Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3753

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
200.188.709/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Nalatenschap. Geschil tussen erfgenamen. Verdeling. Afleggen rekening en verantwoording over financieel beheer. Vergoeding ter zake foutief beheer. Afdracht huurpenningen verhuurde woning erfgenaam.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 184
Burgerlijk Wetboek Boek 3 185
Burgerlijk Wetboek Boek 3 194
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Burgerlijk Wetboek Boek 4 222
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2017/29 met annotatie van W.H. Benard
JERF 2017/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.188.709/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/471082/HA ZA 15-215

Gezien 21/10/2016 AS

arrest d.d. 1 november 2016

inzake

[Broer een] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [Broer een] ,

advocaat: mr. M.C.G. Stut te Gouda,

tegen

[Broer twee] ,

wonende te Vlaardingen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [Broer twee] .

Het geding

Bij exploot van 2 februari 2016 is [Broer een] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2015, gewezen tussen [Broer een] en [naam] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [Broer twee] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis onder ‘1’.

Ter rolzitting van 26 juli 2016 heeft [Broer een] een memorie van grieven, tevens wijziging van eis, ingediend. Daarbij heeft hij vier producties overgelegd.

[Broer twee] is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend.

[Broer een] heeft zijn procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep


Algemeen

1. Tegen de feiten is, met uitzondering van de eerste grief die is gericht tegen de vaststelling van feiten in rechtsoverweging 2.5, voor het overige geen grief gericht zodat het hof (ook) van die feiten zal uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [naam] afgewezen, mr. [naam] tot notaris ten overstaan van wie de verdeling zal worden vastgesteld, benoemd en bepaald dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap dient te worden vastgesteld met inachtneming van een aantal beslissingen, in het dictum van het bestreden vonnis weergegeven onder 5.3 a tot en met h. De rechtbank heeft verstaan dat partijen hun medewerking zullen verlenen aan de levering van de in de verdeling betrokken onroerende zaak. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

De vordering van appellant

3. In de appeldagvaarding vordert [Broer een] dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [Broer een] zal toewijzen en [Broer twee] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel hem deze vorderingen zal ontzeggen, met veroordeling van [Broer twee] in de proceskosten in beide instanties, een veroordeling in de nakosten daaronder begrepen.

4. Bij memorie van grieven vordert [Broer een] dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [Broer twee] zal veroordelen om binnen een maand na betekening van het in deze zaak te wijzen arrest rekening en verantwoording af te leggen van het door hem

gevoerde financiële beheer over de twee bankrekeningen van moeder bij de

Fortis Bank (thans ABN Amro Bank) met de nummers [nummer] en

[nummer] over de periode januari 2006 tot aan het overlijden van moeder

onder overlegging van alle gegevens althans openheid van zaken te geven, over

alle uitgaven althans over die financiële handelingen die niet binnen het normale

uitgavenpatroon vallen (verwezen wordt naar transacties genoemd in de alinea’s

met randnummers 38 t/m 42), op straffe van een dwangsom van € 500,00 althans

een bedrag zoals uw hof juist acht, per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke

blijft aan één van de opgelegde geboden te voldoen;

II. Met betrekking tot het door [Broer twee] gevoerde beheer over de (saldi van de)

bankrekening van moeder, [Broer twee] zal veroordelen om aan [Broer een] , althans aan de

gemeenschap een bedrag van € 23.239,50 althans € 11.619,75 althans een

bedrag zoals uw hof juist acht te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente

vanaf datum dagvaarding (20 februari 2015) althans vanaf een datum zoals uw

hof juist acht tot aan de dag der algehele voldoening;

III. De verdeling zal vaststellen van de tussen partijen bestaande gemeenschap

conform de conceptakte “verdeling nalatenschap” van 24 november 2015 van

notaris mr. [naam] , kantoorhoudende aan [adres]

, met inachtneming van het oordeel van het hof op door [Broer een]

in deze memorie aangevoerde grieven en gewijzigde eis;

althans notaris mr. [naam] , notaris te [plaatsnaam] , zal benoemen tot notaris

ten overstaan van wie de verdeling zal worden vastgesteld;

IV. [Broer twee] zal veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de notariële levering aan hem van de woning, staande en gelegen aan de [adres] , zulks ten overstaan van notaris mr. [naam] , notaris te

[plaatsnaam] dan wel diens plaatsvervanger, uiterlijk binnen een maand na dit

Arrest, althans binnen een termijn zoals uw hof juist acht,

onder de voorwaarde dat [Broer twee] uiterlijk op het moment van de levering aan [Broer een]

voldoet het bedrag dat door de notaris zal worden vastgesteld, na saldering van

de door het hof te noemen posten en de nog te maken kosten ten behoeve van de

gemeenschap, zulks onder verbeurte van een dwangsom voor iedere dag vanaf

het arrest dat [Broer twee] hiermee in gebreke blijft;

V. Ingeval de woning door het uitblijven van de medewerking van [Broer twee] niet

uiterlijk binnen een maand na betekening van het in deze zaak te wijzen arrest,

althans binnen een termijn zoals het hof juist acht, onder IV) vermelde

voorwaarden aan hem zal worden geleverd:

- [Broer een] zal machtigen ingevolge artikel 3:174 BW tot het te gelde maken

van de woning, staande en gelegen aan de [adres]

;

- - [Broer twee] zal veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het in deze

zaak te wijzen arrest alle nodige medewerking te verlenen om tot

verkoop van de woning te komen, waaronder openstelling van de woning

voor bezichtiging door de makelaar en potentiële kopers;

- - [Broer twee] zal veroordelen om de woning met alle personen en/of roerende

zaken die zich zijnentwege in de woning bevinden, te ontruimen en te verlaten

met afgifte van de sleutels aan [Broer een] dertig dagen voordat de woning

geleverd wordt aan een derde, dat wil zeggen het moment dat de

notariële akte van levering van de woning wordt verleden, althans een

termijn zoals het hof juist acht;

- - [Broer een] zal machtigen, bij nalatigheid of weigerachtigheid van [Broer twee] tot

tijdige en algehele voldoening aan het bovenstaande, de woning op

kosten van [Broer twee] te doen ontruimen door inschakeling van deurwaarder

en sterke arm van politie en justitie;

- een onzijdig persoon zal benoemen, voor het geval dat [Broer twee] niet

meewerkt aan de levering van de woning aan een derde, die [Broer twee] bij die

verdeling vertegenwoordigt en namens [Broer twee] de verdeling tot stand

brengt en zo nodig effectueert door medewerking te verlenen aan de

notariële overgang, een en ander ten overstaan van notaris mr. [naam]

, notaris te [plaatsnaam] ;

- zal bepalen dat [Broer twee] een dwangsom verbeurt van € 500,00 althans een

bedrag zoals het hof juist acht, per dag of gedeelte daarvan dat hij in

gebreke blijft aan één van de opgelegde geboden te voldoen;

VI. althans (de wijze van) een verdeling van de tussen partijen bestaande

gemeenschap vast te stellen zoals het hof juist acht;

Alles met veroordeling van [Broer twee] in de kosten in beide instanties, een bedrag voor nakosten daarbij inbegrepen.

De zaak kort weergegeven

5. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. [Broer een] en [Broer twee] zijn ieder erfgenaam in de nalatenschap van hun moeder (hierna te noemen: de moeder) die in 2011 is overleden. Daarnaast waren [Broer twee] en [Broer een] , tezamen met hun moeder, erfgenamen van hun vader, die in 1991 is overleden en welke nalatenschap onverdeeld is gebleven. De ouders van [Broer twee] en [Broer een] waren in gemeenschap van goederen gehuwd – welke eveneens onverdeeld is gebleven - en de vader had niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt. [Broer twee] heeft gedurende enige jaren voordat de moeder overleed, haar financiële belangen behartigd en haar financiën beheerd. [Broer een] en [Broer twee] hebben beiden de nalatenschap van hun moeder beneficiair aanvaard. Er zijn geschilpunten over de vraag of [Broer twee] rekening en verantwoording moet afleggen aan [Broer een] over zijn bemoeienissen met de financiën van de moeder en, daaruit voortvloeiend, de vraag of [Broer twee] vanwege foutief beheer nog een bedrag aan de nalatenschap moet vergoeden, over de vraag of [Broer twee] huurpenningen van de woning die in de nalatenschap valt moet afdragen en ook overigens over de verdeling.

Feitenvaststelling

6. In de eerste grief voert [Broer een] aan dat de rechtbank een juiste feitenweergave heeft gegeven in rechtsoverweging 2.5. Onjuist is dat er sprake zou zijn van een feitelijke ouderlijke boedelverdeling als gevolg waarvan [Broer een] en [Broer twee] vorderingen hebben gekregen jegens hun moeder die opeisbaar zijn geworden door haar overlijden. Dit is uitsluitend door [Broer twee] en ten onrechte gesteld. Uit de verklaring van erfrecht volgt dat de vader van partijen niet bij testament over de nalatenschap heeft beschikt zodat de erfopvolging wordt bepaald door 4:899 e.v. BW (oud). Deze nalatenschap is geërfd door de moeder en de kinderen, zodat elk een derde deel van de nalatenschap erft.

7. Het hof overweegt dat uit de verklaring van erfrecht blijkt dat de vader van partijen niet bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt. Op zijn nalatenschap was het wettelijke erfrecht van toepassing en dus niet de ouderlijke boedelverdeling die alleen bij testament kon worden geregeld. De grief treft dus doel.

Rekening en verantwoording; informatieplicht

8. In de tweede grief voert [Broer een] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op [Broer twee] niet de verplichting rust tot het doen van rekening en verantwoording en evenmin een verplichting tot het geven van uitleg over door hem verrichte financiële handelingen die niet binnen het normale uitgavenpatroon van de moeder vielen. De rechtbank heeft ten onrechte deze vorderingen van [Broer een] en de daarop gebaseerde geldvorderingen afgewezen. [Broer een] stelt dat [Broer twee] over de periode van januari 2006 tot het overlijden van de moeder op 22 juli 2011 (gedeeltelijk) haar financiële belangen heeft behartigd en haar financiën heeft beheerd. [Broer twee] beschikte over de pinpas(sen) en pincode(s) van de bankrekening(en) van de moeder. Dit valt aan te merken als een volmacht van de moeder aan [Broer twee] . De pinbetalingen, geldopnames en telefonische transacties in voormelde periode zijn door [Broer twee] verricht met de bankpas(sen) van de moeder. [Broer een] heeft bezwaar tegen de wijze waarop [Broer twee] uitvoering aan de hem verstrekte volmacht heeft gegeven; hij heeft deze misbruikt. Alle, althans een groot deel van deze bedragen, zijn niet ten goede van de moeder gekomen en van schenkingen was evenmin sprake. Het gaat om een bedrag van € 23.239,50 over de periode van 2006 tot en met 2008. De moeder was niet in staat de handelingen van [Broer twee] te overzien; als dit anders zou zijn, dan had zij bij leven alle aanleiding gehad om van [Broer twee] rekening en verantwoording te verlangen. De geestelijke en fysieke toestand van de moeder verslechterde met de jaren. Zij was volledig afhankelijk van [Broer twee] . [Broer een] verwijst naar enige schriftelijke verklaringen die door [Broer twee] in eerste aanleg zijn overgelegd. Voordien had de moeder een gezond inkomsten- en uitgavenpatroon en werden er spaargelden overgemaakt naar de privérekening. [Broer een] geeft in de toelichting op deze grief een overzicht per jaar van de inkomsten en uitgaven van de moeder. [Broer een] verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 9 mei 2014 (ECLI:NL:Hoge Raad:2014:1089) waaruit naar zijn mening volgt dat [Broer twee] wel rekening en verantwoording dient af te leggen.

9. Het hof overweegt als volgt. [Broer twee] heeft in eerste aanleg bestreden dat de moeder in de laatste jaren van haar leven wilsonbekwaam was. Zij heeft [Broer twee] nooit om een officiële rekening en verantwoording gevraagd. Lichamelijk ging zij wel achteruit maar geestelijk niet. [Broer twee] hielp de moeder met haar bankzaken maar zij deed zelf ook uitgaven. Alle opnames en betalingen die hij heeft verricht van de bankrekening van de moeder zijn met haar besproken en verricht met haar instemming. [Broer twee] heeft altijd voor haar klaargestaan en heeft haar overal naar toe gebracht. Bij allerlei activiteiten wenste zij geld te hebben.

10. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op dit onderdeel op goede gronden heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Op [Broer twee] rust niet de verplichting rust tot het doen van rekening en verantwoording, aangezien met het door hem verleende beheer niet een rechtsverhouding is geschapen op grond waarvan [Broer twee] jegens [Broer een] gehouden is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Die rechtsverhouding is ook nadien niet ontstaan, omdat tussen partijen niet in geschil is dat de moeder bij leven geen bezwaren heeft gehad tegen de wijze waarop [Broer twee] van de volmacht heeft gebruikgemaakt. [Broer een] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. Ook het hof acht de door [Broer twee] bij conclusie van antwoord overgelegde verklaringen, waar [Broer een] andermaal naar verwijst, onvoldoende om te komen tot het oordeel dat de moeder de laatste jaren van haar leven wilsonbekwaam zou zijn. Dat de moeder geestelijk achteruit zou zijn gegaan, zoals in een van de verklaringen is vermeld, maar waarbij overigens niet wordt vermeld wanneer die achteruitgang een aanvang zou hebben genomen, is onvoldoende om de gevolgtrekking te maken dat de moeder niet langer wilsbekwaam zou zijn. Wilsonbekwaamheid van de moeder is dan ook niet komen vast te staan.

De omstandigheid dat er pinbetalingen en geldopnamen zijn verricht, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. [Broer een] heeft onvoldoende gesteld om een misbruik van omstandigheden te kunnen vaststellen. De uitspraak van de Hoge Raad waar [Broer een] zich op beroept betreft een andere situatie: hier gaat het om een gevolmachtigde die het beheer voert over het vermogen van de volmachtgever(s). [Broer twee] heeft niet het beheer gevoerd over het vermogen van [Broer een] . Verder staat niet vast dat, zoals [Broer een] stelt maar [Broer twee] betwist, de moeder het beheer over haar bankrekening(en)volledig uit handen heeft gegeven aan [Broer twee] en haar gehele financiële huishouding geheel aan [Broer twee] heeft overgelaten. Het hof is van oordeel dat deze grief faalt.

Huurpenningen woning [adres]

11. In de derde grief stelt [Broer een] dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering ter zake (een gedeelte) van de door [Broer twee] ontvangen huurpenningen voor de woning aan de [adres] over de periode vanaf januari 2008 tot 22 juli 2011 heeft afgewezen.

[Broer een] voert aan te betwisten dat de moeder kennelijk met het door [Broer twee] gevoerde beheer over de huuropbrengsten van de woning aan de [adres] heeft ingestemd. [Broer twee] is de huurovereenkomst aangegaan als verhuurder. [Broer een] betwist dat de moeder op de hoogte was van de verhuur. [Broer twee] behoefde zowel de instemming van de moeder als die van [Broer een] ten aanzien van het gevoerde beheer over de huurpenningen. [Broer een] heeft hier uitdrukkelijk niet mee ingestemd. [Broer twee] handelde als deelgenoot in de gemeenschap waartoe het pand behoort en was daartoe niet bevoegd. [Broer een] stelt hieraan geen consequenties te verbinden. De deelgenoten delen naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten, behoudens een andersluidende regeling. Die is er niet, aldus [Broer een] . Op grond van de eigendomsverhouding komt 2/3 (€ 8.535,49) toe aan de moeder (thans de nalatenschap), 1/6 deel aan [Broer twee] en 1/6 deel aan [Broer een] (€ 2.133,78). Uit de nalatenschap hebben [Broer twee] en [Broer een] ieder recht op de helft van de huurpenningen, zijnde € 4.267,75. Deze bedragen: € 2.133,78 en € 8.535,49, moeten ten laste van [Broer twee] worden verrekend.

12. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat [Broer een] , [Broer twee] en de moeder in de periode van januari 2008 tot juli 2011 gezamenlijk eigenaar waren van de woning aan de [adres] en zij uit dien hoofde dan ook naar evenredigheid delen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert en zij ook in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. De vraag of [Broer twee] de werkzaamheden aan de woning en de verhuur van het pand onbevoegd heeft verricht kan in het midden blijven, nu [Broer een] stelt daaraan geen consequenties te verbinden.

13. In eerste aanleg heeft [Broer twee] erkend dat hij de woning sedert een datum in 2008 heeft verhuurd aan de heer [naam] . De woning kon echter niet in de toenmalige staat van achterstallig onderhoud en gebreken verhuurd worden en daarom is besloten door de moeder en [Broer twee] dat het pand pas verhuurd zou worden als er het nodige aan opgeknapt was. Dit zou [Broer twee] betalen en hij kon dit verrekenen met de latere huuropbrengsten. [Broer een] heeft tegenover de notaris verklaard dat [Broer twee] voor de verbouwingskosten voldoende was gecompenseerd door het ontvangen van de huurpenningen. Voorafgaande aan het overlijden van de moeder is deze kwestie nimmer een issue voor [Broer een] geweest, aldus (in eerste aanleg) [Broer twee] .

14. Uit het rapport van de makelaar is op te maken dat de huurder aan de makelaar heeft verklaard alle verbouwingswerkzaamheden in de woning [adres] te hebben uitgevoerd, waar tegenover hij een lagere huur zou betalen. Het gaat dan om werkzaamheden aan de badkamer, toilet, wanden en dergelijke. De makelaar heeft verder in zijn taxatierapport opgenomen dat er geen aanzienlijke wijzigingen dan wel uitbreidingen hebben plaatsgevonden behoudens de gebruikelijke moderniseringen ten opzichte van het oorspronkelijke bouwjaar. Het hof maakt hier uit op dat in de woning wel degelijk werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Uit de verklaring van de huurder is verder niet op te maken dat hij de materialen voor de verbouwingen ook zelf zou hebben bekostigd, hij spreekt over het uitvoeren van de verbouwing. Dit sluit aan bij de verklaring van [Broer twee] , die verklaart dat hij de bouwmaterialen heeft bekostigd maar niet de kosten van de werkzaamheden heeft gerekend. Het hof acht de betwisting van [Broer een] ten aanzien van de specificatie door [Broer twee] van de gemaakte kosten ( € 16.335,-) onvoldoende gemotiveerd. Het hof gaat dan ook er van uit dat deze kosten zijn gemaakt. Nu deze kosten de gestelde huuropbrengsten (€ 12.803,23) overstijgen, heeft [Broer een] op dit onderdeel geen vordering op [Broer twee] . Daarom wordt de derde grief gepasseerd.

Verdeling ten overstaan van een notaris?

15. In de vierde grief voert [Broer een] aan dat de rechtbank in verband met de toedeling van de woning aan de [adres] aan [Broer twee] niet zelf de verdeling heeft vastgesteld maar notaris [naam] heeft benoemd ten overstaan van wie de verdeling moet plaatsvinden, met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover heeft bepaald. [Broer twee] verleent geen medewerking aan de toedeling van de woning aan hem. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte de vorderingen van [Broer een] onder 2a afgewezen. [Broer een] wijzigt in hoger beroep zijn vordering, maar de strekking van zijn gewijzigde eis onder II (bedoeld zal zijn III) is dezelfde als onder 2a in eerste aanleg.

16. Het hof overweegt als volgt. [Broer een] vordert in hoger beroep onder III dat het hof de verdeling zal vaststellen van de tussen partijen bestaande gemeenschap conform de conceptakte “verdeling nalatenschap” van 24 november 2015 van notaris [naam] , met inachtneming van het oordeel van het hof op door [Broer een] in de memorie aangevoerde grieven en gewijzigde eis; althans notaris mr. [naam] te benoemen tot notaris ten overstaan van wie de verdeling zal worden vastgesteld. In de appeldagvaarding vordert [Broer een] dat het hof de vorderingen van [Broer een] (zoals gedaan in eerste aanleg) alsnog zal toewijzen.

17. De eiswijziging van [Broer een] is niet in de appeldagvaarding opgenomen, maar eerst in de memorie van grieven. Gesteld noch gebleken is dat deze eiswijziging aan [Broer twee] is betekend, zoals artikel 130 lid 3 Rv voorschrijft, ingeval een partij niet in het geding is verschenen. Artikel 130 lid 3 Rv beschermt de niet verschenen geïntimeerde tegen de verandering en vermeerdering van de vordering van de appellant opdat hij niet onkundig zal zijn van hetgeen waartoe hij jegens de appellant kan worden veroordeeld. Het hof is dan ook niet in staat de verdeling vast te stellen zoals [Broer een] deze vordert en daarom zal het primaire deel van deze vordering worden afgewezen. Nu notaris Bijster in het bestreden vonnis al is benoemd tot notaris heeft [Broer een] geen belang bij zijn subsidiaire vordering deze tot notaris ten overstaan van wie de verdeling zal worden vastgesteld, te benoemen, zodat ook dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen. De vierde grief faalt hiermee.

Overige eiswijziging(en)

18. De vorderingen onder IV en V in het petitum van de memorie van grieven zijn andere/nieuwe vorderingen dan die in eerste aanleg. Op grond van wat het hof hiervoor onder 16 heeft overwogen, moeten deze vorderingen worden afgewezen. Het hof merkt op dat [Broer een] weliswaar in eerste aanleg ook vordert dat hij zal worden gemachtigd de woning te gelde te maken, maar [Broer een] vordert in de memorie van grieven primair dat [Broer twee] zal worden veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de notariële levering van de woning, op straffe van een dwangsom. Nu het hof niet op dit primaire deel van de vordering kan beslissen kan het hof niet toekomen aan het subsidiair gevorderde, ook al is dit gelijkluidend aan een vordering in eerste aanleg.

Proceskosten

19. In de vijfde grief voert [Broer een] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Door de opstelling van [Broer twee] blijft een onverdeeldheid bestaan en wordt [Broer een] gedwongen om te procederen. [Broer een] acht het dan ook redelijk dat [Broer twee] in de proceskosten in beide instanties wordt veroordeeld.

20. Het hof is van oordeel dat de rechtbank de proceskosten terecht heeft gecompenseerd. Daar komt bij dat [Broer een] in eerste aanleg op onderdelen in het ongelijk is gesteld. In hoger beroep is dit niet anders. Het hof zal dan ook de vordering van [Broer een] , [Broer twee] in hoger beroep in de proceskosten te veroordelen, afwijzen.

Bewijsaanbod

21. Het bewijsaanbod van [Broer een] is niet gespecificeerd en voldoet dan ook niet aan de daaraan te stellen eisen, zodat dit reeds daarom wordt gepasseerd.

Slotsom

22. Het hof stelt vast dat de eerste grief van [Broer een] slaagt, maar de andere grieven worden gepasseerd, zodat de beslissing geen andere zal zijn dan in het bestreden vonnis. Het hof zal daarom het bestreden vonnis bekrachtigen.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.N. Labohm en A.H.N. Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2016 in aanwezigheid van de griffier.