Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3701

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
22-001775-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde (mishandeling) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001775-16

Parketnummer: 09-186265-15

Datum uitspraak: 30 november 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 1 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1989,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 november 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 april 2015 te Leiden [benadeelde partij] heeft mishandeld door deze [benadeelde partij] tegen zijn linker oog te slaan en/of deze [benadeelde partij] een duw te geven, waardoor deze [benadeelde partij] (verder) van de trap viel.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Bij de beoordeling van het ten laste gelegde gaat het hof uit van de verklaring van de verdachte, die wordt ondersteund door ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de getuige [getuige]. Kort gezegd houdt deze verklaring in dat de verdachte, toen hij op de trap stond, werd geduwd door de aangever, waardoor hij viel. Nadat de verdachte was weggelopen en een stukje verderop was, kwam de aangever op hem afgerend. Toen heeft de verdachte de aangever op zijn oog geslagen.

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat deze feiten en omstandigheden een beroep op noodweer rechtvaardigen. Door de gedraging van de aangever was er sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf. Het hierop volgende handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf. Hierbij is naar het oordeel van het hof voldaan aan zowel de proportionaliteiteis als de subsidiairiteitseis.

Gelet op het vorenstaande acht het hof het handelen van de verdachte niet wederrechtelijk.

Onder mishandeling als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In het begrip mishandeling ligt derhalve de wederrechtelijkheid van de gedraging besloten. Nu het handelen van de verdachte niet wederrechtelijk is, is de ten laste gelegde mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. J.M. van de Poll en mr. J. Candido, in bijzijn van de griffiers mr. N. van der Velden en mr. M.T. Sluis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 november 2016.