Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3984

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
22-002181-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven samen met een ander schuldig gemaakt aan poging tot een bedrijfsinbraak. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002181-14

Parketnummers: 10-720011-13, 10-742358-13 en

22-003437-12 (TUL)

Datum uitspraak: 23 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2014 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 8 december 2015 en 9 augustus 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken. De verdachte is ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 24 juni 2013 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, toegewezen.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 10 december 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (op een omheind terrein staande) loods heeft weggenomen zes, althans één of meer haspel(s) met metaaldraden en/of een hoeveelheid (losse) kabels/draden en/of lasdraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [b.v.] en/of [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 10 december 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (op een middels een afrastering omheind terrein staande) loods weg te nemen metalen draden, geheel of ten dele toebehorende aan [b.v.] en/of [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die loods te verschaffen en/of die/dat weg te nemen metalen draden onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- met een (knip-)voorwerp een gat in de afrastering en/of een (ketting-)slot van het toegangshek van die afrastering heeft (door-)geknipt en/of verbroken en/of (vervolgens)

- met een sleutel, tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren, zijnde een valse sleutel, een slot van die loods heeft geopend en/of (vervolgens)

- met een (bestel-)auto die loods is binnen gereden en/of (vervolgens)

- ( in die loods) zes, althans één of meer haspel(s) met metaaldraden en/of een hoeveelheid losse kabels/draden en/of lasdraden heeft gepakt en/of in (de laadruimte van) die (bestel-)auto geladen,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.

2:
hij op of omstreeks 25 augustus 2013 te Rotterdam, in een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten Café [café], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4],

welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht),

- duwen op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij 4] en/of

- beetpakken van die [benadeelde partij 2] en/of

- slaan op/in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 4] en/of

- gooien van twee, althans één, glazen/glas in de richting van die [benadeelde partij 2].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof is –met de advocaat-generaal- van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 10 december 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (op een middels een afrastering omheind terrein staande) loods weg te nemen metalen draden, geheel of ten dele toebehorende aan [b.v.] en/of [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die loods te verschaffen en/of die/dat weg te nemen metalen draden onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- met een (knip-)voorwerp een gat in de afrastering en/of een (ketting-)slot van het toegangshek van die afrastering heeft (door-)geknipt en/of verbroken en/of (vervolgens)

- met een sleutel, tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren, zijnde een valse sleutel, een slot van die loods heeft geopenden/of (vervolgens)

- met een (bestel-)auto die loods is binnen gereden en/of (vervolgens)

- (in die loods) zes, althans één of meer haspel(s) met metaaldraden en/of een hoeveelheid losse kabels/draden en/of lasdraden heeft gepakt en/of in (de laadruimte van) die (bestel-)auto geladen,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.

2:
hij op of omstreeks 25 augustus 2013 te Rotterdam, in een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten Café [café], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4],

welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht),

- duwen op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij 4] en/of

- beetpakken van die [benadeelde partij 2] en/of

- slaan op/in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 4] en/of

- gooien van twee, althans één, glazen/glas in de richting van die [benadeelde partij 2].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot feit 1 subsidiair:

Op 12 december 2012 is door [aangever] namens [b.v.], gevestigd aan de [adres] te Rotterdam aangifte gedaan van een inbraak op het terrein van het bedrijf. Volgens de aangever, die zelf niet ter plaatse was, zou deze inbraak tussen 21.30 uur en 21.45 uur hebben plaatsgevonden (proces-verbaal van aangifte, d.d. 12 december 2012, PL17LO 2012566759-1).

De getuige [getuige], werkzaam bij Rubis BV, heeft op 12 december 2012 verklaard dat hij op 10 december 2012 omstreeks 21:40 uur met zijn collega’s stond te praten toen een van zijn collega’s een schaduwbeweging bij het hek opmerkte en even later de deur van de zogenaamde nissenhut open en dicht zag gaan. [getuige] is toen samen met zijn collega gaan kijken wat er aan de hand was. De deur stond op een kier. [getuige] en zijn collega zagen in de nissenhut een auto staan, wit van kleur. Bij de auto stonden twee mannen. Een van de mannen stond op de stelling. De ander stond naast de stelling. De mannen spraken met elkaar over welke metalen geld op zouden leveren. Even later zijn [getuige] en zijn collega de nissenhut ingegaan en zijn de mannen de nissenhut uitgerend. Kort daarna is contact opgenomen met de politie (proces-verbaal van getuige, d.d. 12 december 2012, PL17LO 2012566759-11).

Op 10 december 2012, om 22:05 uur is de melding inbraak heterdaad bij het bedrijf [b.v.] bij de meldkamer ontvangen. De medewerkers van het bedrijf [bv] hebben van de twee mannen die zijn gevlucht signalementen doorgegeven. Op het bedrijfsterrein is in de Romneyloods een witte bestelauto aangetroffen met daarin haspels met metaaldraden afkomstig van het bedrijf (proces-verbaal van aangifte d.d. 12 december 2012, PL17LO 2012566759-1).

Uit het bedrijfsprocessensysteem is gebleken dat de witte bestelauto op naam van [persoon 1, moeder van verdachte] stond. Op het adres van [persoon 1, moeder van verdachte] stonden meerdere personen ingeschreven, onder wie haar zoon, [verdachte], geboren op 7 november 1990 te Dordrecht, die voldeed aan de leeftijd van het opgegeven signalement van een van de verdachten. Met mevrouw [persoon 1, moeder van verdachte] is contact opgenomen en zij heeft bevestigd dat zij de eigenaar was van de witte bestelauto en dat zij haar auto niet had aangetroffen waar zij die had achtergelaten (proces-verbaal van bevindingen, d.d. 11 december 2012, PL17LO 2012566759-7). In de auto is op een flesje een spoor aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte (Rapport van het NFI d.d. 11 januari 2013, nummer 2012.12.28.127). In de auto is eveneens een spoor aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van de medeverdachte [medeverdachte] (Rapport van het NFI d.d. 10 januari 2013, nummer 2012.12.20.029). Uit de historische telefoongegevens van het telefoonnummer van de verdachte en van de medeverdachte is gebleken dat de gebruikers van die telefoonnummers kort na de melding van de inbraak zendmasten hebben aangestraald in dezelfde straat als waar de inbraak heeft plaatsgevonden en in de buurt daarvan (proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2013, PL17LO 2012566759-15).

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat op grond van de historische telecomgegevens van de telefoon van de verdachte, deze telefoon ten tijde van de inbraak niet ter plaatse kan zijn geweest. Immers heeft de inbraak volgens de aangifte tussen 21.30 uur en 21.45 uur plaatsgevonden, terwijl de telefoon van de verdachte om 21.45 uur de zendmast op de Seattleweg op een afstand van ongeveer 10,6 km van de Welplaatweg te Rotterdam heeft aangestraald.

Anders dan de raadsman baseert het hof zich met betrekking tot het tijdstip van de inbraak niet op hetgeen de aangever (die zelf geen getuige is geweest) daarover heeft verklaard, maar enerzijds op de verklaring van de getuige [getuige] en anderzijds op het tijdstip van de melding bij de politie om 22.05 uur. De getuige [getuige] heeft verklaard dat zijn collega omstreeks 21.40 uur voor het eerst iets bij het hek zag. Het hof is van oordeel dat de telecomgegevens van de telefoon van de verdachte voorafgaand en na afloop van de inbraak niet onverenigbaar zijn met de verklaring van de getuige [getuige], in aanmerking nemende dat een schatting achteraf van een tijdstip waarop iets gebeurd is, niet altijd op de minuut nauwkeurig hoeft te zijn.

De verdachte heeft ontkend dat hij betrokken is geweest bij de inbraak

Het hof stelt voorop dat wanneer er sprake is van de verdachte belastende omstandigheden, van de verdachte kan worden gevergd dat hij hieromtrent een aannemelijke, ontzenuwende verklaring aflegt. Wanneer zo’n verklaring achterwege blijft, kunnen de belastende omstandigheden bijdragen aan het bewijs.

De verdachte heeft voor het aanstralen van de zendmasten in dezelfde straat als waar de inbraak heeft plaatsgevonden en in de omgeving daarvan, het aantreffen van de witte bestelauto van zijn moeder in de loods, het aantreffen van zijn DNA en van het DNA van de medeverdachte daarin, geen verklaring gegeven, anders dan dat hij zijn telefoon die avond had uitgeleend maar dat hij niet wil zeggen aan wie en dat iemand anders op de bewuste avond dus zijn telefoon zou hebben gebruikt, dat de medeverdachte een bekende van hem is, dat hij de auto van zijn moeder wel eens gebruikt en dat het signalement van de daders ook op andere mensen van toepassing kan zijn. Het hof acht de verklaring dat hij zijn telefoon had uitgeleend, niet geloofwaardig, nu hij zijn verklaring niet heeft gestaafd door te verklaren aan wie hij zijn telefoon op het betreffende moment had uitgeleend of door anderszins feiten of omstandigheden te noemen die de aannemelijkheid van zijn verklaring zouden ondersteunen.

Op grond van de bewijsmiddelen met inachtneming van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte een van de twee mannen is geweest die de getuige [getuige] in de loods heeft gezien.

Voorts volgt uit de verklaring van [getuige] dat de verdachte en de medeverdachte samen in de loods met elkaar overleg hebben gevoerd over wat er gestolen moest worden en wat het gestolen waar zou opleveren, en dat zij ook samen zijn gevlucht toen zij werden betrapt.

Het hof is van oordeel dat de bovenvermelde feiten in onderlinge samenhang bezien voldoende wettig en overtuigend bewijs vormen voor bewezenverklaring van het medeplegen van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behalve voor wat betreft de op te leggen straf, met dien verstande dat

–rekening houdende met het tijdsverloop sinds de pleegdatum van het feit- aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven samen met een ander schuldig gemaakt aan poging tot een bedrijfsinbraak. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen en zich kennelijk niets gelegen laten liggen aan de financiële schade die hij de aangever met zijn handelen toebrengt.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het

slachtoffer, dat als gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Een feit als het onderhavige versterkt in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid op straat.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 november 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder een gewelddelict en een vermogensdelict. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof acht de in eerste aanleg opgelegde straf passend bij de bewezenverklaarde feiten, maar is –met de advocaat-generaal- van oordeel dat het tijdsverloop sinds de pleegdata van de feiten tot strafvermindering aanleiding geeft.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat in plaats van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 juni 2013 onder parketnummer 22-003437-12 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57, 63, 141 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 juni 2013, met parketnummer 22-003437-12, te weten van een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. M. Moussault, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 augustus 2016.

Mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. S. Imami zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.