Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3781

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
200.193.379/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van een in Tanzania gewezen arbitraal vonnis, Beroep op artikel 33 en 34 van de 'Procedural Rules on Conciliation and Arbitration of Contracts Financed by the European Development Fund'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2017/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.193.379/01

beschikking van 20 december 2016

inzake

Stirling Civil Engineering Ltd.,

gevestigd te Wembley, Middlesex, Engeland,

verzoekster,

hierna te noemen: Stirling,

advocaat: mr. M.C. van Leyenhorst te Bergambacht,

tegen

de Republiek Tanzania,

vertegenwoordigd door het Ministry of Works,

Dar-es-Salaam, Tanzania,

verweerster,

hierna te noemen: Tanzania,

niet verschenen.

1 Het geding

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van Stirling van 13 juni 2016 (bij het hof binnengekomen op 15 juni 2016) tot erkenning en verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van twee buitenlandse arbitrale vonnissen, met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de herziene versie van het verzoekschrift van Stirling van 9 augustus 2016 (bij het hof binnengekomen op 10 augustus 2016) tot erkenning en verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van twee buitenlandse arbitrale vonnissen, waarbij Stirling productie 7 heeft overgelegd, alsmede nogmaals de producties 1 tot en met 6;

  • -

    de mondelinge behandeling van 17 november 2016 en het daarvan opgemaakte proces-verbaal, bij welke behandeling Stirling de producties 8 tot en met 12 heeft overgelegd.

2 De feiten

2.1

Stirling is een internationaal opererend bouwbedrijf. Stirling heeft in 1999 een overeenkomst gesloten met Tanzania voor het herstel van het wegdek tussen Dar-es-Salaam en Bagamoyo (hierna: de overeenkomst).

2.2

Tanzania ontving voor dit project financiering van de Europese Unie uit het Europees Ontwikkelingsfonds (European Development Fund).

2.3

Onderdeel van de overeenkomst vormden de (door de ASC-EEG-Raad van Ministers vastgestelde) Procedural Rules on Conciliation and Arbitration of Contracts Financed by the European Development Fund (EDF) (Pb. EG L382/95 van 31 december 1990) (hierna: de EDF-Rules).

2.4

Uit de overeenkomst zijn geschillen gerezen die conform artikel 1 van de EDF-Rules ter beslechting aan drie arbiters zijn voorgelegd. De plaats van arbitrage was Dar-es-Salaam, Tanzania. In deze arbitrale procedure werd Tanzania vertegenwoordigd door het Ministry of Works.

2.5

De arbitrageprocedure heeft geleid tot – voor zover hier relevant – een Second (Corrected) Partial Award (Final save as to costs and interest) d.d. (10 juni 2009, bij ondertekening gewijzigd in:) 10 december 2009 en een Final Award (Costs and Interest) d.d. 10 juni 2010 (hierna ook: de arbitrale vonnissen). In deze arbitrale vonnissen is Tanzania veroordeeld tot betaling van bepaalde bedragen aan Stirling.

2.6

Tegen de arbitrale vonnissen staat geen hoger beroep open.

2.7

Tanzania heeft niet vrijwillig aan de arbitrale vonnissen voldaan.

3 Het verzoek

3.1

Stirling verzoekt het hof de arbitrale vonnissen te erkennen en van een verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland te voorzien. Primair beroept zij zich hierbij op artikel 33.3 en 34.1 van de EDF-Rules, subsidiair op artikel III van het Verdrag van New York (Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, New York 10 juni 1958) en meer subsidiair op artikel 1076 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4 De beoordeling

4.1

Op grond van artikel 1075 lid 2 Rv is het hof bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot erkenning en het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging, nu Nederland geen andere autoriteit heeft aangewezen die is belast met het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen die op grond van de EDF-Rules zijn gewezen. De artikelen 985 tot en met 991 Rv zijn van overeenkomstige toepassing op de wijze waarop het verlof in Nederland verkregen kan worden. Anders dan Stirling meent, bevatten de EDF-Rules op dit punt geen afwijkende (processuele) voorzieningen als bedoeld in artikel 1075 lid 2 Rv. Artikel 34.1, laatste zin, van de EDF-Rules bepaalt weliswaar dat het verlof tot tenuitvoerlegging wordt aangebracht op het afschrift van het arbitrale vonnis na enkele controle van de echtheid van bedoeld afschrift, maar naar het oordeel van het hof ziet die zinsnede erop dat een inhoudelijke beoordeling van (de juistheid van) het arbitrale vonnis achterwege dient te blijven.

4.2

Op grond van artikel 987 Rv dient voor het verlenen van verlof de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt verlangd, te worden opgeroepen. Deze oproeping geschiedt door een vanwege de verzoeker uitgebracht deurwaardersexploit. Omdat het gaat om een verweerder zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland dient de oproeping te geschieden volgens de regels van artikel 55 lid 1 Rv, nu Tanzania geen partij is bij het Haags Betekeningsverdrag van 15 november 1965. Uit deze bepaling volgt dat betekening van een exploot dient plaats te vinden aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht waar de zaak dient, en dat een tweede afschrift door de deurwaarder onverwijld per aangetekende brief dient te worden toegezonden aan de woonplaats van de betrokkene.

4.3

Uit de door Stirling overgelegde stukken blijkt dat de oproeping voor de mondelinge behandeling en het verzoekschrift op 2 september 2016 (met daarbij een Engelse vertaling) zijn betekend aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag. Uit de stukken blijkt tevens dat de deurwaarder op diezelfde datum de oproeping en het verzoekschrift (eveneens met Engelse vertaling) per aangetekende post heeft verstuurd naar het adres van het Ministry of Works in Tanzania, terwijl uit de “track and trace” gegevens blijkt dat de aangetekende zending daar op 15 september 2016 is bezorgd. In beide gevallen is daarbij aan Tanzania meegedeeld dat als zij verweer wenst te voeren, zij bij een in Nederland ingeschreven advocaat dient te verschijnen.

4.4

Het hof heeft vastgesteld dat in de oproeping per abuis is vermeld dat Tanzania dient te verschijnen voor de mondelinge behandeling in het Paleis van Justitie van de rechtbank Den Haag (in plaats van het hof Den Haag) en dat de behandeling een verzoekschrift betreft dat is ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (in plaats van bij het hof Den Haag). Daarnaast is de oproeping betekend aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie in de rechtbank Den Haag (in plaats van in het hof Den Haag). Bij de beoordeling of deze fouten in dit specifieke geval tot nietigheid van de oproeping, dan wel aanhouding en hernieuwde oproeping dienen te leiden, acht het hof het volgende van belang. Gebleken is dat de aangetekende brief, met afschrift van de oproeping en het verzoekschrift, die aan het Ministry of Works in Tanzania is gestuurd, daar in ontvangst is genomen. Daar tegenover is de omstandigheid dat de betekening aan het parket van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag en niet het hof Den Haag is gestuurd niet van zodanig gewicht dat dit tot nietigheid van de betekening moet leiden. Doel van de betekening is immers om (zoveel mogelijk) zeker te stellen dat de betrokkene kennis kan nemen van het exploot. In dit geval kan vastgesteld worden dat Tanzania daartoe in de gelegenheid is gesteld. Aangaande de foutieve vermelding van de instantie waar het geding aanhangig is, acht het hof in dit geval doorslaggevend dat het op grond van de overige stukken voor een in Nederland ingeschreven advocaat duidelijk zou zijn geweest dat Tanzania bij het hof diende te verschijnen als zij verweer wilde voeren. Nu het hof en de rechtbank zich in hetzelfde Paleis van Justitie bevinden en partijen zich voor de zittingen bij de rechtbank en bij het hof bij dezelfde balie moeten melden, kan de foutieve vermelding in de oproeping er ook niet toe hebben geleid dat Tanzania niet tijdig in de juiste zittingszaal aanwezig had kunnen zijn om verweer te voeren. Het voorgaande betekent dat de oproeping van Tanzania naar het oordeel van het hof rechtsgeldig is.

4.5

Stirling verzoekt (primair) om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de in Tanzania gewezen arbitrale vonnissen op grond van artikel 33.3 en 34.1 van de EDF-Rules. Deze EDF-Rules zijn door de ACS-EEG-Raad van Ministers vastgesteld en van toepassing verklaard op alle geschillen die voortvloeien uit opdrachten die door het Europees Ontwikkelingsfonds worden gefinancierd (Besluit Nr. 3/90 van de ACS-EEG-Raad van Ministers van 29 maart 1990 tot vaststelling en toepassing van de algemene voorschriften, de algemene voorwaarden en de procedurevoorschriften voor bemiddeling en arbitrage inzake de door de Commissie beheerde middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierde overeenkomsten voor werken, leveringen en diensten, Pb EG L 382/1 van 31 december 1990). De EDF-Rules zijn van toepassing op de vraag of de onderhavige arbitrale vonnissen in Nederland erkend en ten uitvoer gelegd kunnen worden.

4.6

Stirling heeft gecertificeerde k+opieën van de arbitrale vonnissen overgelegd (producties 3 en 4 bij het eerste verzoekschrift), zodat is voldaan aan het in artikel 34.1 van de EDF-Rules gestelde vereiste. Nu niet is gebleken van enige weigeringsgrond voor de erkenning en tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen, zal het hof het door Stirling gevorderde op de primaire grondslag toewijzen.

5 De beslissing

Het hof:

- verklaart voor recht dat het Second (Corrected) Partial Award van 10 december 2009 en het Final Award van 10 juni 2010 in Nederland worden erkend;

- verleent Stirling verlof tot tenuitvoerlegging van het Second (Corrected) Partial Award van 10 december 2009 en het Final Award van 10 juni 2010 in Nederland.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J.M. Burg, J.M. van der Klooster en C.A. Joustra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016 in aanwezigheid van de griffier.