Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:4048

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
BK-14/00649 en BK-14/00650
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2178
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1145
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot herziening van de uitspraak van het Hof Den Haag van 11 januari 2013, BK-11/00889 en BK-11/00890 wordt afgewezen. De uitspraken waarvan herziening wordt verzocht zijn gedaan na verwijzing door de Hoge Raad van 25 november 2011, nrs. 10/03270 en 10/05250. Overeenkomstig de verwijzingsopdracht heeft het Hof Den Haag niet geoordeeld over de hoogte van de navorderingsaanslagen en de grondslag waarnaar de verhogingen en boetes worden berekend staan vast.De wijze van verkrijging en gebruik van de informatie van de KB-lux door de Belastingdienst is niet van belang voor de vraag of het aan opzet van verzoeker is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Daarvoor is immers uitsluitend relevant of belanghebbende willens en wetens heeft bewerkstelligd dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat van hem (aanvankelijk) minder belasting is geheven dan hij verschuldigd was. Derhalve zouden de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden, waren zij aan het Hof eerder bekend geweest, niet tot andere uitspraken van het Hof als verwijzingshof hebben kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/108
NTFR 2017/234
NLF 2017/0171 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/00649 en BK-14/00650

uitspraak d.d. 28 december 2016

in het geding tussen:

[X] te [Z] , verzoeker,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,

inzake het verzoek om herziening van verzoeker van de uitspraken van het gerechtshof van 11 januari 2013, nummers BK-11/00889 en BK-11/00890, betreffende na te melden aan verzoeker opgelegde belastingaanslagen en beschikkingen.

Voorafgaande gedingen

1.1.

De Inspecteur heeft aan verzoeker voor de jaren 1990 tot en met 1999 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) en voor de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (VB) opgelegd.

Tevens heeft hij gelijktijdig met de navorderingsaanslagen bij wege van verhoging (tot en met 1997) of bij beschikking (vanaf 1998) boeten opgelegd en bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren van verzoeker afgewezen.

1.3.

Verzoeker heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam. Dat Hof heeft bij uitspraak van 10 juni 2010, nummer P04/03029, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM8882, het beroep gegrond verklaard voor zover het de navorderingsaanslagen IB/PVV en de gelijktijdig gegeven beschikkingen betreft, de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op deze navorderingsaanslagen en beschikkingen vernietigd en de bij de navorderingsaanslagen geheven IB/PVV en opgelegde verhogingen alsmede de bij de beschikkingen opgelegde boeten en in rekening gebrachte heffingsrente verminderd.

1.4.

Bij uitspraak van 4 november 2010, nummer 10/00373, heeft het Gerechtshof te Amsterdam het beroep gegrond verklaard voor zover het de navorderingsaanslagen VB en de gelijktijdig gegeven beschikkingen betreft, de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op deze navorderingsaanslagen en beschikkingen vernietigd en de bij de navorderingsaanslagen geheven VB en opgelegde verhogingen alsmede de bij de beschikkingen opgelegde boeten en in rekening gebrachte heffingsrente verminderd .

1.5.

Bij arrest van 25 november 2011, nummer 10/03270, ECLI:NL:HR:2011:BU5633, heeft de Hoge Raad het door verzoeker tegen de onder 1.3 vermelde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam ingestelde beroep in cassatie gegrond verklaard, de hofuitspraak uitsluitend vernietigd wat betreft de verhogingen voor de jaren 1990 tot en met 1997 en de boeten voor de jaren 1998 en 1999 en het geding verwezen naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest.

1.6.

Bij arrest van 25 november 2011, nummer 10/05250, ECLI:NL:HR:2011:BU5681, heeft de Hoge Raad het door verzoeker tegen de onder 1.4 vermelde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam ingestelde beroep in cassatie gegrond verklaard, de hofuitspraak uitsluitend vernietigd wat betreft de verhogingen voor de jaren 1991 tot en met 1998 en de boeten voor de jaren 1999 en 2000 vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest.

1.7.

Het Hof (Den Haag) heeft bij uitspraak van 11 januari 2013, nr. 11/00889, ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2178, de uitspraken op bezwaar die zien op een verhoging of een boete vernietigd, de kwijtscheldingsbesluiten vernietigd, de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1997 verminderd aldus, dat telkens de verhoging, na kwijtschelding, wordt vastgesteld op 64 percent van de door het Gerechtshof Amsterdam vastgestelde bedragen aan belasting en premie en de boetebeschikkingen aldus gewijzigd, dat telkens de boete wordt vastgesteld op 64 percent van de in de navorderingsaanslagen IB/PVV 1998 en 1999 begrepen bedragen aan belasting en premie, zoals deze door het Gerechtshof Amsterdam zijn vastgesteld.

1.8.

Het Hof (Den Haag) heeft bij uitspraak van 11 januari 2013, nr. 11/00890, ECLI:NL:GHDHA:2013:1694 de uitspraken op bezwaar die zien op een verhoging of een boete vernietigd, de kwijtscheldingsbesluiten vernietigd, de navorderingsaanslagen VB 1991 tot en met 1998 aldus verminderd, dat telkens de verhoging, na kwijtschelding, wordt vastgesteld op 64 percent van de door het Gerechtshof Amsterdam vastgestelde bedragen aan belasting en de boetebeschikkingen aldus gewijzigd, dat telkens de boete wordt vastgesteld op 64 percent van de in de navorderingsaanslagen VB 1999 en 2000 begrepen bedragen aan belasting, zoals deze door het Gerechtshof Amsterdam zijn vastgesteld.

1.9.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 april 2014, nrs. 13/00913 en 13/00915, ECLI:NL:HR:2014:843 en 869, het beroep in cassatie gegrond verklaard, de onder 1.7 en 1.8 vermelde uitspraken van het Hof (Den Haag) vernietigd doch uitsluitend wat betreft de verhogingen van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1992 en de verhogingen van de navorderingsaanslagen VB 1991 tot en met 1993, de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de desbetreffende verhogingen kwijtgescholden.

1.10.

Het Hof Amsterdam heeft op 23 oktober 2012, nr. 11/00933, ECLI:NL:GHAMS:2012:3042 het verzoek tot herziening van zijn onder 1.3 vermelde uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Loop van het geding verzoek tot herziening

2.1.

Verzoeker heeft een verzoek tot herziening gedaan van de onder 1.7 en 1.8 vermelde uitspraken van dit Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens hebben zowel verzoeker als de Inspecteur een nader stuk ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 oktober 2016 te Den Haag. Beide partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Inhoud verzoek, standpunten en conclusies

3.1.

Verzoeker heeft zijn herzieningsverzoek – samengevat – als volgt gemotiveerd..

Bij het verkrijgen van het bewijs dat verzoeker rekeninghouder van de KB-Luxbank is in de jaren waarover is nagevorderd heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van microfiches afkomstig van de KB-Luxbank. De Inspecteur heeft steeds tegen beter weten in volgehouden dat deze microfiches niet op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Dit blijkt onder meer uit de verklaring die de heer [A] als getuige voor de rechtbank Brede op 23 mei 2014 heeft afgelegd. De verkrijging door de Belgische overheid is echter dusdanig onrechtmatig geschied dat een behoorlijk handelende overheid daarvan geen gebruik mag maken. De Inspecteur heeft vooringenomen gehandeld. Er zijn heel veel misidentificaties geweest terwijl de Inspecteur geen overzicht heeft verstrekt van het aantal misidentificaties. Verzoeker vraagt het Hof alsnog aan de Inspecteur op te dragen daarvan een overzicht te verstrekken.

3.2.

De Inspecteur heeft het verzoek gemotiveerd bestreden en daartoe – zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Verzoeker heeft met betrekking tot zijn verzoek om herziening niet voldaan aan stelplicht en bewijslast omdat hij niet heeft vermeld welke van de door hem opgesomde feiten zijn aan te merken als feiten die hebben plaatsgevonden voor de uitspraak en niet bekend waren bij verzoeker en waren zij bekend geweest tot een andere uitspraak zouden hebben geleid.

Subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat niet aan de drie cumulatieve voorwaarden voor herziening is voldaan, aangezien de gemachtigde zelf in de gelegenheid is geweest in diverse procedures de heer [A] als getuige op te roepen en de omstandigheid dat hij dat niet heeft gedaan als een processuele lacune dient te worden beschouwd die voor zijn rekening komt. De feiten die naar voren zijn gekomen in het getuigenverhoor van de heer [A] bij de rechtbank Breda hadden hem dus eerder bekend kunnen worden. Verder bestrijdt de Inspecteur de juistheid van de lezing van verzoeker over de rapportage van de heer [B] met betrekking tot het gesprek met [A] . Tenslotte leidt de inhoud van de rapportage niet tot een andere conclusie in die zin dat de Nederlandse overheid op enige wijze de hand zou hebben gehad in diefstal/verduistering van microfiches in Luxemburg.

Beoordeling van het verzoek

4.1.

Waar het Hof hierna de term ‘navorderingsaanslag(en)’ gebruikt, verstaat het Hof daaronder niet de in de navorderingsaanslag(en) begrepen verhoging(en) en boete(s). Waar het Hof hierna de term ‘boete(n)’ gebruikt, verstaat het Hof daaronder mede de in de navorderingsaanslagen begrepen verhoging(en).

4.2.

In het onder 1.9 vermelde arrest heeft de Hoge Raad de uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd vernietigd wat betreft de in de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 tot en met 1993 en de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1992 begrepen boeten. Omdat de uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd voor zover zij betrekking hebben op deze boeten niet meer bestaan, dient het herzieningsverzoek in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 november 2011, nummer 10/03270 - voor zover van belang - het volgende overwogen

“3.1. De bestreden navorderingsaanslagen, boeten en verhogingen (hierna samen: boeten), en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde Rekeningenproject. De Hoge Raad heeft in dit verband enige beslissingen met een meer algemene strekking gegeven in zijn arrest van 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN BN6324, BNB 2011/206 (hierna: het arrest van 15 april 2011).

3.2. '

s Hofs uitspraak geeft wat betreft de beoordeling van de onderscheiden boeten blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in de onderdelen 4.5.2, 4.5.3 en 4.6.3, tweede tekstblok, van het arrest van 15 april 2011. De middelen slagen in zoverre.

3.3.

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4. '

s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. In de procedure na verwijzing dient mede acht te worden geslagen op de onderdelen 4.8.3 en 4.8.4 van het arrest van 15 april 2011.

3.5.

In verband met het voorgaande dient het verwijzingshof te beoordelen:

(i) in hoeverre de Inspecteur voor elk van de jaren 1990 tot en met 1999 het bewijs heeft geleverd dat [verzoeker] het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan, en

(ii) (voor zover het verwijzingshof van oordeel is dat het bewijs van beboetbare feiten is geleverd) in hoeverre elk van de opgelegde boeten gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is.”

4.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 november 2011, nummer 10/05250 - voor zover van belang - het volgende overwogen

”3.1. De bestreden navorderingsaanslagen, boeten en verhogingen (hierna samen: boeten), en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde Rekeningenproject. De Hoge Raad heeft in dit verband enige beslissingen met een meer algemene strekking gegeven in zijn arrest van 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN BN6350, BNB 2011/207 (hierna: het arrest van 15 april 2011).

3.2. '

s Hofs uitspraak geeft wat betreft de beoordeling van de onderscheiden boeten blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in de onderdelen 4.5.2, 4.5.3 en 4.6.3, tweede tekstblok, van het arrest van 15 april 2011. De middelen slagen in zoverre.

3.3.

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4. '

s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. In de procedure na verwijzing dient mede acht te worden geslagen op de onderdelen 4.11.3 en 4.11.4 van het arrest van 15 april 2011.

3.5.

In verband met het voorgaande dient het verwijzingshof te beoordelen:

(i) in hoeverre de Inspecteur voor elk van de jaren 1991 tot en met 2000 het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan, en

(ii) (voor zover het verwijzingshof van oordeel is dat het bewijs van beboetbare feiten is geleverd) in hoeverre elk van de opgelegde boeten gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is.”

4.5.

De uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd zijn gedaan na verwijzing door de Hoge Raad. Blijkens de onder 4.3 en 4.4 geciteerde rechtsoverwegingen 3.5 in de verwijzingsarresten betreft het geschil na verwijzing uitsluitend de vraag of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende het beboetbare feit heeft begaan alsmede - bij bevestigende beantwoording van deze vraag – de vraag in hoeverre elk van de boeten gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden is.

4.6.

Het Hof heeft, overeenkomstig deze verwijzingsopdracht, in de uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd, niet geoordeeld over (de hoogte van) de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB. Voor zover het herzieningsverzoek strekt tot herziening van de eerder door het Hof Amsterdam in zijn onder 1.3 en 1.4. vermelde uitspraken gegeven oordelen over deze navorderingsaanslagen, is het Hof (Den Haag) niet bevoegd.

4.7.

Gelet op de in de rechtsoverwegingen van de verwijzingsarresten gegeven verwijzingsopdracht stond de grondslag waarnaar de verhogingen en boeten zijn berekend – kort gezegd: het bedrag van de nagevorderde belasting – na verwijzing niet meer ter beoordeling van het Hof. Mitsdien kon het Hof evenmin toekomen aan de beoordeling van de rechtmatigheid van de vergaring en het gebruik van het bewijs ter onderbouwing van de navorderingsaanslagen. Voor zover in het herzieningsverzoek van een andere opvatting wordt uitgegaan, faalt het.

4.8.

Voor zover verzoeker heeft willen betogen dat het door de Belastingdienst vergaarde bewijs ook is gebruikt als bewijs dat verzoeker de beboetbare feiten heeft begaan, waardoor de beoordeling van de vergaring en het gebruik van het bewijs wel binnen de verwijzingsopdracht valt, overweegt het Hof het volgende.

4.9.

Gelet op de verwijzingsopdracht diende het Hof als verwijzingshof als vaststaand aan te nemen – en heeft dat ook gedaan - dat de Inspecteur de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. De Inspecteur behoeft, om het bewijs te leveren dat verzoeker de beboetbare feiten heeft begaan, dus uitsluitend aannemelijk te maken dat het in elk van de gevallen waarin een boete is opgelegd aan opzet van verzoeker is te wijten dat (aanvankelijk) te weinig belasting is geheven. Het Hof merkt daarbij op dat, nu de Inspecteur belanghebbende uitsluitend opzet ten laste heeft gelegd, de vraag of verzoeker grove schuld kan worden verweten, geen beantwoording behoeft.

4.10.

Gelet op hetgeen onder 4.9. is overwogen, dient het Hof te beoordelen of de feiten en omstandigheden die verzoeker ter adstructie van het herzieningsverzoek heeft aangevoerd reden zijn voor herziening van de oordelen van het Hof dat de Inspecteur is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat het aan het opzet van verzoeker is te wijten dat in elk van de in geding zijnde jaren aanvankelijk te weinig belasting is geheven.

4.11.

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden betreffen de wijze waarop de Belastingdienst de door hem aan de navorderingsaanslag ten grondslag gelegde informatie heeft verkregen en gebruikt. De wijze van verkrijging en gebruik van de informatie door de Belastingdienst is niet van belang voor de beantwoording van de vraag of het aan opzet van verzoeker is te wijten dat in elk van de in geding zijnde jaren (aanvankelijk) te weinig belasting is geheven. Daarvoor is immers uitsluitend relevant of belanghebbende willens en wetens heeft bewerkstelligd dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat van hem (aanvankelijk) minder belasting is geheven dan hij verschuldigd was. Derhalve zouden de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden, waren zij aan het Hof eerder bekend geweest, niet tot andere uitspraken van het Hof als verwijzingshof hebben kunnen leiden. Reeds op deze grond dient het herzieningsverzoek te worden afgewezen. Gelet hierop gaat het Hof voorbij aan de vragen of de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden vóór de uitspraken en bij verzoeker vóór de uitspraken redelijkerwijs niet bekend konden zijn.

4.12.

Het Hof ziet in de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden evenmin aanleiding het oordeel van het Hof dat de hoogte van elk van de boeten, na de matiging tot 64 percent van de boetegrondslag, passend en geboden is, te herzien. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de wijze waarop de Belastingdienst de door hem aan de navorderingsaanslag ten grondslag gelegde informatie heeft verkregen en gebruikt niet afdoet aan de ernst van de gedragingen ter zake waarvan de boeten zijn opgelegd.

4.13.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het Hof het herzieningsverzoek afwijzen.

Proceskosten en griffierecht

5.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.

5.2.

Evenmin is er aanleiding tot vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, G.J. van Leijenhorst en S.E. Postema in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 28 december 2016 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de verzoeker als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

  2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.