Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3718

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
200.168.658/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

is bank aansprakelijk voor overval nadat klant geld heeft opgenomen aan de balie? Hof acht de overval voorshands bewezen en gelast een plaatsopneming en bezichtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3922
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.168.658/01

Zaaknummer rechtbank : 2771486 CV EXPL 14-6000

arrest van 20 december 2016

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

ING Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: ING,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 6 maart 2015 is [appellante] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter te Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 30 december 2014. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellante] negen grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft ING de grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld. [appellante] heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel, waarna beide partijen nog een akte hebben genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Het gaat in deze zaak om het volgende:

1. [appellante] houdt een bankrekening aan bij ING.

2. Op 12 april 2013 heeft [appellante] aan de balie van het ING-kantoor, gelegen aan het Binnenhof 24 te Rotterdam (hierna: het ING-kantoor), € 5.000,- contant opgenomen. Het geld is door de medewerker aan de balie uitgeteld in 50 coupures van € 100,-. [appellante] heeft toen zij nog aan de balie stond het geld in een zakje onder haar kleding opgeborgen.

3. Het betreffende ING-kantoor is een open ruimte, met glazen gevels en glazen schuifdeuren. Boven de balie waar [appellante] het geld heeft opgenomen is met grote letters het opschrift “KAS” aangebracht.

4. Op 12 april 2013 heeft [appellante] aangifte gedaan van (onder andere) straatroof. In het proces-verbaal van aangifte staat onder meer het volgende:

“Ik zag dat de dienstdoende medewerker het geldbedrag van 5000,00 euro samen met mij, het op de balie binnen bij de ING bank natelde. Ik heb het geldbedrag van 5000,00 euro in een zwart tasje, welke onder mijn trui, zo onzichtbaar mogelijk om mijn middels zat, in mijn broek gedaan. Met tasje zat middels een elastiek om mijn middel vast. Ik had mijn trui er overheen gedaan, (…). Vervolgens ben ik de ING uitgelopen. (…) Ik ben de supermarkt ingelopen en ik werd op een gegeven moment (…) aangesproken door een winkelende klant, die mij attendeerde dat er ketchup op de achterzijde van mijn jas zat. (…) Ik zag dat er twee medewerkers van de Plus naar mij toe kwamen gelopen om mijn jas schoon te maken. (…) Vervolgens ben ik met de winkelwagen met boodschappen naar mijn auto gelopen. Ik heb de boodschappen in mijn auto gedaan en stapte mijn auto in. (…) Ik zag dat dader 1 mij gebaarde het raampje van mijn auto open te doen. Ik zag ook dat dader 1 naar mijn auto wees. Ik heb het raampje van mijn auto opengedaan en ik zag dat de dader al wijzend tegen mij zei in het gebroken Engels: “Mechanic”. Vervolgens ben ik mijn auto niet uitgestapt omdat ik het niet vertrouwde en liet de dader kletsen. Vervolgens ben ik met mijn auto naar huis gereden (…) en heb de auto geparkeerd. Ik zag dat de linker achterband van mijn auto lek was. (…) Ik stond (…) net voor mijn woning, toen ik de boodschappen zojuist naar binnen had gebracht. Ik zag dat er een vrouw [hierna dader 3, toevoeging hof] en jongen [hierna: dader 2, toevoeging hof] naar mij toe kwamen gelopen. (…) Ik hoorde dat [dader 3] naar een bepaald nummer van de Rupsklaver op zoek was. (…) Ik zei in het Engels tegen de daders dat ik ze verder niet kon helpen. Plotseling voelde ik dat dader 2 kennelijk opzettelijk en met kracht met zijn linkerarm, mijn linkerschouder vast hield. Ik voelde dat dader 2 kennelijk opzettelijk en met kracht zijn rechterhand op mijn mond legde zodat ik niets kon doen. (…) Ik hoorde dat dader 3 in het Engels tegen mij zei” ‘Give me the money’. (…) Ik kon vervolgens mijn (…) portemonnee uit mijn rechter broekzak halen en gaf deze aan dader 2 en 3. (…) In deze portemonnee zat een briefje van 100 en een briefje van 50 euro en wat briefjes van 20 euro. (…) Ik hoorde dat dader 3 (…) aan mij vroeg: ‘the other money’. (…) Ik zag en voelde dat dader 3 uiteindelijk het zwarte tasje uit mijn broek haalde en ik zag dat dader 3 het geldbedrag van 5000,00 euro eruit griste en wegnam. (…)”.

5. Van de kasopname en van een aantal gebeurtenissen daarna zijn camerabeelden gemaakt. Deze camerabeelden zijn getoond in het tv-programma Opsporing Verzocht. Bij de processtukken bevindt zich een CD-rom van deze uitzending. Op de camerabeelden is onder andere te zien hoe [appellante] het geld aan de balie contant uitbetaald krijgt en dit onder haar trui, in haar broek opbergt en dat een man ketchup op de jas van [appellante] spuugt als zij boodschappen doet in de Plusmarkt.

6. Na 12 april 2013 heeft ING enkele wijzigingen aangebracht aan de inrichting van het ING-kantoor. Daarbij is in ieder geval de betreffende balie, behalve met een op 12 april 2013 reeds aanwezig glazen scherm aan de rechterkant, afgeschermd met een glazen scherm aan de linkerkant. Voorts is een tweede verrijdbaar folderrek geplaatst voor de balie.

7. [appellante] heeft gevorderd ING te veroordelen tot betaling van € 5.000,-, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Volgens [appellante] is ING aansprakelijk voor de schade die zij lijdt door de beroving wegens – samengevat – de wijze waarop ING het ING-kantoor heeft ingericht. ING heeft de vordering betwist. ING heeft daarbij de gestelde beroving betwist en voorts betoogd dat van aansprakelijkheid geen sprake is, althans dat causaal verband tussen de gestelde schade en onrechtmatig handelen van ING ontbreekt en ten slotte dat een eventuele vergoedingsplicht van ING op de voet van artikel 6:101 BW moet worden verminderd in verband met eigen schuld van [appellante].

8. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De kantonrechter was van oordeel dat ING niet onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld. Om die reden kon volgens de kantonrechter in het midden blijven of [appellante] daadwerkelijk is beroofd. De grieven richten zich tegen deze oordelen.

9. In appel handhaaft ING als meest verstrekkende verweer haar standpunt dat [appellante] niet is beroofd, althans niet is beroofd door personen die hebben gezien dat [appellante] geld opnam bij ING. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

10. [appellante] heeft betoogd dat ING in correspondentie met haar (brieven van 23 mei 2013 en 19 augustus 2013) heeft erkend dat de beroving heeft plaatsgevonden. Dit betoog wordt verworpen. Het betreft brieven waarin ING heeft gereageerd op klachten van [appellante], waarbij ING haar medeleven naar [appellante] heeft getoond, doch aansprakelijkheid voor de schade van [appellante] van de hand heeft gewezen. Hetgeen ING in die brieven opmerkt over de beroving vormt geen erkenning, maar een weergave van de door [appellante] in haar brieven aan ING gestelde feiten.

11. De bewijslast van de gestelde beroving rust op [appellante]. Naar het oordeel van het hof is voorshands aannemelijk dat [appellante] op 12 april 2013 is beroofd van het door haar bij ING opgenomen bedrag van € 5.000,- door personen die hebben gezien dat zij bij ING geld opnam. Vast staat dat zij dit bedrag op die dag bij ING heeft opgenomen. Vast staat voorts dat [appellante] diezelfde dag aangifte heeft gedaan van beroving. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing voor de veronderstelling dat sprake zou zijn van een valse aangifte. Hetgeen [appellante] bij die aangifte aan de politie heeft verklaard wordt op onderdelen bevestigd door de later beschikbaar gekomen camerabeelden. Het betreft de geldopname in het ING-kantoor en het incident met ketchup in de supermarkt. [appellante] heeft bij de politie verder verklaard (op 5 juni 2013) dat zij op de door de politie aan haar getoonde foto’s – die kennelijk zijn gemaakt aan de hand van camerabeelden van de geldopname in het ING-kantoor – de vrouw herkent die haar bij haar woning heeft beroofd, de man die haar op de parkeerplaats heeft aangesproken en de man die haar bij haar woning heeft beetgepakt. In hoger beroep heeft [appellante] bovendien schriftelijke verklaringen overgelegd van de heer De Waal en mevrouw Glasbergen. De Waal verklaart onder meer dat hij op 12 april 2013 twee mensen hard heeft zien rennen vanuit de richting van de woning van [appellante], en dat zij in een auto zijn gestapt die is weggereden. Glasbergen, de buurvrouw van [appellante], heeft onder meer verklaard dat toen zij op 12 april 2013 rond half 2 thuis kwam, zij zag dat aan het begin van de oprijlaan een leeggeschudde portemonnee en pasjes lagen, dat zij even later [appellante] zag die haar vertelde dat ze zojuist was overvallen en beroofd en dat kort daarop, toen de politie er al was, De Waal aan kwam lopen en heeft gesproken met de agent die buiten stond. ING zal conform haar aanbod worden toegelaten tot tegenbewijs.

12. Vooruitlopend op het – afhankelijk van het al dan niet leveren van het tegenbewijs door ING eventueel – te vellen oordeel over de aansprakelijkheid van ING acht het hof het gewenst het ING-kantoor te bezichtigen, om zich aldus een oordeel te vormen over de inrichting van het pand thans en op 12 april 2013. Het hof zal dan ook een plaatsopneming en bezichtiging gelasten. In verband met de proceseconomie acht het hof het wenselijk deze plaatsopneming en bezichtiging te laten plaatsvinden voorafgaand aan eventuele bewijslevering door ING.

13. Partijen dienen bij de plaatsopneming en bezichtiging aanwezig te zijn. Zij dienen daarbij inzichtelijk te maken hoe de inrichting van het ING-kantoor was op 12 april 2013 en welke wijzigingen er zijn geweest na 12 april 2013. Het is om die reden van belang dat van de zijde van ING iemand aanwezig is die (ook) werkzaam was bij het ING-kantoor op 12 april 2013.

14. Het proces-verbaal van de plaatsopneming en bezichtiging zal binnen twee weken na de plaatsopneming en bezichtiging ter griffie worden neergelegd.

15. Het hof zal tevens een comparitie ter plaatse bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. De comparitie zal ook worden benut om te bespreken of ING tegenbewijs wenst te leveren en op welke wijze zij dat wenst te doen. De comparitie zal niet in het Paleis van Justitie worden gehouden, maar aansluitend aan de gerechtelijke plaatsopneming en bezichtiging. Indien partijen daarmee instemmen kan de comparitie plaatsvinden bij de plaats van bezichtiging (in een besloten ruimte binnen het ING-kantoor). Indien dit niet mogelijk is of partijen (of één van hen) dit niet wenselijk acht(en), dienen zij binnen twee weken na heden suggesties te doen voor een neutrale ruimte in de nabijheid van de plaats van bezichtiging. Het hof wijst erop dat de kosten voor het gebruik van deze locatie niet voor rekening van het hof komen.

16. Het hof is in beginsel voornemens aansluitend aan de comparitie wederom arrest te wijzen. Indien partijen nog nadere stukken in het geding willen brengen dienen zij deze tijdig (uiterlijk twee weken) voor de comparitie aan het hof en de wederpartij toe te sturen.

Beslissing

Het hof:

- beveelt een plaatsopneming en bezichtiging door de raadsheren Damsteegt-Molier, Olthof en Schreuder van het ING-kantoor gevestigd te Rotterdam aan het Binnenhof 24 op 31 januari 2017 vanaf 11.00 uur;

- bepaalt dat partijen in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

- bepaalt dat het proces-verbaal binnen twee weken na de plaatsopneming en bezichtiging ter griffie moet worden neergelegd;

- beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van de raadsheren Damsteegt-Molier, Olthof en Schreuder, die zal plaatsvinden aansluitend aan de gerechtelijke plaatsopneming en bezichtiging; de comparitie zal naar verwachting eindigen om 13.30 uur;

- bepaalt dat [appellante] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat ING dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen;

- bepaalt dat partijen uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum aan het hof en aan de wederpartij (kopieën van) de bescheiden (voor zover nog niet in het geding gebracht) toezenden waarop zij ter comparitie een beroep wensen te doen;

- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen op een dag die na afloop van de comparitie ter plaatse zal worden vastgesteld;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. F. Damsteegt-Molier, M.M. Olthof en D.A. Schreuder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016 in aanwezigheid van de griffier.