Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4246

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
22-004588-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2572, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] door met een vuurwapen van dichtbij door diens rug te schieten als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004588-14

Parketnummer(s): 10-690312-12

Datum uitspraak: 8 november 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Verenigde Staten) op

[dag] 1989,

thans gedetineerd in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 18 juni 2015 en 25 oktober 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 impliciet primair (moord) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent een in beslag genomen voorwerp als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 15 juni 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een pistool, althans een vuurwapen, een kogel in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2:
hij op of omstreeks 15 juni 2012 te Rotterdam tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, kaliber 7.65 millimeter Browning en/of de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zou hebben gehandeld met voorbedachte raad, hetgeen onder 1 impliciet primair ten laste is gelegd. De verdachte zal daarom daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op of omstreeks 15 juni 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een pistool, althans een vuurwapen, een kogel in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.


2:
hij op of omstreeks 15 juni 2012 te Rotterdam tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, kaliber 7.65 millimeter Browning en/of de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

Algemeen

Op 15 juni 2012, omstreeks 16.29 uur, is [slachtoffer] (verder: slachtoffer), op de [straat 1] te Rotterdam, neergeschoten en komen te overlijden1. Uit sectie op het lichaam van het slachtoffer is gebleken dat diens overlijden kan worden verklaard door verbloeding in het kader van één bijna doorschot door de romp. De inschotwond bevond zich op de rug van het slachtoffer. Voorts is vastgesteld dat het schotkanaal buikwaarts vrijwel horizontaal verliep en dat het schot van nabij, maar op een afstand van groter dan 25 centimeter van het slachtoffer, is afgeschoten2.

Van het incident zijn camerabeelden ter beschikking gesteld door een coffeeshop genaamde [naam], gevestigd op de [straat 2] te Rotterdam.

Voorts zijn er een aantal mensen die hebben gezien, dan wel gehoord dat er eenmaal geschoten werd. Ook de verdachte heeft verklaard een enkel schot te hebben gehoord.

De verdachte erkent met zijn vader, medeverdachte [medeverdachte], op 15 juni 2012 op de [straat 1] aanwezig te zijn geweest. Ook erkent hij dat hij, nadat hij het slachtoffer had gezien, zijn vuurwapen heeft gepakt, dit heeft doorgeladen en daarna weer in zijn zak heeft gestopt. Kort daarna, op het moment dat zijn vader het slachtoffer van achteren vastgreep, heeft hij dit doorgeladen vuurwapen getrokken en is naar zijn vader en het slachtoffer toegerend. De verdachte heeft het doorgeladen vuurwapen op het slachtoffer gericht terwijl hij op korte afstand van het slachtoffer stond3.

De verdachte ontkent evenwel een schot met het vuurwapen te hebben gelost.

De advocaat-generaal is van mening dat op grond van de weergave van de camerabeelden, in onderling verband en samenhang met getuigenverklaringen bezien, tot geen

andere gevolgtrekking kan worden gekomen dan dat het de verdachte is geweest die een kogel heeft afgevuurd op het slachtoffer.

De verdediging heeft bij pleidooi het standpunt ingenomen dat uit de (camera)beelden als ook uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat de verdachte op het schietmoment niet achter het slachtoffer was/stond waardoor de verdachte het schot niet kán hebben gelost gezien de schotbaan in het lichaam van het slachtoffer.

Het hof overweegt ten aanzien van het tenlastegelegde daderschap – mede naar aanleiding van hetgeen door de advocaat-generaal en de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht - het volgende.

Daderschap

De getuige [getuige 1] verklaart dat hij zag dat dader 2 (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) het slachtoffer van achteren vast pakte. Hij zag dat dader 2 zijn ene arm van achteren om de hals van het slachtoffer deed, en met zijn andere arm blokkeerde dader 2 de arm van het slachtoffer. Hij zag dat het slachtoffer zich los wilde maken van dader 2. Hij zag op dat moment dat dader 1 (het hof begrijpt: verdachte) naar het slachtoffer toeliep. Hij zag dat dader 1 onderweg het wapen pakte. Hij zag en hoorde dat dader 1 vervolgens met het wapen schoot op hele korte afstand in de richting van het slachtoffer. Dader 1 bewoog daarbij zijn arm nog. Dader 2 had het slachtoffer praktisch nog vast toen dader 1 schoot. Dader 2 liet vervolgens het slachtoffer los4.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond van 4 juli 2012 blijkt dat kort na het schietincident door diverse mensen werd gebeld naar de politiemeldkamer. Op maandag 18 juni 2012 is telefonisch contact opgenomen met een nummer dat op 15 juni 2012 had gebeld. De gebruiker van het nummer gaf aan zich als passagier in een auto te hebben bevonden voor de Kijkshop. Hij zag een man een vuurwapen pakken. Hij zag dat deze man een wapen in zijn rechterhand had toen hij een harde knal hoorde.

Er was nog een tweede man bij; volgens de getuige hoorden de mannen bij elkaar. De tweede man was dik en de schutter was magerder5.

De getuige [getuige 3] verklaart dat “[slachtoffer]” (het hof begrijpt: het slachtoffer) door een persoon van achter werd beetgepakt. Hij zag dat de man met wie hij stond te praten (het hof begrijpt, gelet op de verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris: de verdachte) een pistool uit zijn rechterjaszak pakte. Hij hoorde een schot en zag dat “[slachtoffer]” zich los had gemaakt, één of twee passen deed en toen viel. Volgens de getuige is het schot gevallen toen “[slachtoffer]” al vechtend probeerde zich los te worstelen. De twee mannen en “[slachtoffer]” stonden allemaal dicht bij elkaar6. De getuige verklaart bij de rechter-commissaris nader dat hij en het latere slachtoffer [naam] (het hof begrijpt: de verdachte) zagen lopen en dat het slachtoffer tegen de getuige zei dat het leek dat de verdachte gewapend was. Het slachtoffer werd door een andere persoon van achter vastgegrepen. De verdachte haalde vervolgens een wapen te voorschijn. De verdachte rende richting het slachtoffer en de andere persoon. De getuige weet dat er geschoten is omdat hij dat hoorde. Hij hoorde één schot. Op de vraag of hij nog iemand anders met een vuurwapen heeft gezien antwoordt de getuige: “Nee”7.

De verdachte zelf heeft verklaard dat hij zijn doorgeladen vuurwapen op korte afstand op het slachtoffer heeft gericht op het moment dat zijn vader het slachtoffer vasthield en dat hij een enkel schot heeft gehoord.8 Op de vraag of hij andere mensen met een vuurwapen daar had gezien antwoordt de verdachte:‘Nee’9.

Getuige [getuige 2] verklaart dat hij op het moment dat hij de hoek van de [straat 1] en de [straat 2] passeert, een knal hoort. Hij ziet een man naar voren op het spoor bij de tramhalte vallen. Hij ziet twee mensen bij het slachtoffer. De een is een flinke man. De ander had het pistool. Als de daders hem passeren ziet hij dat de man het pistool in zijn broeksband stopt10.

Gelet op bovenstaande is het hof, met het openbaar ministerie, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die met een vuurwapen het schot heeft gelost waardoor het slachtoffer is te komen overlijden.

De getuigen, alsook de verdachte zelf, spreken allemaal van één persoon met een vuurwapen, namelijk de verdachte. De verdachte heeft op korte afstand zijn doorgeladen vuurwapen op het slachtoffer gericht. De getuige [getuige 1] heeft daarenboven zelf gezien en gehoord dat de verdachte op korte afstand van het slachtoffer het schot loste en uit het deskundigenrapport van het NFI blijkt ook dat het schot op een korte afstand, maar wel op een afstand groter dan 25 centimeter, van het slachtoffer is gelost.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de camera beelden betoogd dat – nu de verdachte naast het slachtoffer stond, en de kogel in diens rug terecht is gekomen - het uitgesloten is dat de verdachte de schutter is geweest. De rug van het slachtoffer is volgens de raadvrouw op het moment van het schieten niet naar de verdachte gekeerd geweest, en de verdachte kan om deze redenen niet de schutter geweest zijn.

Het hof kan de raadsvrouw daarin niet volgen.

Nog daargelaten dat de verdachte niet noodzakelijkerwijs achter het slachtoffer hoeft te hebben gestaan tijdens het afvuren van het fatale schot, geldt ook het volgende. Uit zowel de bovengenoemde getuigenverklaringen als uit de beelden blijkt dat sprake was van een situatie waarbij het slachtoffer worstelend in beweging was met de medeverdachte. Nu sprake was van een in beweging zijnd slachtoffer dat zich probeerde los te rukken, kan geenszins uitgesloten worden dat de rug van het slachtoffer op enig moment naar de verdachte gekeerd is geweest.

In het midden kan blijven of een moment van de rug toedraaien zich heeft voorgedaan, dan wel of de arm/hand/pols beweging van de verdachte het inschot in de rug heeft mogelijk gemaakt; in ieder geval is het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen overtuigd van het daderschap van de verdachte.

Voor zover de raadsvrouw derhalve heeft bedoeld aan te voeren dat sprake is geweest van een alternatief scenario waarbij iemand anders dan de verdachte de schutter is geweest, is het hof van oordeel dat dit onvoldoende is onderbouwd, laat staan aannemelijk is geworden en dit bovendien door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd.

Getuigenverklaringen

De verdediging stelt zich – tegen de achtergrond van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Vidgen tegen Nederland (EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071) – op het standpunt dat de verklaring van [getuige 1] dient te worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging niet op enig moment in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen. Naar mening van de verdediging is de verklaring van [getuige 1] ‘sole or decisive’, daar hij als enige verklaart dat het fatale schot door de verdachte is gelost.

Het hof stelt vast dat de getuige [getuige 1] in de zaak tegen de medeverdachte door de rechter-commissaris is gehoord en dat deze verklaring is gevoegd in onderhavige zaak. De verdediging van de verdachte is evenwel niet in de gelegenheid geweest om deze getuige te ondervragen en is niet in de beperking van het ondervragingsrecht gecompenseerd. De vraag die vervolgens voorligt, is of de betreffende verklaring het enige of beslissende bewijs is. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.

Dat de verdachte de schutter is geweest vindt in voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen. Het hof wijst hierbij in het bijzonder op de verklaringen van de getuigen [getuige 3], [getuige 2] en de eigen verklaring van de verdachte dat hij zijn doorgeladen vuurwapen op korte afstand op het slachtoffer heeft gericht.

Nu de door de verdediging gelaakte verklaring niet het enige en beslissende bewijs vormt is van schending van de door het EHRM in de zaak Vidgen omschreven norm dan ook geen sprake.

Anders dan de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht omtrent de betrouwbaarheid van o.a. de verklaring van [getuige 1], is het hof van oordeel dat de zich in het dossier bevindende verklaringen van de door het hof voor het bewijs gebezigde getuigen op hoofdpunten, het richten en schieten met het wapen op het slachtoffer, consistent zijn en op die van belang zijnde punten steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Daarnaast constateert het hof dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij, toen hij hoorde en zag dat de verdachte zijn vuurwapen doorlaadde, het gevoel had dat er iets ging gebeuren. Op de camerabeelden is ook te zien dat de getuige [getuige 1], die zich op korte afstand bevond en vol zicht had op de plaats waar het slachtoffer is doodgeschoten, zijn hoofd tijdens het schietincident steeds in die richting gekeerd heeft gehouden.

De verklaring van de getuige [getuige 1] is voorts gedetailleerd en consistent en komt overeen met de camerabeelden.

Nu de getuige [getuige 1] zich dus op korte afstand bevond van de plaats waar het schietincident heeft plaatsgevonden, vol zicht daarop had en het schietincident van het begin tot het einde heeft gevolgd, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de getuige [getuige 1] dat hij zag en hoorde dat de verdachte het slachtoffer van zeer nabij heeft neergeschoten.

Medeplegen van doodslag en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen

Het hof is op gelijke gronden als die van de rechtbank van oordeel dat niet tot een bewezenverklaring van medeplegen van doodslag en het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen kan worden gekomen. Het hof neemt derhalve de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en voegt deze hier in.

Om tot een bewezenverklaring van medeplegen van doodslag te komen, dient sprake te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte.

De medeverdachte [medeverdachte] heeft het slachtoffer van achteren aangevallen en in bedwang gehouden. Hij heeft dat in ieder geval volgehouden tot na het moment dat de verdachte, rennend vanaf de overzijde van de straat, bij de medeverdachte en het slachtoffer was gearriveerd. Feitelijk is dat de enige bijdrage geweest die de medeverdachte heeft geleverd voorafgaand aan het moment dat het schot viel. Uit dat handelen alleen kan niet bewezen worden dat de medeverdachte ook het opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Daarvoor is op zijn minst ook nodig dat de medeverdachte wist (dan wel had moeten weten) dat de verdachte gewapend was en/of dat hij – gelet op het handelen van de verdachte voorafgaand en tijdens het incident wist of had moeten weten dat de verdachte het opzet had het slachtoffer te doden, dan wel dat hij bewust het niet denkbeeldige risico heeft aanvaardt dat de verdachte het slachtoffer zou doden.

Daarvan kan uit dossier niet blijken, zodat het medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en de verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Zoals hiervoor bij het medeplegen van de doodslag is overwogen kan uit het dossier niet blijken dat de medeverdachte [medeverdachte] wist of had moeten weten dat de verdachte in het bezit was van een vuurwapen, ook niet in voorwaardelijke opzettelijke zin.

Derhalve zal het hof de verdachte ook van het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen vrijspreken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (medeplegen moord) zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (medeplegen doodslag) en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] door met een vuurwapen van dichtbij door diens rug te schieten als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden.

Het handelen van de verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor het leven en de gezondheid van een ander. De verdachte heeft het slachtoffer het kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Hierdoor is de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. Verder brengen feiten als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg, zeker wanneer deze, zoals in het onderhavige geval, midden op de dag op de openbare weg en in de aanwezigheid van veel mensen plaatsvinden.

Doodslag behoort tot de ernstigste feiten die het Wetboek van Strafrecht strafbaar stelt, hetgeen tot uitdrukking komt in de hierop gestelde maximumstraf van vijftien jaar.

De verdachte heeft een vuurwapen voorhanden gehad. Het risico voor de veiligheid van personen bij het voorhanden hebben van vuurwapens, met bijbehorende munitie, is met deze zaak eens te meer duidelijk geworden met de dood van het slachtoffer. Tegen onbevoegd vuurwapenbezit dient krachtig te worden opgetreden.

Blijkens een op zijn naam gesteld Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 september 2016 is de verdachte in Nederland niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels, mr. R.C. Schlingemann en mr. S. Verheijen,

in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2016.

1 Proces-verbaal van bevindingen nummer PL17I0 2012377150-266 (p. 37-38).

2 Deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 19 juni 2012 en rapport schotrestonderzoek d.d. 14 maart 2014 van het Nederlands Forensisch Instituut.

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 oktober 2014 en verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2016.

4 Proces-verbaal van verhoor, nummer PL 17I0 2012377150-80 (p. 179-184).

5 Proces-verbaal van bevindingen, nummer PL 17I0 2012377150-58 (p. 863).

6 Proces-verbaal van verhoor, nummer PL 17J0 2012377150-26 (p. 63-69)

7 Proces-verbaal van getuige bij de rechter-commissaris d.d. 16 augustus 2013 (p. 2-3)

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2016

9 Proces-verbaal van bevindingen, met als bijlage de door schrijftolk uitgewerkt verhoor van [verdachte] (p. 1443)

10 Proces-verbaal van verhoor, nummer PL 17J0 2012377150-2 (p. 39-41))