Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4243

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
22-005348-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een revolver op de openbare weg, waar op dat moment veel mensen aanwezig waren, gericht op het slachtoffer te schieten. Het slachtoffer is daarbij tweemaal geraakt.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005348-15

Parketnummer: 09-842415-13

Datum uitspraak: 8 maart 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 november 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Turkije) op [dag] 1977,

thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 februari 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair (poging moord) en 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair (poging doodslag), 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 14 juli 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een revolver, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 14 juli 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een revolver, althans een vuurwapen, één of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 14 juli 2013 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1]) meermalen, althans eenmaal heeft/hebben geslagen/gestompt tegen het gezicht/het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) met een revolver, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) heeft afgevuurd op en/of in de richting van [slachtoffer 1], waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden.

2 primair:
hij op of omstreeks 14 juli 2013 te ‘s-Gravenhage, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 2]van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na rustig overleg en kalm beraad, met een revolver, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 14 juli 2013 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een nekwervelbeschadiging)), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een revolver, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 2];

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juli 2013 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een revolver, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 14 juli 2013 te ’s-Gravenhage

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig

- een (geladen) vuurwapen voorhanden heeft gehad, en/of

- ( vervolgens) door [slachtoffer 2]is beetgepakt, en/of

- ( vervolgens) verdachte en die [slachtoffer 2]liggend op de

grond zijn beland, en/of

- ( vervolgens) een of meerdere personen aan de worsteling

hebben deelgenomen,

- ten gevolge waarvan (vervolgens) het vuurwapen is

afgegaan,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer 2]zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotletsel door een projectiel uit een vuurwapen, met een inschotverwonding en bloeduitstorting aan de linkervoorzijde van de hals heeft bekomen,

althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van die [slachtoffer 2]was ontstaan.

3:

hij op of omstreeks 14 juli 2013 te ’s-Gravenhage een of meer wapens van categorie II, te weten een revolver, althans een vuurwapen, en/of munitie van categorie II, te weten één of meer kogel(s), kaliber.22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad;

4:
hij op of omstreeks 15 juli 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 700 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair (poging moord) en 2 primair impliciet primair (poging moord) zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair (poging doodslag), 2 primair impliciet subsidiair (poging doodslag), 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Feit 1 (poging moord)

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de voorbedachte raad van de verdachte niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van de onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord.

Feit 2

Het hof heeft acht geslagen op het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. De verdachte heeft diverse malen met een revolver, eerst in de lucht en daarna in de richting van de zich in de slagerij bevindende [slachtoffer 1], geschoten. Na dat schieten ontstond een onoverzichtelijke situatie: de verdachte werd, met het vuurwapen in zijn hand, door omstanders, waaronder [slachtoffer 2], besprongen die hem het wapen probeerden afhandig te maken. In de worsteling tussen de verdachte en [slachtoffer 2]is het wapen afgegaan en werd [slachtoffer 2]door een kogel in de hals geraakt. Onder de gegeven omstandigheden kan het hof niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat het wapen door handelen van de verdachte is afgegaan en de verdachte dus een gedraging heeft gesteld waarvoor hij strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. De verdachte dient derhalve van alle onder 2 ten laste gelegde varianten te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 14 juli 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een revolver, althans een vuurwapen één of meer kogel(s) heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3:

hij op of omstreeks 14 juli 2013 te ’s-Gravenhage een of meer wapens van categorie III, te weten een revolver, althans een vuurwapen, en/of munitie van categorie III, te weten één of meer kogel(s), kaliber.22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad;

4:
hij op of omstreeks 15 juli 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 700 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging

Feit 1

Het verweer van de verdachte dat [slachtoffer 1] in de slagerij plotseling is gevallen/gestruikeld en zo in de kogelbaan terecht is gekomen vindt zijn weerlegging in de gedetailleerde verklaring van aangever dat hij ([slachtoffer 1]) in de slagerij onder de toonbank is gedoken, hij daar in elkaar gedoken zat, hij de verdachte net voor de deur van de slagerij zag staan en dat de verdachte nogmaals schoot en hij ([slachtoffer 1]) vervolgens een branderig gevoel had aan zijn borst (rechts).

Feit 4

Het namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde alternatieve scenario, inhoudende dat de verdachte niet wist dat er hennep in zijn woning aanwezig was en dat de hennep vermoedelijk van het neefje van de verdachte is, heeft de verdediging op geen enkele manier onderbouwd. De verdachte heeft volstaan met het schetsen van voormeld scenario en heeft geen naam genoemd noch anderszins een onderbouwing gegeven van zijn bewering. Het hof acht het alternatieve scenario dan ook niet aannemelijk. Het verweer van de raadsman dienaangaande wordt verworpen en het hof acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een revolver op de openbare weg, waar op dat moment veel mensen aanwezig waren, gericht op het slachtoffer te schieten. Het slachtoffer is daarbij tweemaal geraakt. Dat het niet tot ernstiger verwondingen of zelfs de dood van het slachtoffer heeft geleid, is niet aan de verdachte toe te schrijven. Dergelijke feiten op de openbare weg brengen bovendien gevoelens van onveiligheid met zich mee in de maatschappij, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van de getuigen bij de rechter-commissaris. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie kan leiden tot het plegen van ernstige geweldsdelicten, zoals ook gebleken is in deze zaak. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.

De verdachte heeft daarnaast ongeveer 700 gram hennep in zijn woning aanwezig gehad. Bij het bepalen van de hoogte van de straf in deze zaak zal het hof aan dit feit geen betekenis toekennen.

Het hof heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 februari 2016. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder voor, ook soortgelijke, strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.077,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 10.077,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4.077,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘kosten voor rechtsbijstand’ (€ 77,00) is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de onder 1 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde poging tot doodslag. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,00.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 77,00.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1].

De kosten van rechtsbijstand betreffen geen rechtstreekse schade en kunnen derhalve niet worden betrokken bij de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2]zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 5.259,02.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Door de verdachte is niet gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, zodat een kostenveroordeling achterwege kan blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair en 2 (alle varianten) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair impliciet subsidiair, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 77,00 (zevenenzeventig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2]in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. G.P.A. Aler en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. S.D. Riggelink.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 maart 2016.