Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3992

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
22-001172-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht het beroep op de strafuitsluitingsgrond van noodweerexces, gegrond.

Het hof verklaart het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001172-15 PROMIS

Parketnummer: 09-273443-14

Datum uitspraak: 24 maart 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 13 maart 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1969 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 8 oktober 2015 en 10 maart 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 3 augustus 2014 te Noordwijk aan een persoon genaamd [aangever 1]], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus), heeft toegebracht, door deze [aangever 1]] eenmaal of meermalen opzettelijk op/tegen de neus en/of in/op/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 3 augustus 2014 te Noordwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever 1]], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet deze [aangever 1]] eenmaal of meermalen opzettelijk op/tegen de neus en/of in/op/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 3 augustus 2014 te Noordwijk opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 1]]), eenmaal of meermalen opzettelijk op/tegen de neus en/of in/op/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze [aangever 1]] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.


hij op of omstreeks 3 augustus 2014 te Noordwijk opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 1] 2]), in/op/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze [aangever 1] 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep onder 2 gegeven vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verweer inzake noodweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu de verdachte een beroep op noodweer toekomt ten aanzien van het hem tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman – kort en zakelijk weergegeven – de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Er is sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte op het moment dat hij zelf door de groep van een aantal personen wordt aangevallen. Na 7 á 8 seconden geeft de verdachte de aangever vervolgens een klap. Dit tijdsverloop is zo kort dat het gehele incident, dus van de aanval op de verdachte zelf tot aan de door hem gegeven klap, als één en hetzelfde incident moet worden gezien. In de benadering van de verdediging duren de aanval en het geweld door de groep voort tot aan het moment van de klap. De door verdachte gegeven klap voldoet daarbij tevens aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Beoordeling door het hof

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Gelet op de inhoud van het dossier, het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep – waaronder de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep uitgekeken camerabeelden en de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – stelt het hof de hieronder weergegeven feiten en omstandigheden vast. Het hof onderscheidt daarbij twee fases.

Fase I

Op 3 augustus 2014 was de verdachte als portier werkzaam in [bar] in Noordwijk. Aangever [aangever 1] was daar eveneens aanwezig met zijn broer en een aantal vrienden ter gelegenheid van het vrijgezellenfeest van aangever. Blijkens de verklaring van [aangever 2], de broer van de verdachte, bestond de groep uit ongeveer 15 personen. Rond 01:30 uur zag de verdachte dat in de zaak de rode lamp brandde. Dat is het signaal voor het personeel dat sprake is van een vechtpartij in de zaak. De verdachte stond op dat moment bij de toegangsdeur van de Bar. Drie tot vijf klanten, waaronder de aangever, werden door andere personeelsleden de zaak uitgezet. Op de camerabeelden is te zien dat enkele personen kort daarna weer naar binnen probeerden te komen. Tegelijkertijd werden andere klanten - volgens de verdachte ook leden van eerdergenoemde groep - naar buiten gewerkt. Verdachte is op dat moment door een aantal personen uit eerdergenoemde groep omver gelopen, waarbij de verdachte - naar eigen zeggen - geschopt en geslagen werd. Als gevolg daarvan kwam de verdachte ten val en is hij vervolgens op handen en voeten naar buiten gekropen. Het op de verdachte toegepaste geweld leidde tot veel pijn en letsel.

Fase II

Eenmaal buiten is de verdachte onmiddellijk opgestaan. Hierna heeft hij de aangever vastgepakt, hem apart genomen van de groep en hem tegen een muur aan gezet. Aangever vertoonde toen geen agressief gedrag naar de verdachte. Evenmin werd de verdachte op dat moment belaagd door andere personen. De verdachte heeft verklaard op dat moment nog steeds veel pijn te hebben gevoeld als gevolg van het eerdere, op hem toegepaste, geweld. Ook was hij door het voorval vol van emotie, verbouwereerd en onthutst. Omdat de groep nog steeds aanwezig was, was hij tevens bang voor een herhaling van het eerdere agressieve incident bij de deur van de Bar. Een aantal seconden later heeft de verdachte

– nadat de aangever blijkens de camerabeelden iets tegen de verdachte zei - de aangever een stomp op/tegen zijn neus gegeven. Als gevolg hiervan heeft de aangever letsel en pijn opgelopen.

Blijkens de wettelijke omschrijving van artikel 41, eerste lid, Wetboek van Strafrecht gaat het bij de strafuitsluitingsgrond van noodweer om een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Naar het oordeel van het hof was er in fase 1 sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich op dat moment had mogen verdedigen, te weten een aanval door een groep personen. Deze fase was echter geëindigd op het moment dat de verdachte was opgestaan en zich tot de aangever had gewend. Niet gebleken is dat er op dat moment nog (steeds) sprake was van een noodweersituatie voor de verdachte. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging, de stomp tegen de neus van de aangever tijdens fase II, niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het hof is derhalve met de politierechter van oordeel dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 3 augustus 2014 te Noordwijk opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 1]), eenmaal of meermalen opzettelijk op/tegen de neus en/of in/op/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze [aangever 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verweer inzake extensief noodweerexces met tijdsverloop

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte een beroep op extensief noodweerexces toekomt. De verdachte werd uit het niets door een aantal personen besprongen, tegen de grond gewerkt, geslagen en geschopt. De raadsman heeft gewezen op de verklaringen van verdachte waaruit volgt dat de verdachte totaal verbouwereerd was, dat er van alles relatief snel achter elkaar gebeurde en dat hij door de aanval even niet meer wist wie of waar hij was. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij als gevolg van die aanval pijn had in zijn gezicht en rug. De raadsman stelt dat aannemelijk is dat voornoemde aanval bij de verdachte een hevige gemoedstoestand teweeg heeft gebracht die kort daarop geresulteerd heeft in de reactie van de verdachte in de vorm van het geven van een stomp tegen de neus van de aangever. Kortom, er is een onmiddellijk verband tussen de wederrechtelijke aanranding en de hevige gemoedsbeweging en vervolgens tussen de hevige gemoedsbeweging en de daarop volgende overschrijding van de noodzakelijke verdediging, in casu het tijdsverloop, aldus de raadsman.

Beoordeling door het hof

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweerexces in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht het volgende ten aanzien van het door de rechter te verrichten onderzoek geldt.

Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Voorts volgt uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een "dergelijk onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, NJ 2008/510).


De verdediging heeft zich op de hiervoor onder b genoemde situatie beroepen.

Het hof verwijst voor de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden naar het onderdeel van het onderhavige arrest waarin het beroep op noodweer is besproken (fase 1 en fase 2).

Het hof heeft al vastgesteld dat er in fase 1 voor de verdachte sprake was van een noodweersituatie. Het hof acht het voorts aannemelijk geworden, op grond van de verklaring van de verdachte zoals afgelegd in eerste aanleg bij de politierechter en ter terechtzitting bij het hof, dat bij de verdachte in fase 2 als direct gevolg van die heftige confrontatie met voornoemde groep bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging is ontstaan, te weten totale verbouwereerdheid, beduusdheid en angst voor een nieuwe aanval.

Alles overziend acht het hof het aannemelijk dat de verdachte als onmiddellijk gevolg van deze hevige gemoedsbeweging de aangever de bewuste klap heeft gegeven. Het feit dat er hierbij sprake was van een tijdsverloop van ongeveer 7 seconden tussen de aanval door de groep personen en het geven van de bewuste stomp doet hier niet aan af.

Het hof acht derhalve het beroep op de strafuitsluitingsgrond van noodweerexces zoals hiervoor onder b. vermeld, gegrond.

De verdachte is derhalve ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde niet strafbaar. Het hof zal de verdachte dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 1]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van

€ 8.095,26, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 8.095,26, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.586,14, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart de benadeelde partij [aangever 1]] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,

mr. G. Knobbout en mr. M.I. Veldt-Foglia,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 maart 2016.