Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4285

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
200.167.794/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheidingsconvenant bevat afspraken met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Zijn nadien bij een mediator nadere afspraken gemaakt met betrekking tot de verdeling? Concreet bewijsaanbod getuigen gedaan. Man wordt toegelaten tot het leveren van het door hem aanboden bewijs dat er geen definitieve overeenkomst ter zake tot stand is gekomen en dat de vrouw de afgelopen jaren heeft geweigerd medewerking te verlenen aan de afspraken ter aanzien van de verdeling van de boedel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.167.794/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/451761 / HA ZA 14-565

arrest d.d. 27 december 2016

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.M.F. Honders te [plaatsnaam] ,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.H.A. de Boer te [plaatsnaam] .

Het geding

De man is bij exploot van 17 maart 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis in verzet van de rechtbank [plaatsnaam] van 17 december 2014 gewezen tussen de man als eiser, tevens gedaagde in het verzet, en de vrouw als gedaagde, tevens eiseres in het verzet, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

De man heeft ter rolzitting van 25 augustus 2015 een memorie van grieven genomen. In deze memorie heeft hij drie grieven aangevoerd.

De vrouw heeft ter rolzitting van 15 december 2015 een memorie van antwoord genomen.

Ter rolzitting van 28 juni 2016 heeft appellant een akte genomen.

Ter rolzitting van 26 juli 2016 heeft geïntimeerde een antwoordakte genomen.

Partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en hebben arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. In het bestreden vonnis in verzet heeft de rechtbank het door de rechtbank [plaatsnaam] op 19 maart 2014 gewezen verstekvonnis vernietigd en, opnieuw beslissende:

- de wijze van verdeling van de gemeenschap gelast zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 4.8 tot en met 4.10;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partijen de eigen kosten draagt zowel in de verstek- als in de verzetprocedure;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

2. De man vordert, in de appeldagvaarding en aangevuld in de memorie van grieven, dat het dit hof moge behagen:

1) het bestreden vonnis te vernietigen en, (naar het hof begrijpt: opnieuw beslissende):

2) te oordelen dat na het echtscheidingsconvenant geen nadere afspraken tussen partijen tot stand zijn gekomen ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, althans te oordelen dat deze huwelijksgoederengemeenschap niet volledig werd verdeeld en/of afgewikkeld;

3) te oordelen dat de huwelijksgoederengemeenschap zal worden afgewikkeld, waarbij partijen beide bij helfte zullen delen in eventuele baten en de vrouw tenminste zal worden veroordeeld om de helft van alle huwelijkse schulden te voldoen, met name de schulden verbonden aan de beide echtelijke woningen, waaronder de hypotheekschuld van de woning in Nederland en de kosten van verkoop van de beide woningen, alsmede de schuld uit hoofde van de terugvordering door de belastingdienst van de kinderopvangtoeslag met beschikkingsnummers LBT2A- [nummer] , LBTT2A- [nummer] en LBT2- [nummer] ter hoogte van in totaal € 42.364,-, alsmede dat zij zal worden veroordeeld tot terugbetaling van de volledige eventuele boete- en rentebedragen uit hoofde van deze terugvordering;

4) te oordelen dat de vrouw binnen 4 maanden na betekening van het vonnis (het hof begrijpt: arrest), dan wel binnen een door het hof te bepalen termijn, alle noodzakelijke handelingen dient te verrichten, waardoor de woning in Nederland aan de [adres] te [plaatsnaam] zal worden verkocht of aan haar zal zijn overgedragen, waarbij de hypotheek op haar naam zal zijn gesteld, althans – voor zover dit niet binnen die termijn zal zijn geschied – het vonnis (het hof begrijpt: arrest) van uw hof in de plaats zal treden van de handtekeningen en toestemming van de vrouw en de man gerechtigd zal zijn de woning te verkopen;

5) te oordelen dat de vrouw alle handelingen dient te verrichten, waardoor de woning in Marokko te [plaatsnaam] kan worden verkocht en overgedragen kan worden aan een derde;

6) de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten P.M., een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis (het hof begrijpt: arrest), en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te reken vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

7) vervangende toestemming te verlenen aan de man, in plaats van de toestemming van de vrouw, waardoor de man de woning in Nederland kan overdragen en leveren aan een derde, indien en voor zover deze niet binnen de onder punt 4 gevraagde termijn van 4 maanden na betekening van het arrest aan de vrouw in de verkoop zal zijn gezet of indien de woning na verloop van deze termijn weer op verzoek van de vrouw uit de verkoop zal zijn gehaald of indien de woning niet binnen 1 jaar na betekening op grond van enige reden zal zijn verkocht;

8) vervangende toestemming te verlenen aan de man teneinde de woning in Marokko te kunnen verkopen, over te kunnen dragen en te kunnen leveren aan een derde;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3. De vrouw verzoekt het hof de man in zijn hoger beroep niet te ontvangen althans zijn vorderingen te ontzeggen en het bestreden vonnis te bekrachtigen.

Kern van het geschil

4. Partijen hebben in een echtscheidingsconvenant, door partijen ondertekend op 30 juni 2011, afspraken met betrekking tot de gevolgen van hun echtscheiding gemaakt, waaronder afspraken met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man wenst nakoming van de in het convenant gemaakte afspraken. Volgens de vrouw is dit niet mogelijk omdat door partijen nadien bij een mediator nadere afspraken met betrekking tot de verdeling van de voormalige huwelijksgemeenschap zijn gemaakt.

Opmerkingen vooraf

5. Het hof stelt vast dat partijen er vanuit gaan dat op hun echtscheiding en de afwikkeling daarvan Nederlands recht van toepassing is. Het hof zal hier dan ook vanuit gaan.

6. Indien partijen onderling overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap, is er - anders dan de rechtbank heeft gedaan - op grond van artikel 3:185 BW geen grond meer voor de rechter om de verdeling vast te stellen dan wel de wijze van verdeling te gelasten.

Grieven

7. De grieven van de man komen er, kort gezegd, op neer dat de rechtbank volgens de man ten onrechte heeft geoordeeld dat tussen partijen in onderling overleg nadere definitieve afspraken omtrent de afwikkeling van de boedelscheiding zijn gemaakt en dat de rechtbank derhalve ten onrechte niet dan wel onjuist heeft geoordeeld over de (verdere) afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

8. De meest verstrekkende grief van de man is zijn eerste grief waarin hij stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat tussen partijen in onderling overleg definitieve afspraken zijn gemaakt omtrent de afwikkeling van de boedelscheiding. Het hof zal derhalve als eerste deze grief behandelen.

9. Ter onderbouwing van zijn stelling dat tussen partijen, na de in het convenant opgestelde overeenkomst, geen definitieve onderlinge afspraken tot stand zijn gekomen voert de man onder meer het volgende aan. Er heeft wel overleg tussen partijen plaatsgevonden onder leiding van een bekende, de heer [naam] , echter de man heeft steeds getwijfeld aan de intenties van de vrouw om haar medewerking te verlenen aan enige tussen partijen geldende afspraak. De man had ten aanzien van het overleg dan ook het voorbehoud gemaakt dat dit alleen tot definitieve afspraken zou leiden indien en voor zover zou blijken dat de vrouw ook bereid zou zijn stappen te zetten en medewerking te verlenen aan deze afwikkeling van de huwelijksgemeenschap. Dat heeft de heer [naam] ook onderkend en expliciet aan de vrouw kenbaar gemaakt. Indien de vrouw geen medewerking zou verlenen aan de tussen partijen gemaakte principe afspraken zouden deze niet verbindend zijn c.q. ophouden te gelden en zou de procedure via de rechtbank worden opgestart c.q. voortgezet. De heer [naam] heeft bij e-mail van 21 februari 2015 laten weten dat de e-mail van 4 november 2013 was bedoeld als eerste stap naar definitieve afspraken, zoals ook blijkt uit het feit dat de verdere invulling van het besprokene nog zou moeten worden uitgewerkt. Nu de vrouw nooit haar medewerking heeft verleend aan het bespreken van de vervolgstappen, heeft het via de heer [naam] besprokene niet tot een overeenkomst geleid. Er is bij de man in die zin een wilsgebrek ten aanzien van de verbindendheid van de door de heer [naam] opgesomde punten. De gemaakte opsomming is qua vorm en inhoud niet aan te merken als een definitieve overeenkomst tussen partijen. Het was niet de bedoeling om de opsomming als juridische afspraken te laten gelden. Was dat wel zo geweest, dan had de heer [naam] deze afspraken vollediger en met de juiste uitwerking opgesteld, zodat deze ook gereed waren om tot uitvoering te brengen. Dit verklaart de heer [naam] ook in eerdergenoemde e-mail van 21 februari 2015. De heer [naam] is bovendien geen gecertificeerde mediator en de door hem gehanteerde methode heeft een andere bedoeling en werkwijze dan bijvoorbeeld die van een bij de rechtbank aangesloten mediator. De wijze van bemiddeling in de Marokkaanse cultuur heeft ook een geheel eigen karakter, waaruit niet zomaar mag worden afgeleid dat een bepaald stadium van het proces daarin kan worden aangemerkt als een volgens het Nederlandse recht geldende en afdwingbare afspraak. Dat de onderhandelingen niet tot een definitief einde waren gekomen blijkt voorts uit de terughoudendheid waarmee de man op de e-mail van 4 november 2013 heeft gereageerd. De terughoudende reactie van de man op de e-mail, “ik vind prima”, heeft niet dezelfde strekking en overtuiging als bijvoorbeeld: “ik ben akkoord met deze afspraken”. Het besprokene heeft tot ruim een jaar nadien niet tot enige uitvoering van de zijde van de vrouw geleid. Zo heeft de vrouw nooit de machtiging opgesteld waarmee de man de woning in Marokko kan overdragen en leveren aan een derde. De man heeft de gerechtelijke procedure uiteindelijk voortgezet.

10. De vrouw stelt dat partijen blijkens de e-mail van de heer [naam] van 4 november 2013 overeenstemming met elkaar hebben bereikt en dat die overeenstemming ertoe leidt dat een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Het onderwerp van de mail is ook “afspraken over schulden en bezittingen”. Daaraan doet niet af dat de heer [naam] geen gecertificeerd mediator zou zijn of dat partijen binnen de Marokkaanse cultuur met elkaar zouden hebben gecorrespondeerd. Dat de man een voorbehoud had gemaakt dat enkel definitieve afspraken zouden worden gemaakt als de vrouw bereid zou zijn stappen te zetten, weet de vrouw niet. Dit doet niet af aan het feit dat uiteindelijk stappen zijn gezet die tot overeenstemming tussen partijen hebben geleid blijkens de e-mail. Bovendien heeft de vrouw wel haar medewerking verleend. In de e-mail is niet te lezen dat de mail als een eerste stap naar afspraken toe zou hebben te gelden en ook is niet opgenomen dat de afspraken pas definitief zouden zijn als ze ook waren uitgevoerd. Noch in de beginpassage van de e-mail noch in de reactie “ik vind prima” van de man is een voorbehoud te lezen. De vrouw spreekt tegen dat daaruit enige terughoudendheid zou spreken. De vrouw heeft in haar e-mail van 10 november 2013 bovendien bevestigd dat de afspraken akkoord zijn. De e-mail van 21 februari 2015 van de heer [naam] komt kennelijk voort uit druk die door de man op hem is uitgeoefend. De mail is in ieder geval geschreven nadat tussen hen contact heeft plaatsgevonden. Enig voorbehoud bij de gemaakte afspraken, zoals door de man gesuggereerd, blijkt niet uit de e-mail van de heer [naam] . Dat de heer [naam] meerdere keren telefonisch en via Whatsapp zou hebben aangeven dat de man zijn “aanbod” zou intrekken is niet relevant. Immers, het aanbod was al geaccepteerd en partijen hebben overeenstemming bereikt. Het aanbod kan dan niet meer worden ingetrokken. De verwijzing door de heer [naam] in zijn e-mail van 21 februari 2015 naar de laatste bullet in de e-mail van 4 november 2013 ondersteunt het standpunt van de man evenmin. Daarin staat slechts dat de man de dagvaarding zal intrekken. Dat de vrouw de machtiging nog niet had getekend komt omdat deze in de Arabische taal was opgesteld, welke taal de vrouw niet machtig is. De man zou de woning tegen elke prijs hebben kunnen verkopen zonder dat de vrouw daar enige zeggenschap over zou hebben gehad. De man had de woning ook zonder de machtiging te koop kunnen zetten; pas bij de overdracht is het akkoord van de vrouw nodig.

Bewijsaanbod man

11. De man biedt aan door het horen van getuigen te bewijzen:

- dat er geen definitieve overeenkomst tot stand is gekomen, waardoor de boedelverdeling volledig kon worden afgewikkeld;

- dat de vrouw gedurende de afgelopen jaren steeds heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan afspraken ten aanzien van de verdeling van de boedel.

12. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet een bewijsaanbod in hoger beroep voldoende specifiek en ter zake dienend zijn. Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende concreet aangegeven op welke van zijn stellingen het bewijsaanbod ziet. Gelet hierop zal het hof de man toelaten te bewijzen door het horen van getuigen dat geen definitieve overeenkomst tot stand is gekomen, waardoor de boedelverdeling volledig kon worden afgewikkeld, alsmede dat de vrouw gedurende de afgelopen jaren steeds heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan afspraken ten aanzien van de verdeling van de boedel.

13. Het hof houdt, in afwachting van de uitkomst van dit getuigenverhoor, iedere verdere beslissing aan.

14. Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

staat appellant toe door het horen van getuigen te bewijzen:

- dat er geen definitieve overeenkomst tot stand is gekomen, waardoor de boedelverdeling volledig kon worden afgewikkeld;

- dat de vrouw gedurende de afgelopen jaren steeds heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan afspraken ten aanzien van de verdeling van de boedel;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.H.N. Stollenwerck en bij diens afwezigheid

mr. A.N. Labohm ten overstaan van wie het getuigenverhoor plaatsvindt;

verzoekt appellant en geïntimeerde binnen 6 weken na datum van dit arrest hun verhinderdata op te geven voor het te houden getuigenverhoor en wel voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 1 juli 2017;

bepaalt dat appellant tenminste twee weken voor het te houden getuigenverhoor de namen van de te horen getuigen aan de griffier en de wederpartij opgeeft;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H.N. Stollenwerck, A.N. Labohm, en P.B. Kamminga en en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 december 2016 in aanwezigheid van de griffier.