Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4250

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
22-004497-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:708, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en aan opzettelijk brand stichten.

De verdachte heeft opzettelijk op een uiterst brute en volstrekt zinloze wijze zijn 44-jarige vriendin gedood. De verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning meermalen met een grillpan tegen het hoofd geslagen. Hij heeft de jas van het slachtoffer, die buiten bewustzijn was, in brand gestoken teneinde zijn sporen te wissen, en het slachtoffer is overleden.

Het hof veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004497-13

Parketnummer: 10-700009-13

Datum uitspraak: 28 april 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1977,

thans gedetineerd in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 december 2015 – en na tussenarrest van 17 december 2015 – op de terechtzitting van dit hof van 14 april 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 impliciet primair (moord) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 impliciet subsidiair (doodslag) en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2016 - ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandend (stuk) papier, althans een brandend voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (het lichaam van) [slachtoffer] en/of haar kleding en/of (het naast haar liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking, althans met (een) brandbare/ontvlambare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of (het lichaam van) die [slachtoffer] (deels) geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, terwijl daarvan levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was en het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;


2:

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk

-die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met zijn vuist(en))tegen het lichaam en/of het hoofd en/of in het gezicht geslagen en/of

- die [slachtoffer] tegen/op de hals geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) die (buiten bewustzijn verkerende) [slachtoffer] met een (grill)pan, althans een zwaar voorwerp op/tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of het lichaam geslagen en/of (vervolgens)

-die [slachtoffer] tegen/op de hals geslagen en/of de hals van die [slachtoffer] dicht/toegeknepen en/of (vervolgens)

-terwijl die [slachtoffer] buiten bewustzijn op de grond lag (de jas en/of het lichaam van) die [slachtoffer] en/of het (naast haar liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking in brand gestoken, waarna (mede) tengevolge van genoemde combinatie van factoren die [slachtoffer] is overleden;

3:

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandend stuk papier, althans een brandend voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

-(het lichaam van) [slachtoffer] en/of diens kleding en/of het (naast haar liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking, althans met (een) brandbare/ontvlambare stof(fen) ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of (het lichaam van die) [slachtoffer] en/of haar kleding en/of haar woning geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand en/of waardoor/terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning en/of een of meer naastgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 (impliciet subsidiair) en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandend (stuk) papier, althans een brandend voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (het lichaam van) [slachtoffer] en/of haar de kleding van [slachtoffer] en/of (het naast haar liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking, althans met (een) brandbare/ontvlambare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of (het lichaam van) die [slachtoffer] (deels) geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, terwijl daarvan levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was en het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;


2:

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk

-die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met zijn vuist(en))tegen het lichaam en/of het hoofd en/of in het gezicht geslagen en/of

- die [slachtoffer] tegen/op de hals geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) die (buiten bewustzijn verkerende) [slachtoffer] met een (grill)pan, althans een zwaar voorwerp op/tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of het lichaam geslagen en/of (vervolgens)

-die [slachtoffer] tegen/op de hals geslagen en/of de hals van die [slachtoffer] dicht/toegeknepen en/of (vervolgens)

-terwijl die [slachtoffer] buiten bewustzijn op de grond lag (de jas en/of het lichaam van) die [slachtoffer] en/of het (naast haar liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking in brand gestoken, waarna (mede) ten gevolge van genoemde combinatie van factoren die [slachtoffer] is overleden;

3:

hij op of omstreeks 05 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandend stuk papier, althans een brandend voorwerp, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met -(het lichaam van) [slachtoffer] en/of diens de kleding van [slachtoffer] en/of het (naast haar liggende) vloerkleed en/of de vloerbedekking, althans met (een) brandbare/ontvlambare stof(fen) ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of (het lichaam van die) [slachtoffer] en/of haar kleding en/of haar woning geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand en/of waardoor/terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning en/of een of meer naastgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Op 5 januari 2013, omstreeks 04:57 uur, krijgt de politie melding van een brand in een woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam. De brandweer treft in de woning een brandende persoon aan, die blijkt te zijn overleden. Zij is [slachtoffer], geboren op [dag] 1968 te Curaçao.

Uit onderzoek blijkt dat het slachtoffer op 5 januari 2013 samen met [naam] en [verdachte] het café heeft verlaten. Op de camerabeelden van de centrale hal van het flatgebouw is te zien dat op 5 januari 2013 om 02:21 uur het latere slachtoffer samen met een man bij de flat komt en dat beiden naar boven gaan. Deze man verlaat diezelfde nacht om 02:50 uur het flatgebouw. Ter plaatse van het misdrijf meldt zich een man genaamd [verdachte]. [verdachte] wordt herkend als de vriend van het slachtoffer die [verdachte] wordt genoemd. [verdachte] wordt overgebracht naar het politiebureau. [verdachte] verklaart dat hij een relatie had met het slachtoffer en dat hij haar op 4 januari 2013 nog had gezien en dat hij woorden met haar had gehad. Er wordt gezien dat [verdachte] mank loopt en dat hij wonden aan zijn vingers heeft. Na overleg met de officier van justitie wordt [verdachte] als verdachte aangehouden.

De verdachte is vervolgens op 5 januari 2013, op 6 januari 2013, op 11 januari 2013 (geen inhoudelijk verhoor), op 16 januari 2013 en op 5 april 2013 door de politie gehoord.

Tijdens deze verhoren heeft de verdachte op hoofdpunten telkens consistent en gedetailleerd verklaard.

Samengevat komen deze verhoren – zakelijk weergegeven - op het volgende neer. Verdachte had een relatie met het slachtoffer dat hij [slachtoffer] noemt. Na cafébezoek waar behoorlijk wat alcoholhoudende drank is gedronken kwamen zij in de vroege ochtend van 5 januari 2013 gezamenlijk aan in het appartement van [slachtoffer]. Daar hebben zij ruzie gekregen, waarop verdachte besloot zijn spullen te pakken en weg te gaan. [slachtoffer] wilde hem tegenhouden.

Verdachte heeft haar een hele harde klap met zijn vuist gegeven waardoor ze achterover is gegaan. Ze lag toen op haar rug. Hij zag dat ze niet veel meer bewoog. Ze was volgens verdachte wel nog in leven. Hij heeft vervolgens een paar minuten op de leuning van de bank gezeten en nagedacht over een manier om weg te komen en sporen uit te wissen. Hij is vervolgens naar de keuken gelopen, heeft daar een pan gepakt en heeft haar daarmee een paar klappen op haar hoofd gegeven om haar het zwijgen op te leggen. Daarbij brak de steel af. Daarna bewoog ze niet meer. Hij heeft de pan vervolgens afgewassen en in het druiprek gezet. Verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens in brand gestoken door een stuk papier aan te steken en dit ter hoogte van haar middel bij haar licht ontvlambare synthetische jas te houden, die meteen in brand stond. Uiteindelijk heeft verdachte een gaspit van het fornuis opengedraaid. Bij het verlaten van de woning zag verdachte de vlammen.

Details van zijn verklaring komen overeen met de bevindingen van de politie en/of brandweer. Zo is door de brandweercommandant gezien dat één van de pitten van het gasfornuis in de keuken is opengezet. Ook is in het afdruiprek in de keuken een grillpan aangetroffen waarvan de steel is afgebroken.

Voorts past het aanvullend brand technisch onderzoek d.d. 2 september 2013 bij de verklaring van de verdachte. Immers, geconcludeerd kan worden dat de onderzoeksresultaten aangeven dat het veel waarschijnlijker is dat de brand is ontstaan door een stuk papier aan te steken met een aansteker dan doordat de brand is ontstaan door een brandende sigarettenpeuk al dan niet in combinatie met gemorste jenever, dan wel een soortgelijke sterke drank.

Het hof houdt de verdachte dan ook aan zijn tegenover de politie afgelegde bekennende verklaringen.

De anderszins ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte is naar het oordeel van het hof ook niet aannemelijk geworden. Het hof hecht ook geen geloof aan die verklaring.

Daarbij is voorts het volgende nog van belang.

De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg weliswaar aangevoerd dat deze bij de politie afgelegde verklaringen niet juist zijn en hij toen niet de waarheid heeft verteld en hij bij de politie onder druk is gezet, maar heeft dit niet onderbouwd. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van enige ontoelaatbare druk van de politie ook niet gebleken noch aannemelijk geworden.

Het hof tekent daarbij tevens nog aan dat verdachte bij de inbewaringstelling op 8 januari 2013 – derhalve nadat hij op 5 en 6 januari 2013 bij de politie uitgebreid had verklaard – op de vraag van de rechter-commissaris of hij [slachtoffer] in brand had gestoken terwijl zij op de grond lag heeft geantwoord: “Ik heb een papier in mijn handen gehad en aangestoken en…ja.”

In hoger beroep heeft de verdachte geen enkele verklaring willen afleggen of enige verklaring willen geven.

Verweer ten aanzien van de doodsoorzaak

Uit het sectierapport d.d. 3 april 2013 opgemaakt door P.M.I. van Driessche, arts en patholoog, blijkt dat er tekenen waren van hitte-inwerking (verbranding) aan de slijmvliezen van de luchtwegen, zoals passend bij inademing van hete lucht en hete gassen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het slachtoffer nog in leven was ten tijde van een moment van brand. Ter zitting in hoger beroep heeft de patholoog daarover desgevraagd aangegeven dat deze hitte-inwerking ‘diep’ zat en door inademen moet zijn veroorzaakt.

Er waren aan het hoofd letsels, bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, zoals door geslagen worden (al dan niet met een voorwerp), getrapt worden, vallen etc. De schedel en de hersenen toonden onderliggend geen traumatisch letsel. Letsel aan het hoofd kan leiden tot mogelijk bewustzijnsverlies, dit kan aan de hand van sectiebevindingen niet worden aangetoond. Derhalve zouden deze letsels een rol gespeeld kunnen hebben bij het zich niet onttrekken aan een schadelijke situatie (zoals een brand).

Bij toxicologisch onderzoek werden naast een lage concentratie koolmonoxide meerdere stoffen aangetroffen, zijnde ethanol, lorazepam, cocaïne, nortriptyline en amitriptyline. De aangetroffen concentraties stonden de toxicoloog toe te concluderen dat de aanwezige ethanol, lorazepam en tricyclische antidepressiva mogelijk het bewustzijn hebben beïnvloed (en zo mogelijk een rol gespeeld kunnen hebben bij het zich niet onttrekken aan een schadelijke situatie).

De conclusie van het sectierapport luidt dat het intreden van de dood zeer goed kan worden verklaard door inademing van hete rook en hete gassen in combinatie met intoxicatie met meerdere stoffen. Mogelijk dat geweld aan de hals aan het overlijden heeft bijgedragen.

Uit het toxicologisch rapport d.d. 28 maart 2013 opgemaakt door B.E. Smink, apotheker-toxicoloog blijkt dat in het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ethanol, lorazepam, cocaïne en omzettingsprodrukten, nortriptyline en amitriptyline zijn aangetoond. In het bloed van [slachtoffer] is carboxyhemoglobine gehalte van 2,4 % gemeten. Deze laatste concentratie is aan te merken als ‘achtergrondconcentratie’.

Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer] kan zijn beïnvloed door de aanwezige ethanol, lorazepam en tricyclische antidepressiva. Echter de mate van effecten zijn afhankelijk van de gewenning.

De combinatie van stoffen kan een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden van [slachtoffer]. Afhankelijk van de mate van gewenning aan de ingenomen/toegediende stoffen en bij uitsluiting van andere doodsoorzaken zouden de resultaten van het toxicologisch onderzoek het overlijden kunnen verklaren.

De raadsman heeft naar aanleiding van deze laatste passage aangevoerd dat de intoxicatie van het slachtoffer sec de dood kan hebben veroorzaakt.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2016 is de toxicoloog als deskundige gehoord. Zij heeft bevestigd dat intoxicatie van onder andere ethanol, lorazepam, cocaïne en omzettingsprodukten daarvan, zelfstandig tot de dood van het slachtoffer kan hebben geleid, maar dat dit alleen het geval kan zijn indien de patholoog geen andere mogelijke doodsoorzaak vindt en dit afhankelijk is van de mate van gewenning. De in haar rapport gebruikte woorden: ‘bij uitsluiting …’ betekenen dat intoxicatie als enige doodsoorzaak afvalt als er een andere oorzaak is.

De patholoog heeft als deskundige ter terechtzitting van 14 april 2016 verklaard dat het overlijden van het slachtoffer zeer goed verklaard kan worden door inademing van hete rook en hete gassen in combinatie met intoxicatie met meerdere stoffen. Alleen de intoxicatie is als doodsoorzaak onwaarschijnlijk.

Het hof verwerpt dan ook het verweer dat louter intoxicatie tot de dood van het slachtoffer heeft geleid.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek in hoger beroep overtuigend naar voren is gekomen dat het slachtoffer, die onder invloed was van toxicologisch aangetoonde stoffen, door toedoen van de verdachte is komen te overlijden, door haar synthetische jas die zij droeg in brand te steken, terwijl zij door gewelddadige gedragingen van de verdachte op dat moment buiten bewustzijn was en zich aldus niet aan de brand kon onttrekken. Bij dit laatste vermeldt het hof dat de patholoog ter terechtzitting heeft verklaard dat iedere klap met de pan op het hoofd zonder meer tot bewustzijnsverlies heeft kunnen leiden.

Overige verweren

Moord/doodslag

De raadsman heeft op de terechtzitting van 3 december 2015 overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdediging van mening is dat de rechtbank ter zake van het onder 2 ten laste gelegde de tenlastelegging ten onrechte heeft beschouwd als een primaire moord en een impliciet subsidiaire doodslag.

Dit is onjuist. De raadsman miskent de leer van de Hoge Raad in HR,NJ 2000-109 op dit punt. Het hof overweegt voorts dat nu onder de inleidende dagvaarding, alsmede onder de ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 september 2013 gewijzigde tenlastelegging – die spreekt van “opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd” de wetsartikelen staan vermeld (289/287 Sr), er geen misverstand kan bestaan aan de zijde van de verdediging op welk(e) feit(en) de tenlastelegging ziet en wat verdachte wordt verweten. Het hof verwerpt het verweer.

Feit 3; Brandstichting en gemeen gevaar voor goederen

De verdediging heeft betwist dat sprake is geweest van gevaar voor goederen welke naar algemene ervaringsregels voorzienbaar waren ten tijde van de brandstichting. Het Hof verwerpt dit verweer. Wanneer men in een gemeubileerd appartement een stuk papier in brand steekt en daarmee een jas in de brand steekt van een persoon die buiten bewustzijn op de grond ligt, het gevaar voor (de inboedel van) die woning niet alleen te duchten is maar ook naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is.

Geheel ten overvloede wijst het hof er op dat genoemd gevaar zich ook heeft gerealiseerd nu een deel van het vloerkleed en een deel van het laminaat, in de omgeving waar het lichaam van het slachtoffer lag, is verbrand.

Alternatief scenario

De raadsman heeft – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat uit onderzoek is gebleken dat relatief veel woningbranden in de periode van 2008 tot 2012 werden veroorzaakt door roken. Mogelijkerwijs heeft het slachtoffer alcoholische drank over haarzelf gemorst en vervolgens getracht een sigaret aan te steken/te roken waardoor de alcohol is gaan branden. Het is ook mogelijk dat de lucifer of aansteker in contact is gekomen met het lichaam en op zichzelf is verbrand, aldus de raadsman.

Als tweede alternatief scenario heeft de raadsman naar voren gebracht dat een derde de woning van het slachtoffer heeft betreden nadat de verdachte deze had verlaten.

Naar het oordeel van het hof ontstijgen deze scenario’s niet het niveau van suggestie en is er ook geen begin van aannemelijkheid uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen. Hiervoor heeft het hof reeds uitgebreid stilgestaan op welke gronden het hof de verdachte houdt aan zijn afgelegde en voor het bewijs gebezigde verklaringen.

Het hof volstaat dan ook hier te overwegen dat op grond van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte afgelegd tegenover de politie op 5 en 16 januari 2013 alsmede op 5 april 2013 zoals hierboven weergegeven en met in achtneming van hetgeen ter zake hiervoor reeds is overwogen de door de verdediging geschetste alternatieve scenario’s niet aannemelijk zijn geworden.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is, overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2015 overlegde pleitnota, een beroep gedaan op een (putatieve) noodweersituatie, welke is veroorzaakt door een ogenblikkelijke aanranding, waarbij sprake is van noodweerexces nu verdachtes gedragen veroorzaakt zijn door de hevige gemoedsbeweging welke het onmiddellijk gevolg is geweest van de wederrechtelijke aanranding. De verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe heeft de raadsman de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

De verdachte werd geconfronteerd met het latere slachtoffer die hem van achteren aanviel met een mes. Er ontstaat een worsteling waarbij het slachtoffer volgens de verdachte een grillpan pakt welke onderdeel wordt van het handgemeen. De daarop volgende handelingen van de verdachte zijn ingegeven door angst en vrees welke het onmiddellijke gevolg is geweest van de (putatief) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Hierdoor is de verdachte gebracht in een geestelijke toestand van een hevige gemoedsbeweging, die hem de grenzen van geoorloofd verdedigen uit het oog heeft doen verliezen.

Twee bijkomende factoren zijn dat de verdachte eerder bij een overval door een mes is bedreigd en gewond is geraakt, alsmede de psychische gesteldheid van de verdachte. De verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht gezien zijn persoonlijkheidsstructuur.

Het hof is van oordeel dat de door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden waarbij het van belang is dat het hof de verdachte ten eerste houdt aan zijn eigen verklaring afgelegd tegenover de politie, zoals hierboven onder ‘bewijsoverweging’ weergegeven en waarvan het hof heeft aangegeven waarom zij waarde hecht aan deze verklaring.

Van een aanval of worsteling waarbij het slachtoffer jegens de verdachte een mes en een pan heeft gehanteerd blijkt uit de verklaring van de verdachte als enige bron. Weliswaar is er een mes aangetroffen in de woning van het slachtoffer, echter dat acht het hof onvoldoende om tot de aanname te kunnen komen dat de verdachte daadwerkelijk door het slachtoffer met een mes is aangevallen. Zo kan de mogelijkheid niet worden uitgesloten dat de verdachte bijvoorbeeld dit (zijn) mes op de plaats delict heeft neergelegd om zijn verklaring op dit punt te doen ondersteunen. Ook is van belang dat onvoldoende overtuigend is gebleken noch aannemelijk is geworden dat de verdachte verwondingen door toedoen van een mes heeft opgelopen, bijvoorbeeld bij het naar zeggen van de verdachte door hem uit de hand van het slachtoffer slaan van dit mes.

Dat het slachtoffer met de verdachte heeft geworsteld en tijdens die worsteling een pan zou hebben gepakt of gehanteerd is eveneens gebaseerd op de verklaring van de verdachte die ook nog eens haaks staat op zijn later afgelegde verklaringen waaruit naar voren komt dat de verdachte zelf, toen het slachtoffer op de grond lag, naar de keuken is gelopen en een pan heeft gepakt en daar het slachtoffer mee heeft geslagen.

Weliswaar is er een pan met afgebroken steel aangetroffen in de woning van het slachtoffer, echter dat acht het hof – indachtig hetgeen zojuist hiervoor is overwogen - onvoldoende om tot de aanname te kunnen komen dat de verdachte daadwerkelijk door het slachtoffer met een pan is aangevallen. Ook hier is niet overtuigend gebleken noch aannemelijk geworden dat de verdachte verwondingen door toedoen van een pan heeft opgelopen.

Het hof verwerpt dan ook het beroep op noodweer reeds op de grond dat van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding zoals door de raadsman aangevoerd niet is gebleken noch aannemelijk is geworden.

Nu ten aanzien van het putatief noodweer de raadsman heeft aangegeven dat het daarbij zou gaan om twee momenten, te weten het overmeesteren van het mes en het afpakken van de grillpan, waarop de verdachte in de veronderstelling verkeerde zich te moeten verdedigen geldt eveneens, indachtig hetgeen hiervoor is overwogen, dat niet overtuigend is gebleken noch aannemelijk is geworden dat in deze de verdachte door het slachtoffer überhaupt met een mes en een pan is aangevallen en reeds op die grond het verweer moet worden verworpen.

Ook het beroep op (putatief)noodweerexces kan dan niet meer slagen en wordt derhalve verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 impliciet primair (moord) ten laste gelegde en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 impliciet subsidiair (doodslag) en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, onder invloed van alcohol en drugs, opzettelijk op een uiterst brute en volstrekt zinloze wijze zijn vriendin gedood en aldus aan een 44-jarige vrouw haar kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. De verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning meermalen met een grillpan tegen het hoofd geslagen. Hij heeft de jas van het slachtoffer, die buiten bewustzijn was, in brand gestoken teneinde zijn sporen te wissen, en het slachtoffer is overleden.

Deze gruwelijke handelwijze van de verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven.

Daarnaast is aan de nabestaanden van het slachtoffer een onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Daarnaast brengen feiten als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Het hof heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte acht geslagen op een Pro Justitia rapport d.d. 3 maart 2013, opgemaakt en ondertekend door B.A. Blansjaar, psychiater en op een Pro Justitia rapport d.d. 27 maart 2013, opgemaakt en ondertekend door A.K. Wieringa, GZ-psycholoog. Het hof zal er in het voordeel van de verdachte van uitgaan dat de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd voor de ten laste gelegde feiten.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

5 april 2016.

De bewezen verklaarde feiten, met name onder 1 en 2, behoren tot de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent en deze misdrijven rechtvaardigen een oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur.

Het hof is - alles overwegende – met inachtneming van de generale en speciale preventie van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 impliciet subsidiair (doodslag) en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr R.C. Schlingemann en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 april 2016.