Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3791

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
22-000757-16
Formele relaties
Herziening: ECLI:NL:HR:2020:1451
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artt. 326 en 436 Sr. Veroordeling tot deels voorwaardelijke taakstraf en een geldboete ter zake van ‘Oplichting, meermalen gepleegd’ en ‘Zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voeren, meermalen gepleegd’. De verdachte heeft zich meer dan drie jaar valselijk, in strijd met de waarheid, voorgesteld als advocaat dan wel heeft hij gesuggereerd advocaat te zijn. Hiermee heeft de verdachte de suggestie gewekt als advocaat werkzaam te zijn en rechtzoekenden rechtsbijstand van een advocaat te kunnen verlenen. Verdachte rekende hoge tarieven en vroeg de rechtzoekenden deze bedragen meteen, vaak zonder dat de verdachte iets van werkzaamheden had verricht, te betalen. Verwerping verweren OVAR en Salduz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000757-16

Parketnummer: 09-797250-13

Datum uitspraak: 19 december 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 februari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) [geboortedag] 1963,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

5 december 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Ter zake van feit 5 is een geldboete ter hoogte van € 750,- subsidiair 15 dagen hechtenis opgelegd. Tot slot is een beslissing genomen ter zake van de vordering van de benadeelde partij, één en ander zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 18 mei 2010 t/m 21 sept 2010 te Leiden, althans in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van (in totaal) 1300 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgesteld als advocaat en/of raadsman en/of jurist en/of aangegeven de zaak te willen aannemen, zulks terwijl hij niet als advocaat en/of raadsman in de procedure(s) ingevolge de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit mocht/kon optreden en/of deed voorkomen alsof hij gerechtigd zou zijn het verhoor bij te wonen en/of niet tegengesproken dat hij advocaat is/zou zijn en/of op zijn briefpapier en/of visitekaart(je) de term jurist en/of 'lawyer' gebruikt, waardoor [slachtoffer 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 08 april 2011 tot en met 25 mei 2011 te Leiden, althans in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van (in totaal) 2700 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgesteld als en/of gesuggereerd te zijn advocaat en/of (voorkeurs-)raadsman en/of jurist en/of 'lawyer' en/of aangegeven de zaak te willen aannemen, zulks terwijl hij niet als advocaat en/of raadsman in de procedure(s) ingevolge de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit mocht/kon optreden en/of in het bijzijn van die [slachtoffer 2] naar de IND en/of de politie gebeld en zich daarbij voorgesteld als de (voormalig) advocaat van haar partner [partner slachtoffer 2] en/of niet tegengesproken dat hij advocaat is/zou zijn en/of per brief aan [slachtoffer 2]'s partner [partner slachtoffer 2] bevestigd een betalende praktijk te hebben en derhalve zonder toevoeging te procederen en/of op zijn briefpapier en/of visitekaart(je) de term jurist en/of 'lawyer' gebruikt, waardoor [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;


3.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 april 2011 tot en met 28 jun 2011 te Leiden, althans in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van (in totaal) 3600 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgesteld als en/of gesuggereerd te zijn advocaat en/of raadsman en/of jurist en/of 'lawyer' en/of aangegeven de zaak te willen aannemen, zulks terwijl hij niet als advocaat en/of raadsman in de procedure(s) ingevolge de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit mocht/kon optreden en/of op zijn briefpapier en/of visitekaart(je) de term jurist en/of 'lawyer' gebruikt, waardoor [slachtoffer 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

4.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode 31 januari 2011 tot en met 15 feb 2012 te Leiden, althans in Nederland (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van (in totaal) 4250 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgesteld als en/of gesuggereerd te zijn advocaat en/of raadsman en/of jurist en/of 'lawyer' en/of aangegeven de zaak te willen aannemen, zulks terwijl hij niet als advocaat en/of raadsman in de procedure(s) ingevolge de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit mocht/kon optreden en/of op zijn briefpapier en/of visitekaart(je) de term jurist en/of 'lawyer' gebruikt, waardoor [slachtoffer 4] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 18 mei 2010 tot en met 19 september 2013 te Leiden, althans in Nederland (meermalen), (telkens) zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat en/of meester in de rechten heeft gevoerd, immers heeft hij zich tegenover de politie voorgedaan als (voormalig en/of voorkeurs)advocaat en/of raadsman en/of heeft hij zich tegenover een betrokken Belgische advocaat/raadsman voorgedaan als advocaat en/of stond zijn kantoor op zijn internet-site vermeld als [naam kantoor] zulks terwijl hij niet de titel van advocaat en/of meester in de rechten mocht voeren;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 18 mei 2010 tot en met 19 september 2013 te Leiden, althans in Nederland, terwijl hij (telkens) niet was toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet een toelating vordert, te weten als advocaat, buiten noodzaak dat beroep (meermalen) heeft uitgeoefend, immers heeft hij zich tegenover de politie voorgedaan als (voormalig en/of voorkeurs)advocaat en/of raadsman (die niet bij het verhoor behoefde te zijn) en/of heeft hij zich tegenover een betrokken Belgische advocaat/raadsman voorgedaan als advocaat (ten gevolge waarvan deze stukken aan hem heeft gestuurd);

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Ter zake van het onder 5 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof niet dat [slachtoffer 1] specifiek op zoek was naar een advocaat – en niet een juridisch adviseur - noch dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de verdachte een advocaat was. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten van advocaat, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag. De verdachte dient daarom van het hem onder feit 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij in de periode van 08 april 2011 tot en met 25 mei 2011 te Leiden, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van 2700 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid zich voorgesteld als en gesuggereerd advocaat te zijn en aangegeven de zaak te willen aannemen, en in het bijzijn van die [slachtoffer 2] naar de politie gebeld en zich daarbij voorgesteld als de advocaat van haar partner [partner slachtoffer 2] en niet tegengesproken dat hij advocaat is, waardoor [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;


3.
hij in de periode van 01 april 2011 tot en met 28 jun 2011 te Leiden, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van (in totaal) 3600 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid zich voorgesteld als engesuggereerd advocaat te zijn en aangegeven de zaak te willen aannemen,, waardoor [slachtoffer 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;


4.
hij in de periode 31 januari 2011 tot en met 15 februari 2012 te Leiden, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van (in totaal) 4250 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid gesuggereerd advocaat te zijn en aangegeven de zaak te willen aannemen, waardoor [slachtoffer 4] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5.
hij in de periode van 18 mei 2010 tot en met 19 september 2013 te Leiden, meermalen, telkens zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat heeft gevoerd, immers heeft hij zich tegenover de politie voorgedaan als voorkeursadvocaat en heeft hij zich tegenover een betrokken Belgische advocaat voorgedaan als advocaat.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging 1

Het hof gaat bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

Feit 2

Op 26 april 2011 verklaart [slachtoffer 2] dat de verdachte de immigratie-advocaat van haar vriendin [partner slachtoffer 2] is die op dat moment in vreemdelingenbewaring zit. Het telefoonnummer van de verdachte heeft [slachtoffer 2] van een vriendin ontvangen. [slachtoffer 2] heeft de verdachte vervolgens verteld op zoek te zijn naar een advocaat, de verdachte heeft hierop niet gezegd dat hij geen advocaat is2 en [slachtoffer 2] heeft de verdachte na hun gesprek een geldbedrag betaald.3 Tijdens dit gesprek en in aanwezigheid van [slachtoffer 2] belt de verdachte met de politie waarbij hij tegen hen zegt de advocaat van haar vriendin te zijn.4 Als [slachtoffer 2] had geweten dat de verdachte geen advocaat was, had ze hem niet gevraagd.5

Feit 3

Op 18 januari 2012 verklaart [slachtoffer 3] dat hij op zoek was naar een advocaat die hem kon bijstaan voor het tweede interview van zijn asielaanvraag.6 Een vriend van [slachtoffer 3] wijst hem op de verdachte en zegt hem dat deze advocaat in Leiden was, niet voor de IND werkte en 2 zaken tegelijkertijd kon behandelen.7 Na een gesprek met de verdachte heeft [slachtoffer 3] hem een geldbedrag betaald.8 [slachtoffer 3] dacht dat de verdachte op het moment dat hij hem inhuurde om zijn belangen te behartigen advocaat was.9 Na het eerste gesprek vertelde de verdachte [slachtoffer 3] dat hij een privéadvocaat was en niet in opdracht van de IND werkte.10 Tijdens het laatste gesprek dat [slachtoffer 3] met de verdachte had liet hij een pasje zien en zei hij dat hij advocaat was.11 Als [slachtoffer 3] had geweten dat de verdachte geen advocaat was, had hij hem nooit ingehuurd.12

Feit 4

De verdachte heeft zich tegenover [slachtoffer 4] voorgedaan als advocaat. Als je de verdachte belt neemt hij op met de woorden: ”Advocaat [achternaam verdachte] spreekt u”. [slachtoffer 4] heeft de verdachte hangende een uitspraak een geldbedrag betaald.13 Als ik had geweten dat de verdachte geen advocaat was, had ik hem niet mijn zaak laten behandelen.14

Tot slot stelt het hof vast dat de verdachte geen advocaat en geen meester in de rechten is.15

Gegeven bovengenoemde feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd dat alle genoemde personen op zoek waren naar een advocaat. De verdachte heeft zich jegens deze personen voorgedaan als advocaat, of heeft mensen die hem advocaat noemden niet gecorrigeerd. Ook deed de verdachte zich jegens de politie voor als advocaat en nam hij ook zo de telefoon op. In deze hoedanigheid heeft de verdachte juridische zaken voor de genoemde personen aangenomen en hebben zij de verdachte daarvoor betaald. De benadeelden hebben verklaard dat indien zij hadden geweten dat de verdachte geen advocaat was, zij hem niet zouden hebben benaderd voor het behartigen van hun belangen. Door zich aldus wel op te stellen is het hof van oordeel dat de verdachte zich deed voorkomen als advocaat terwijl hij dit niet was en derhalve een valse hoedanigheid heeft aangenomen.

Bewijsverweren

Namens de verdachte is door zijn raadsman overeenkomstig zijn overgelegde en in het strafdossier gevoegde pleitnota naar voren gebracht dat de verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten integraal dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft ter adstructie van zijn betoog tot vrijspraak naar voren gebracht dat er geen valsheid is nu de hoedanigheid van advocaat niet essentieel was voor de werkzaamheden. Voorts is er evenmin een causaal verband tussen de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen en de afgifte van het geld. Tot slot ontbreekt aan de zijde van de verdachte het vereiste oogmerk.

Het hof verwerpt het verweer en oordeelt hiertoe als volgt. De tenlastelegging luidt voor zover hier thans van belang dat de verdachte zich valselijk, in strijd met de waarheid heeft voorgesteld als advocaat dan wel heeft gesuggereerd advocaat te zijn. Het feit dat voor de door de verdachte uitgevoerde werkzaamheden de hoedanigheid van advocaat niet essentieel was, maakt niet dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde oplichting, nu deze hoedanigheid voor de benadeelden wel degelijk essentieel was. Aangaande het door de raadsman gestelde gebrek aan causaliteit, overweegt het hof dat voor bewezenverklaring van ‘bewegen tot’, als bedoeld in art. 326 sr, voldoende is dat zonder aanwending van het bedrieglijke middel, te weten het zich valselijk in strijd met de waarheid voorstellen dan wel de suggestie wekken dat de verdachte advocaat was, de afgifte van het goed, de betaling, niet zou zijn gevolgd. Uit bovengenoemde vastgestelde feiten blijkt ontegenzeggelijk dat de personen de verdachte een geldbedrag hebben betaald omdat de verdachte voor hen als advocaat zou optreden. Deze betaling stond derhalve naar het oordeel van het hof in direct causaal verband met de aanwending van het bedrieglijke middel. Tot slot is het hof anders dan de raadsman van oordeel dat met het vaststellen van al deze gedragingen van de verdachte het vereiste oogmerk is bewezen.

Ontslag van alle rechtsvervolging

Subsidiair is door de raadsman betoogd dat de verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt nu van de opdrachtgever ook mag worden verwacht een specifieke gewenste hoedanigheid aan de opdrachtnemer kenbaar te maken, hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt ook dit verweer. Naar het oordeel van het hof komt aan de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld toe, reeds omdat het verweer feitelijke grondslag mist. Immers heeft het hof vastgesteld dat de betrokken personen uitdrukkelijk wél op zoek waren naar een advocaat, althans dat de verdachte gegeven alle bovengenoemde feiten en omstandigheden had moeten weten dat zij op zoek naar een advocaat waren. Derhalve kan niet gezegd worden dat de gedraging van de verdachte wordt verontschuldigd omdat de betrokken personen zich niet expliciet hebben uitgelaten dat zij op zoek waren naar een advocaat, zoals de stelling van de raadsman luidt.

Consultatie en verhoorbijstand

Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat er een schending heeft plaatsgevonden van art. 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, (hierna: EVRM) en van art. 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). De raadsman stelt zich onder verwijzing naar de Salduz jurisprudentie en de hiervoor genoemde verdragen, op het standpunt dat een verklaring van een verdachte ook dan niet tot het bewijs kan worden gebruikt indien de verdachte na raadpleging van een advocaat, dan wel met bijstand van een advocaat, een nadere verklaring heeft afgelegd van dezelfde inhoud en/of strekking. (Vergelijk: ECLI:NL:HR:2010:BN9293) De raadsman heeft hieraan toegevoegd dat uit latere rechtspraak van het Europese Hof alsmede van de Hoge Raad volgt dat ook het recht op bijstand ten tijde van het politieverhoor is gewaarborgd.

Het hof overweegt dat het verweer inhoudende dat de verdachte geen ondubbelzinnige, desbewuste en vrijwillige afstand heeft gedaan van zijn recht op het consulteren van een advocaat voorafgaande aan het eerste verhoor, feitelijk grondslag mist. Nog daargelaten dat de verklaring van de verdachte bij de politie niet voor het bewijs wordt gebezigd, heeft de verdachte, blijkens het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 25 juni 2012 PL1609 2010145838-19, p. 424, verklaard dat hij afstand doet van zijn “recht van Salduz”, dat hij geen advocaat hoeft te spreken en dat hij voorafgaande aan het verhoor een bevriende advocaat heeft geraadpleegd. Het verweer wordt in zoverre verworpen. Voorts bepleit de raadsman dat de verdachte ook geen – kort gezegd – afstand heeft gedaan van de bijstand van een advocaat tijdens de verhoren. Ook dit verweer wordt verworpen nu het feitelijke grondslag mist. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2016 (vergelijk ECLI:NL:HR:2016:2018), ro. 2.7; houdt het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 december 2015 niet in dat de regels betreffende rechtsbijstand die de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest heeft uiteengezet met terugwerkende kracht gelden. Dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie, geldt voor toekomstige gevallen, dat wil zeggen: vanaf het wijzen van het arrest op 22 december 2015. Het hof stelt vast dat alle in de onderhavige strafzaak afgelegde politieverhoren vóór die datum hebben plaatsgevonden, en dat er derhalve geen recht is geschonden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde levert op:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

Zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voeren, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich meer dan drie jaar ten onrechte voorgedaan als advocaat. Hiermee heeft de verdachte de suggestie gewekt als advocaat werkzaam te zijn en rechtzoekenden rechtsbijstand van een advocaat te kunnen verlenen. Buiten het wekken van de suggestie dat de verdachte advocaat was, heeft hij gesuggereerd dat hij

beter werk zou kunnen verrichten dan de sociale advocatuur. Verdachte rekende hoge tarieven en vroeg de rechtzoekenden deze bedragen meteen, vaak zonder dat de verdachte iets van werkzaamheden had verricht, te betalen. Dit alles rekent het hof de verdachte zwaar aan. De verdachte was werkzaam op een gebied waar veel kwetsbare niet Nederlands sprekende rechtzoekenden hulp vroegen. Hij heeft hier misbruik van gemaakt. Ook heeft de verdachte de rechtzoekenden, die zich veelal in een afhankelijke positie bevonden, de mogelijkheid tot bijstand van een advocaat onthouden. Allen hebben achteraf aangegeven zich nooit tot de verdachte te hebben gewend indien zij hadden geweten dat de verdachte geen advocaat was. Het hof weegt bij de te bepalen straf ook mee dat de verdachte niet lijkt in te zien dat hij door zijn handelen rechtzoekenden heeft benadeeld.

Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid van het EVRM is overschreden. Het zal daar in dier voege rekening mee houden dat de in beginsel overwogen, - en door de advocaat-generaal gevorderde -, taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis zal worden gematigd.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf van na te melden hoogte in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.600,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 3.600,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.500,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel alsmede met oplegging van de wettelijke rente per 11 april 2011.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van de onder 3 bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 57, 62, 326 en 436 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder in de zaak onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot

60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,-, (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge,

mr. S. Verheijen en mr. S.K. Welbedacht, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 december 2016.

Mr. S. Verheijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering.

2 Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 17 juli 2014, p. 1 en 2.

3 Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 26 april 2011, van de politie Hollands Midden, proces-verbaal nummer PL1609 2010145838-9, p. 171.

4 Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 25 mei 2011, van de politie Hollands Midden, proces-verbaal nummer PL1609 20100145838-11, p. 177.

5 Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 26 april 2011, van de politie Hollands Midden, proces-verbaal nummer PL1609 2010145838-9, p. 172.

6 Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 18 januari 2012, van de politie Hollands Midden, p. 265.

7 Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 18 januari 2012, van de politie Hollands Midden, p. 265.

8 Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 18 januari 2012, van de politie Hollands Midden, p. 266.

9 Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 17 juli 2014, p. 1.

10 Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 17 juli 2014, p. 2.

11 Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 17 juli 2014, p. 3.

12 Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 17 juli 2014, p. 3.

13 Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 15 februari 2012, nr. PL2431 2012017576-1 van de politie regio Limburg Zuid, p. 316.

14 Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 15 februari 2012, nr. PL2431 2012017576-1 van de politie regio Limburg Zuid, p. 316.

15 De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2016.