4. veroordeelt [Broer een] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Broer een] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van deze uitspraak;

  5. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

  6. wijst af het meer of anders gevorderde.

3. Door appellante is gevorderd bij arrest, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2015 te vernietigen voor zover de vordering van [Zus] daarin is afgewezen, en opnieuw rechtdoende:

- [Zus] toe te laten tot de rangregeling voor haar vordering groot € 844.510,48;

- de rov 5.1 en 5.3 – 5.5 van het vonnis te bekrachtigen;

- [Broer een] te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art 6:119 BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen arrest tot aan de dag der voldoening.

4. Door geïntimeerde is gevorderd:

in het principaal appel:

  • -

    dat het dit hof moge behagen bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [Zus] af te wijzen c.q. haar niet-ontvankelijk te verklaren en het eindvonnis d.d. 29 april 2015 van de rechtbank Rotterdam te bekrachtigen, eventueel met verbetering van de gronden waarop het rust;
    in het incidenteel appel:

  • -

    dat het dit hof behage bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het eindvonnis van 29 april 2015 te vernietigen, voor zoveel de vordering van [Zus] daarin is toegewezen en, opnieuw rechtdoende, eventueel met verbetering van de gronden waarop dat rust, de vorderingen van [Zus] af te wijzen en [Zus] niet toe te laten tot de rangregeling;
    in het principaal en incidenteel appel:

  • -

    voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad met veroordeling van mevrouw [Zus] : (I) in de kosten van beide instanties, waaronder de werkelijke proceskosten c.q. schade zijdens de heer [Broer een] , tot op heden vastgesteld op vijftien (20) uren maal het uurtarief van € 175,-, te vermeerderen met 5% kantoorkosten en 21% BTW, hetgeen neerkomt op € 4.446,75 inclusief BTW, dan wel in goede justitie door het hof te bepalen, (II) in de nakosten ad € 131,- zonder betekening van het arrest en een bedrag ad € 199,- indien tot betekening van het arrest wordt overgegaan, (III) met bepaling dat over de verschuldigde proceskosten en nakosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen arrest.

Enige relevante feiten

5. Tussen partijen bestaat een al jarenlang lopende procedure met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van hun in 2000 overleden moeder. Bij vonnis van 6 april 2011 van de rechtbank Rotterdam is geïntimeerde onder meer veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan het afronden van een boedelbeschrijving. Voor het afronden van die boedelbeschrijving diende geïntimeerde zich te wenden tot notaris mr. T.J. Mellema – Kranenburg. Aan die veroordeling was nog geen dwangsom verbonden.

6. Vervolgens is in het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2011 onder meer het navolgende beslist:

5.1

bepaalt dat, indien [Broer een] zich niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis tot notaris mr. T.J. Mellema-Kranenburg van notariskantoor Van Heeswijk Notarissen te Rotterdam wendt om zijn medewerking te verlenen om de reeds eerder aangevangen boedelbeschrijving te voltooien, zoals bepaald in het vonnis van de rechtbank van Rotterdam d.d. 6 april 2011, hij een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat hij daaraan niet heeft voldaan, verschuldigd zal zijn aan [Zus] ;

5.2

bepaalt dat, indien [Broer twee] zich niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis tot notaris mr. T.J. Mellema-Kranenburg van notariskantoor van Heeswijk Notarissen te Rotterdam wendt om zijn medewerking te verlenen om de reeds eerder aangevangen boedelbeschrijving te voltooien, zoals bepaald in het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 6 april 2011, hij een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat hij daaraan niet heeft voldaan, verschuldigd zal zijn aan [Zus] ;

5.3

bepaalt dat, indien [Broer een] en/of [Broer twee] niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis middels bankafschriften informatie verstrekken aan notaris mr. T.J. Mellema-Kranenburg van notariskantoor Van Heeswijk Notarissen te Rotterdam omtrent de ontvangen huurpenningen van de onroerende zaken in de nalatenschap, zij ieder hoofdelijk een dwangsom van € 5000,- per dag of dagdeel dat zij daaraan niet hebben voldaan, verschuldigd zullen zijn aan [Zus] , des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijdt.

7. Op 20 december 2011 heeft appellante het vonnis van 13 december 2011 aan geïntimeerde betekend. Eveneens op die datum heeft [Broer twee] , de broer van geïntimeerde, zich vervoegd bij notaris mr. T.J. Mellema-Kranenburg.

8. Bij e-mail van notaris mr. T.J. Mellema-Kranenburg van 23 december 2011 schrijft zij:

“Hierbij bevestig ik u dat ik dinsdag 20 december van u diverse stukken betreffende de boedelbeschrijving van de nalatenschap van uw moeder van u heb ontvangen. Ik heb nog niet kunnen controleren of alle eerder door mij bij u opgevraagde stukken daar ook bij zitten. Tevens heb ik van uw advocaat, de heer Beek een aantal stukken betreffende de mogelijke bodemverontreiniging ontvangen, o.a. vonnissen van de rechtbank en een rapport opgesteld door de heer Griffioen. Hierbij meld ik ook dat ik mijn werkzaamheden pas voortzet wanneer de nog openstaande nota`s inzake de nalatenschap zijn voldaan.”. (vetgedrukt van het hof)

9. Op 16 februari 2012 heeft appellante bij exploot betaling gevorderd van een bedrag van € 211.267,65. De vordering is onder meer opgebouwd uit:

 verbeurde dwangsommen van 29 december 2011 tot en met 7 februari 2012 € 210.000,-.

Uit het exploot volgt dat dwangsommen verbeurd zijn aangezien niet is voldaan aan punt 5.1 van het vonnis van 13 december 2011.

10. Op 6 juni 2012 is ten verzoeke van appellante in executoriaal beslag genomen een groot aantal onroerende goederen. Uit het exploot volgt onder meer:

  • -

    uit kracht van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van d.d. 13 december 2011 is beslag gelegd;

  • -

    er is beslag gelegd voor een bedrag van € 172.500,-.

Het exploot van beslaglegging is op 11 juni 2012 aan geïntimeerde overbetekend.

11. Op 12 juni 2012 heeft appellante bij exploot betaling gevorderd van een bedrag van € 842.216,01. De vordering was onder meer opgebouwd uit:

  • -

    verbeurde dwangsommen 29 december 2011 t/m 7 februari 2011 € 210.000,-;

  • -

    verbeurde dwangsommen 8 februari 2012 t/m 12 juni 2012 € 630.000,-.

12. Het op 12 juni 2012 gelegde executoriale beslag is door de rechtbank in het bestreden vonnis nietig verklaard.

13. Bij arrest van dit hof, gewezen tussen appellante enerzijds en geïntimeerde en zijn broer [Broer twee] anderzijds, is op 17 februari 2015 beslist: “Gesteld noch gebleken is dat het aan andere erven dan [Broer een] en [Broer twee] te wijten is dat de boedelbeschrijving nog altijd niet compleet is. Het hof concludeert dan ook dat niet is komen vast te staan dat [Broer een] en [Broer twee] alle medewerking hebben verleend aan het voltooien van de boedelbeschrijving. Of [Broer een] inmiddels duidelijkheid heeft verschaft over de door hem uit de nalatenschap opgenomen en in de nalatenschap in te brengen lening kan verder in het midden blijven. De dwangsommen zijn dan ook terecht verbeurd.”.

14. Appellante wenst in de rangregeling te worden toegelaten voor een bedrag van

€ 844.510,48 en niet voor een bedrag van € 172.500,-.

15. Door geïntimeerde wordt in zijn incidenteel appel (kort samengevat) gesteld dat hij in het geheel geen dwangsommen is verschuldigd. Gezien het feit dat het incidenteel appel het meest verstrekkende is, zal het hof eerst het incidenteel appel bespreken. Waar mogelijk zal het hof de grieven en stellingen gezamenlijk bespreken.

Dwangsommen

16. In het incidentele hoger beroep heeft geïntimeerde aan de orde gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geïntimeerde dwangsommen zou hebben verbeurd (op grond waarvan de rechtbank vervolgens appellante heeft toegelaten tot de rangregeling voor een bedrag van € 172.000,-).

17. Geïntimeerde stelt zich expliciet op het standpunt dat voor de door appellante gevorderde toelating tot de rangregeling slechts bepalend is het beslag dat op 6 juni 2012 is gelegd en dat is gebaseerd op het betalingsbevel van 16 februari 2012.

18. In het exploot van 16 februari 2012 wordt door appellante alleen een beroep gedaan op een van de drie dwangsombepalingen, te weten de dwangsombepaling 5.1. van het kort gedingvonnis van 13 december 2011.

19. In de bepaling 5.1 van het kortgeding vonnis staat dat gerequireerde zich binnen zeven dagen na betekening van het vonnis dient te wenden tot mr. T.J. Mellema-Kranenburg van het notariskantoor Van Heeswijk Notarissen te Rotterdam. Er staat niet in de dwangsombepaling wat hij precies moest doen om die medewerking te verlenen. Geïntimeerde hoefde volgens deze bepaling in ieder geval geen bankstukken aan te leveren.

20. Het kortgeding vonnis is op 20 december 2011 aan geïntimeerde betekend, zodat die termijn van 7 dagen op die dag is gaan lopen. Nog diezelfde dag is de broer van geïntimeerde mede namens geïntimeerde conform de dwangsombepaling van 5.1 naar de notaris gegaan om medewerking te verlenen aan de boedelbeschrijving.

21. Ten bewijze van deze nakoming verwijst geïntimeerde naar een e-mail van 23 december 2011 van de boedelnotaris. Daarmee staat vast dat geïntimeerde wel degelijk heeft voldaan aan zijn dwangsomverplichting van punt 5.1 van het kortgeding vonnis. Dat betekent dat appellante op 16 februari 2012 ten onrechte aan geïntimeerde een betalingsbevel heeft uitgebracht.

22. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat onder de dwangsombepaling van 5.1 ook valt het door geïntimeerde aanleveren van bankafschriften aan de boedelnotaris. De enige reden waarom appellante in het exploot van 16 februari 2012 een beroep deed op de dwangsombepaling van 5.1 was dat geïntimeerde de rekening van de boedelnotaris niet kon betalen. Bovendien wist geïntimeerde destijds door dit gegoochel van appellante met de verschillende dwangsombepalingen niet waar hij aan toe was. Het handelen van appellante is in strijd met de rechtszekerheid en het gerechtvaardigd vertrouwen zijdens geïntimeerde.

23. In zijn akte na antwoord in incidenteel appel heeft geïntimeerde nog gesteld dat het arrest van dit hof van 17 februari 2015 voor de onderhavige procedure niet relevant is. Immers die procedure betrof de vordering van geïntimeerde en zijn broer tot opheffing van de door appellante gelegde beslagen.

24. Door appellante is tegen de grief van geïntimeerde gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank is in rechtsoverweging 4.11 tot het oordeel gekomen dat niet is komen vast te staan dat geïntimeerde alle medewerking heeft verleend aan de boedelbeschrijving als bedoeld in 5.1 De rechtbank heeft zich dus beperkt tot het oordeel dat geïntimeerde de dwangsombepaling van 5.1 heeft overtreden. De rechtbank behoefde bij deze stand van zaken de dwangsombepalingen uit 5.3 en 5.4 van het vonnis van 13 december 2011 niet in haar oordeel te betrekken.

25. Het is correct dat in het betalingsbevel van 16 februari 2012 de dwangsomveroordeling uit 5.1 andermaal is uitgeschreven.

26. Bij antwoordakte heeft appellante onder meer het volgende gesteld. Het hof Den Haag heeft in rechtsoverweging 21 van zijn arrest van 17 februari 2015 vastgesteld dat geïntimeerde de dwangsomveroordeling 5.1 heeft geschonden. Appellante merkt op dat het hof de conclusie trok op basis van een restrictieve uitleg van die veroordeling, omdat het verbod volgens het hof algemener van aard zou zijn dan de overige veroordelingen. Daarom is het hof nagegaan of geïntimeerde handelingen had verricht waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat die inbreuken opleveren op datgene wat de rechter heeft geboden. Vervolgens is vastgesteld dat in december 2011 slechts dezelfde stukken aan de notaris zijn overgelegd als die de rechtbank eerder juist als onvoldoende had bestempeld. Daarnaast achtte het hof van belang dat de boedelbeschrijving nog altijd niet was voltooid en dat gesteld noch gebleken is dat het niet aan één van de andere erven te wijten was.

27. Het hof overweegt als volgt. Dit hof heeft in zijn arrest (in kort geding) van 17 februari 2015 al geoordeeld dat geïntimeerde de dwangsomveroordeling van 5.1 had overtreden. Niet gesteld is dat van dit arrest door geïntimeerde in cassatie is gegaan.

28. De feiten die geïntimeerde in de onderhavige procedure naar voren brengt, te weten dat hij de dwangsomveroordeling van 5.1 niet zou hebben overtreden, zijn identiek aan de feiten die hij naar voren heeft gebracht in de procedure bij het hof die heeft geresulteerd in voormeld arrest. Op basis van het kortgeding vonnis van 13 december 2011 was geïntimeerde zelf gehouden zich te wenden tot de notaris en mee te werken aan het voltooien van de boedelbeschrijving. Het is de broer van geïntimeerde die op 20 december 2011 naar de notaris is gegaan en niet geïntimeerde zelf. Gezien de inhoud van het kortgeding vonnis van 13 december 2011 en mede bezien de hoogte van de dwangsom van € 5.000,- per dag of een deel daarvan had het op de weg van geïntimeerde gelegen om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat hij wel aan het vonnis van 13 december 2011 had voldaan. Uit de e-mail van notaris mr. T.J. Mellema-Kranenburg van 23 december 2011 volgt dat zij haar werkzaamheden pas zou aanvangen nadat de nota was voldaan. Als geïntimeerde geen geld had om de nota te voldoen had het op zijn weg gelegen om actief te handelen, geïntimeerde had de notaris en de wederpartij van zijn betalingsonmacht op de hoogte moeten stellen. Geïntimeerde is ondanks het vonnis van 13 december 2011 achterover blijven zitten en heeft geen uitvoering gegeven aan het rechterlijk bevel. De door zijn broer aangeleverde stukken waren nagenoeg dezelfde stukken die reeds in het geding waren gebracht. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de dwangsommen terecht zijn verbeurd en het hof maakt de gronden van de rechtbank tot de zijne.

29. In zijn tweede grief betoogt geïntimeerde dat hij geen dwangsommen kan verbeuren in het weekend of op erkende feestdagen. Geïntimeerde komt bij een herrekening van de dwangsommen tot een bedrag van € 155.000,-.

30. Door appellante is gemotiveerd verweer gevoerd. De tekst van art. 611d Rv wijst uitdrukkelijk één bevoegde rechter aan tot wie de dwangsomdebiteur zich kan wenden voor een wijziging van de dwangsom vanwege onmogelijkheid van nakoming: de rechter die de dwangsom heeft opgelegd. De dwangsommen worden ook verbeurd in het weekend en de vakanties. Geïntimeerde heeft geen actie ondernomen om de voltooiing van de boedelbeschrijving te bevorderen. Geïntimeerde heeft aanvaard dat de dwangsommen gedurende het weekend en feestdagen doorliepen nu het vonnis niet anders bepaalt. Van een feitelijke onmogelijkheid als door geïntimeerde gepretendeerd is ook geen sprake.

31. Het hof overweegt als volgt. Op grond van art. 611d Rv is de rechter die een dwangsom heeft opgelegd de rechter die de dwangsom kan opheffen indien er sprake is van een gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid. Geïntimeerde heeft van deze wettelijke mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Achteraf stelt hij zich op het standpunt dat er periodes zijn dat hij geen uitvoering kan geven aan het vonnis aangezien de notaris er niet was. Geïntimeerde heeft het in eigen hand gehad om tijdig een afspraak bij de notaris te maken en actief deel te nemen aan het afronden van de boedelbeschrijving. Dat geïntimeerde dit niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico. In het vonnis van 13 december 2011 is geen beperking opgenomen met betrekking tot het verbeuren van dwangsommen in het weekend of op vakantiedagen, derhalve wordt ook op die dagen een dwangsom verbeurd. De grief treft geen doel.

Kleeft er een gebrek aan het betalingsbevel 16 februari 2012?

32. In grief 3 stelt geïntimeerde dat het op 16 februari 2012 gedane betalingsbevel niet rechtsgeldig is. In het bevel vordert appellante van geïntimeerde dat hij binnen twee dagen een bedrag van € 210.000,- betaalt, terwijl dat op basis van de vermelde periode maximaal

€ 205.000,- kan zijn geweest. Feitelijk overweegt de rechtbank dat het bedrag waarvoor bevel is gedaan van ondergeschikt belang is, waar zij stelt dat het voldoende is dat appellante in haar betalingsbevel verwijst naar de periode van 29 december 2011 tot en met 7 februari 2012. Deze overweging is onjuist en in strijd met de strekking van het betalingsbevel. Immers het betalingsbevel dient niet het belang van de schuldeiser doch van de schuldenaar. Art 502 Rv stelt ter bescherming van de schuldenaar de eis dat de tenuitvoerlegging wordt ingeleid door een bevel tot betaling, waarna de schuldenaar nog een termijn van twee dagen wordt gegund om de executie af te wenden. Bovendien volgt uit art 502 Rv dat zonder een correct betalingsbevel ook geen executoriale beslaglegging op onroerende zaken mogelijk is, althans dat dit de nietigheid van het beslag met zich meebrengt.

33. Door appellante is gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat ook deze grief faalt op twee gronden: a) bij een bevel tot betaling is vermelding van het verschuldigde bedrag niet op straffe van ongeldigheid of nietigheid voorgeschreven, b) geïntimeerde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de vermeende onjuistheid in het bevel tot betaling in zijn belangen is geschaad.

34. In de visie van appellante voldoet het bevel tot betaling aan de wettelijke vereisten. De ratio van art 502 Rv is namelijk dat de schuldenaar een laatste kans wordt geboden om beslag ter inleiding van de executie te voorkomen.

35. Op grond van art 66 Rv brengt de niet naleving van hetgeen in die afdeling is voorgeschreven slechts nietigheid mee voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het beslag is bestemd door het gebrek onredelijk wordt benadeeld. In dit geval is daarvan geen sprake.

36. Het hof overweegt als volgt. De niet naleving van hetgeen in titel 1 afd. 6 van Boek I Rv is voorgeschreven, brengt slechts nietigheid mee voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot bestemd is, door het gebrek onredelijk is benadeeld. Hoewel deze bepaling naar haar bewoordingen slechts geldt met betrekking tot hetgeen in afdeling 1.6 Rv is voorgeschreven, valt zij ook toe te passen op andere vormvoorschriften die gelden voor exploten en die ten doel hebben de belangen te beschermen van degene voor wie het exploot bestemd is. Het gaat bij deze bepaling immers om een algemeen beginsel. Op zulke vormvoorschriften met betrekking tot beslagexploten/betalingsbevelen is art 66 lid 1 Rv daarom van overeenkomstige toepassing. Ook de niet naleving van die voorschriften leidt derhalve slechts tot nietigheid ingeval degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd (HR 4 oktober 2013 ECLI:NL:HR:2013:CA3771).

37. Het beslag op onroerende zaken moet worden voorafgegaan door een exploot van een deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na die termijn kan het beslag worden gelegd (art 502 Rv). Het bevel om aan de executoriale titel te voldoen strekt er toe de schuldenaar met de neus op de feiten te drukken. Het dient allereerst in te houden op grond van welke titel tot executie zal worden overgegaan alsook dat indien niet wordt betaald executoriale maatregelen tegen de onroerende zaken zullen worden genomen.

38. Naar het oordeel van het hof voldoet het bevel tot betaling van 16 februari 2012 aan alle relevante vereisten. Hierin is vermeld op basis waarvan het vonnis wordt geëxecuteerd, de periode waarover de dwangsommen worden gevorderd, en de mededeling dat als niet binnen twee dagen wordt betaald, wordt overgegaan tot inbeslagneming en openbare verkoop van de roerende en onroerende zaken van geïntimeerde. Het enkele feit dat het bedrag van de hoofdsom niet juist is vermeld leidt niet tot een nietigheid van dit exploot. Deze rekenfout was voor geïntimeerde duidelijk en was eenvoudig herstelbaar. De grief treft derhalve geen doel.

De omvang van het executoriale beslag van 6 juni 2012

39. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in haar bestreden vonnis de rechtsvraag beantwoord of het op 12 juni 2012 gelegde beslag nietig is. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat - aangezien art 505 lid 1 Rv niet is nageleefd - het gelegde beslag nietig is. Tegen deze beslissing van de rechtbank is geen grief gericht.

40. Op 6 juni 2012 heeft appellante een groot aantal onroerende zaken van geïntimeerde in executoriaal beslag genomen. In het exploot van inbeslagneming staat onder meer:

  • -

    uit kracht van de in executoriale vorm uitgegeven grosse van een vonnis gewezen door de rechtbank Rotterdam d.d. 13 december 2011, in de zaak van requirante als eiseres en [Broer een] , geboren 28 januari 1941, wonende te [plaatsnaam] aan het adres [adres] , als gedaagde;

  • -

    het totaal verschuldigde bedraagt € 172.500,-.

41. Appellante is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat het beslag is beperkt tot een bedrag van € 172.500,-. Door appellante is onder meer aangevoerd: het is mogelijk executoriaal beslag te leggen voor een periodiek te verbeuren dwangsom. Bij een vordering uit hoofde van dwangsommen is het niet nodig het totale beloop van de vordering in het bevel tot betaling of het beslagexploot te specificeren. De begroting van de hoogte van de vordering is niet van invloed op de reikwijdte van het beslag.

42. Bij de betekening van het vonnis op 20 december 2011 en het bevel tot betaling van 16 februari 2012 is geïntimeerde aangezegd dat hij een dwangsom verbeurt van € 5.000,- voor iedere dag dat hij niet aan het vonnis voldoet.

43. Op 12 juni 2012 is aan geïntimeerde een bevel tot betaling van dwangsommen ad
€ 840.000,- betekent. Dit brengt mee dat geïntimeerde aan de begroting van de vordering in het exploot van 6 juni 2012 niet (langer) vertrouwen mocht ontlenen. Er is geen gerechtvaardigd vertrouwen van derden.

44. Op 13 juni 2012 is om 9.00 uur het beslag van 12 juni 2012 ingeschreven in het kadaster. De waarde van de vordering uit verbeurde dwangsommen dient conform de hoofdregel van art 483c Rv in de rangregeling te worden betrokken voor de waarde die deze vordering ten tijde van het opmaken van de staat van de verdeling had.

45. Door geïntimeerde is gemotiveerd verweer gevoerd. Door geïntimeerde is onder meer het navolgende aangevoerd: dat de beslaglegging voor een bedrag groot € 172.500,- heeft plaatsgevonden blijkt voorts uit het exploot van overbetekening van 11 juni 2012.

46. In tegenstelling tot wat appellante beweert, doet het er in casu niet toe of het mogelijk is om beslag te leggen voor periodieke dwangsommen.

47. In tegenstelling tot wat appellante beweert heeft zij in haar betalingsbevel van 16 februari 2012 alleen een betalingsbevel gedaan voor verbeurde dwangsommen tot en met 7 februari 2012. Appellante heeft echter geen betalingsbevel gedaan voor verbeurde dwangsommen na 7 februari 2012, zodat zij hiervoor geen executoriaal beslag heeft gelegd. Dit wordt bevestigd door zowel de Advocaat-Generaal Bakels als de Hoge Raad die in opgemelde procedure (HR 26 maart 1999 NJ 1999/447) beiden concluderen dat het exploot niet strekte tot inmiddels verbeurde dwangsommen omdat er ter zake van verbeurde dwangsommen geen betalingsbevel is gedaan.

48. In het betalingsbevel van 16 februari 2012 is alleen bevel gedaan voor de verbeurde dwangsommen tot 7 februari 2012.

49. Appellante kan zich niet beroepen op het betalingsbevel van 12 juni 2012, immers dit bevel dateert van 6 dagen na het gelegde beslag. Het bevel van 12 juni 2012 is daarmee in strijd met art 502 lid 1 Rv. Het op 12 juni 2012 gelegde beslag is nietig.

50. Het hof overweegt als volgt.

51. De wetgever heeft beoogd dat bij het executoriale beslag op onroerende zaken een aantal zorgvuldigheidsregels in acht worden genomen, dit mede ter bescherming van de belangen van degene wiens onroerende goederen worden geëxecuteerd.

52. Uit art 502 Rv volgt expliciet dat voorafgaande aan het beslag op de onroerende zaken een bevel tot betaling moet worden gegeven. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen is dit noodzakelijk om de schuldenaar nog een laatste kans te geven om aan zijn verplichtingen te voldoen.

53. Het exploot met betrekking tot het executoriale beslag dient die gegevens te bevatten waardoor het voor de beslagene duidelijk is wat in beslag is genomen en de schuld moet duidelijk zijn omschreven. Het geldelijk beloop van de vordering moet bepaalbaar zijn (art 504a Rv). De aantasting van het vermogen van de schuldenaar dient zo beperkt mogelijk te zijn.

54. In het exploot van 6 juni 2012 met betrekking tot het executoriale beslag wordt verwezen naar het vonnis van 11 december 2011 en wordt expliciet vermeld dat het totaal verschuldigde bedrag bedraagt € 172.500,-. Bij het totaal verschuldigde bedrag is niet vermeld dat dit bedrag nog wordt verhoogd met dwangsommen die na 7 februari 2012 verschuldigd zijn. Appellante heeft zelf haar vordering waarvoor executoriaal beslag is gelegd beperkt tot het bedrag van € 172.500,-. Het exploot van 6 juni 2012 is op 11 juni 2012 overbetekend aan geïntimeerde. Hij mocht er dus op vertrouwen dat voor een bedrag van

€ 172.500,- zou worden geëxecuteerd. Aan de beslaglegging van 12 juni 2012 kan appellante geen enkel recht ontlenen aangezien dat beslag nietig is. Hetgeen overigens door appellante is aangevoerd acht het hof niet rechtens relevant en behoeft derhalve geen bespreking . De grieven van appellante treffen geen doel.

Proceskosten

55. Gezien het feit dat beide partijen in het ongelijk worden gesteld dienen de kosten van dit hoger beroep te worden gecompenseerd en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt. Met betrekking tot de proceskosten veroordeling van geïntimeerde in eerste aanleg kan het hof zich verenigen het feit dat niet de volledige vordering van appellante is toegewezen doet daaraan niet af.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 29 april 2015 van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck, C.M. Warnaar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2016 in aanwezigheid van de griffier.