Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3983

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
22-005467-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is als mededader betrokken geweest bij een schietpartij, waarbij de medeverdachte vanaf korte afstand met een vuurwapen meerdere kogels in de richting van het lichaam van slachtoffer [slachtoffer] heeft afgevuurd. Het slachtoffer bevond zich op dat moment in een steeg, waar hij geen kant op kon.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005467-15

Parketnummer: 10-731181-14

Datum uitspraak: 14 december 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1983,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 november 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is er een beslissing genomen ter zake van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, één en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 juni 2015 - ten laste gelegd dat:


hij

op of omstreeks 04 oktober 2014 te Vlaardingen

ter uitvoering van het door verdachte en/of door zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met dat opzet als volgt heeft/hebben gehandeld:

hebbende hij verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen, althans éénmaal (vanaf een korte afstand) met een vuurwapen één of meer kogels in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer] (af)geschoten (waardoor die [slachtoffer] in de benen en/of de bil, althans het lichaam werd geraakt),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 4 oktober 2014 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meerdere schotwonden in de bil en één of beide (onder)be(e)n(en) en/of een breuk in het rechterscheenbeen en/of een gebroken neus en/of één of meerdere gebroken kies/kiezen en/of een gebroken middenvoetsbeentje), heeft toegebracht,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk meermalen, althans éénmaal met een vuurwapen (vanaf een korte afstand) één of meer kogels in de richting van (het lichaam) van die [slachtoffer] (af)geschoten (waardoor die [slachtoffer] in de benen en/of bil, althans het lichaam werd geraakt) en/of meermalen, althans éénmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of in het gezicht geslagen en/of gestompt;

meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 4 oktober 2014 te Vlaardingen,

ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met dat opzet als volgt heeft/hebben gehandeld,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen, althans éénmaal met een vuurwapen (vanaf een korte afstand) één of meer kogels in de richting van (het lichaam van) die [slachtoffer] (af)geschoten (waardoor die [slachtoffer] in de benen en/of de bil, althans het lichaam werd geraakt) en/of meermalen, althans éénmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of in het gezicht geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot wezenlijk andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de motivering daarvan.

In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvullingen en verbeteringen aanbrengt.

Aanvullende overwegingen

Het hof vult de bewijsoverweging met als kopje ‘4.1 Vaststaande feiten’ vóór de zin ‘Op het moment dat [getuige] (toevoeging hof: [getuige]) thuiskomt treft zij daar de Kleine en de Lange.’ (pagina 2 van het vonnis) als volgt aan.

[getuige] heeft op 4 oktober 2014, kort na het schietincident, tegenover de politie verklaard dat dezelfde twee jongens die zij in Showtime had gezien en die ze omschrijft als de Kleine en de Lange, even later door haar worden gezien in de steeg bij haar woning. Ze had hen direct herkend. Ook verklaarde ze dat zij de Lange direct zou herkennen als zij hem zou zien.

Voorts vult het hof de bewijsoverweging met als kopje ‘4.2 Betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachte’ en met als subkopje ‘Beoordeling’, onder ‘b.’ (pagina 3 van het vonnis) als volgt aan.

Door de raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2016 - overeenkomstig de door haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotitie – betoogd dat de herkenningen van de verdachte door aangever [slachtoffer] en de getuige [getuige] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd omdat er geen herkenning heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft de raadsvrouw – met een beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafrecht - verzocht de getuigenverklaringen van [getuige] en de aangever niet te gebruiken voor het bewijs omdat bij de fotoconfrontatie zoveel fouten zijn gemaakt door justitie dat het niet juist zou zijn deze verklaringen als bewijs te gebruiken. Meer subsidiair, in geval van veroordeling, heeft de raadsvrouw met een beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering verzocht om strafvermindering.

Het hof overweegt dat dit verweer, voor zover het ziet op de herkenningen van de verdachte door de aangever geen bespreking behoeft, nu het hof, evenals de rechtbank, deze herkenningen niet voor het bewijs zal bezigen.

Met betrekking tot de herkenningen van de verdachte door [getuige] overweegt het hof als volgt.

Voordat de politie naar aanleiding van het schietincident op 4 oktober 2014 het slachtoffer heeft kunnen horen of – aan de hand van signalementen – zelf de verdachten heeft kunnen identificeren, wordt door een neef van het slachtoffer een foto aan de politie gegeven waarop de daders zouden staan. Deze foto zou van Facebook komen. De aangever heeft deze foto gezien en daarop de schutter aangewezen.

De politie is – min of meer noodgedwongen – verder gaan rechercheren op basis van de Facebook-foto. Aangezien [getuige] op 6 oktober 2014 verklaart dat zij de Lange en de Kleine kan aanwijzen op Facebook, omdat ze daar op een foto staan, hetgeen zij van een vriendin heeft gehoord, heeft de politie de Facebook-foto ook aan [getuige] getoond. [getuige] herkent, na enige aarzeling, de verdachte op deze foto als ‘de Kleine’. Op 22 december 2014, wanneer de politie aan [getuige] een politiefoto van de verdachte toont, herkent zij de verdachte direct als ‘de Kleine’.

Het hof overweegt dat de herkenning van de verdachte door [getuige] niet op een gebruikelijke wijze heeft plaatsgevonden. Indien mogelijk zal een zogenoemde FOSLO worden gehouden. Dat was in dit geval echter niet meer mogelijk. Immers, [getuige] had van een vriendin gehoord dat de Lange en de Kleine op een Facebookfoto stonden en verklaart verder dat zij hen op die foto kan aanwijzen. Een FOSLO-confrontatie zou onder deze omstandigheden geen betrouwbaar middel voor waarheidsvinding zijn geweest. Het zou dan immers de vraag zijn geweest waarvan [getuige] de persoon zou hebben herkend: van een foto of van het delict.

Het hof is van oordeel dat, gelet op bovengenoemde omstandigheden waaronder de herkenningen van verdachte door [getuige] hebben plaatsgevonden, geen sprake is van een schending van vormvoorschriften in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof ziet dan ook, anders dan de raadsvrouw, geen aanleiding om gevolgen, in de zin van bewijsuitsluiting of strafvermindering, te verbinden aan de omstandigheid dat de herkenning van de verdachte door [getuige] op bovengenoemde wijze heeft plaatsgevonden.

Het hof acht de herkenning van de verdachte door [getuige] op 22 december 2014 voldoende betrouwbaar om als bewijs te gebruiken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof acht het begrijpelijk en voorstelbaar dat [getuige] op 6 oktober 2014 bij het zien van de Facebook-foto de verdachte slechts na aarzeling herkende, nu de verdachte op de Facebook-foto een muts draagt, terwijl ‘de Kleine’ op 4 oktober 2014 geen muts droeg. Wanneer op 22 december 2014 aan [getuige] een politiefoto van de verdachte zonder muts wordt getoond, herkent zij de verdachte wel direct als ‘de Kleine’.

Voorts is het hof van oordeel dat de herkenning van de verdachte door [getuige] op 22 december 2014 in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen in het dossier.

Het hof overweegt ten overvloede dat het, evenals de rechtbank, de herkenning van de verdachte door [getuige] op de Facebook-foto niet voor het bewijs zal bezigen.

Het hof vult tot slot de bewijsoverweging met als kopje ‘4.4. Opzet’ na de zin ‘Een en ander zodanig dat het slachtoffer is geraakt in bil en onderbenen.’(pagina 5 van het vonnis) als volgt aan.

Uit de FARR-verklaring van 24 maart 2015 (hieronder aangehaald als bewijsmiddel 10) volgt dat het door de aangever opgelopen letsel als potentieel dodelijk kan worden gezien. Hiertoe wordt als uitleg gegeven dat de kans dat de slagader en de ader van het betreffende been door de kogels zouden zijn geraakt, gezien de geringe afstand van de dijbeenkop tot deze bloedvaten, geschat op 7 à 8 cm, verre van denkbeeldig is. Mocht een van deze bloedvaten geraakt worden, dan volgt een moeilijk te stelpen inwendige bloeding met shock (tekort aan circulerend bloedvolume) als meest waarschijnlijk gevolg.

Verbeteringen met betrekking tot bewijsoverweging

Het hof verbetert de bewijsoverweging met als kopje ‘4.3. Medeplegen’ en met als sub-alinea ‘Beoordeling’ (pagina 4 van het vonnis) als volgt.

De zin ‘Ook nadat [slachtoffer] ten tonele was verschenen en door de medeverdachte 10-15 keer was beschoten, waarbij hij een aantal keer was geraakt, heeft de verdachte geen bakzeil gehaald.’ wordt geschrapt. Hiervoor in de plaats komt de volgende zin: ‘Ook nadat [slachtoffer] ten tonele was verschenen en door de medeverdachte 10-15 keer was beschoten, waarbij hij een aantal keer was geraakt, heeft de verdachte zich niet gedistantieerd.’

Hiernaast wordt de volgende zin geschrapt: ‘Sterker nog: nadat [slachtoffer] ten val was gekomen en de medeverdachte het pistool op het hoofd van [slachtoffer] heeft gericht heeft de verdachte geroepen dat de medeverdachte moest schieten.’

Aanvullend bewijsmiddel

Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met het volgend bewijsmiddel.

10. Een geschrift, bevattende medische informatie betreffende [slachtoffer] van 24 maart 2015, opgemaakt door de forensisch arts J.H. van der Meer (losse bijlage, ongenummerd), inhoudende:

Toelichting: Letselverklaring (bvh 2014401620)

Toelichting:

Twee lichaamsvreemde voorwerpen zitten bij de kop van het rechter dijbeen en in de kop van het rechter dijbeen zit mogelijk een klein scheurtje.

In de directe omgeving van de kop van het rechterdijbeen (heupgewricht) lopen twee structuren die essentieel zijn voor de circulatie van bloed, te weten: de slagader en de ader van het betreffende been (arteria femoralis en vena femoralis). Dit zijn zeer grote bloedvaten, de slagader is een directe aftakking van de grote lichaamsslagader en de ader is een directe toevoer-ader richting hart. Als de twee lichaamsvreemde voorwerpen inderdaad kogels zijn, dan is de kans dat één of beide bloedvaten door deze kogels geraakt hadden kunnen worden, gezien de geringe afstand van dijbeenkop tot deze eerder genoemde bloedvaten, verre van denkbeeldig. Geschatte afstand tussen dijbeenkop en bloedvaten: 7 à 8 cm. Mocht één van deze bloedvaten geraakt worden dan volgt een moeilijk te stelpen inwendige bloeding met shock (tekort aan circulerend bloedvolume) als meest waarschijnlijk gevolg. Daardoor dat het betrokken letsel kan gezien worden als potentieel dodelijk.

Aanvullingen en verbetering in bewijsmiddelen

Het hof acht het geboden de navolgende aanvullingen en verbetering in de bewijsmiddelen van de rechtbank aan te brengen.

In bewijsmiddel 1 van de rechtbank wordt na ‘Hij had kort haar en een slank postuur.’ de volgende zin toegevoegd:

Als ik de lange jongen zou zien zou ik hem zo herkennen.

In bewijsmiddel 1 van de rechtbank wordt na ‘Ik zag twee mannen voor de steeg staan.’ de volgende zin toegevoegd:

Ik herkende de twee mannen gelijk.

In bewijsmiddel 6 van de rechtbank wordt de volgende zin geschrapt: ‘Die kleine man riep maar in het Papiamento dat die lange man moest schieten.’

Aanvulling toepasselijke wetsartikelen

Aangezien de verdachte na de datum waarop het door de rechter in eerste aanleg bewezen verklaarde feit gepleegd is opnieuw tot straf is veroordeeld, zal het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aanvullen met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van bovenstaande gronden te worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is als mededader betrokken geweest bij een schietpartij, waarbij de medeverdachte vanaf korte afstand met een vuurwapen meerdere kogels in de richting van het lichaam van slachtoffer [slachtoffer] heeft afgevuurd. Het slachtoffer bevond zich op dat moment in een steeg, waar hij geen kant op kon. Het slachtoffer is tijdens zijn vlucht ten val gekomen en uiteindelijk gewond geraakt aan benen, bil, voet en aangezicht, zoals blijkt uit de medische gegevens. De gevolgen voor het slachtoffer zijn ingrijpend geweest, zoals blijkt uit de benodigde operaties en het verblijf in een revalidatiecentrum aansluitend aan de ziekenhuisopname. Gebleken is dat het slachtoffer nog steeds lichamelijke gevolgen ondervindt en dat deze mogelijk van blijvende aard zijn. Het is evident dat een dergelijke gebeurtenis ook langdurige psychische gevolgen voor een slachtoffer kan hebben. Dat dit ook het geval is blijkt uit de vordering van het slachtoffer als benadeelde partij.

De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. Hij heeft immers het leven van het slachtoffer op het spel gezet, vanwege een conflict om een meisje waarbij de situatie volledig uit de hand is gelopen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 november 2016, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een andersoortig strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Bevel tot voorlopige hechtenis

Gelet op de duur van de op te leggen vrijheidsstraf, zal het hof het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 32.382,98.

De raadsman van de benadeelde partij heeft op de vordering van € 32.382,98 ter terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2016 een bedrag van € 32,65 (kosten huren televisie in ziekenhuis) in mindering gebracht, welk bedrag al was opgenomen in de post daggeldvergoedingen. In hoger beroep is de vordering benadeelde partij aan de orde tot een bedrag van € 32.350,33.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.360,30, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met niet-ontvankelijkheidsverklaring van de vordering voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 2.360,25 materiële schade (posten van het eigen risico ter hoogte van € 334,90 en de daggeldvergoedingen ter hoogte van € 2.025,35) is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 7.360,25 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan, en ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de motivering daarvan, en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.360,25 (zevenduizend driehonderdzestig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 2.360,25 (tweeduizend driehonderdzestig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat, indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.360,25 (zevenduizend driehonderdzestig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 2.360,25 (tweeduizend driehonderdzestig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 71 (eenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat, indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het in het arrest overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. I.P.A. van Engelen en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 december 2016.