Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:370

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-01-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
200.172.724/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoeker komt in hoger beroep tevergeefs op tegen zijn ontslag als curator over betrokkene

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 27 januari 2016

Zaaknummer : 200.172.724/01

Rekestnummer rechtbank : VZ VERZ 12-8471

Zaaknummer rechtbank : 1386715

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: verzoeker,

advocaat voorheen mr. M.J. Goedhart te Rotterdam, thans mr. A.I.J. Visser,

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [betrokkene] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene;

2. Verkerk & Vos Bewindvoeringen B.V.,

kantoorhoudende te Nieuw-Lekkerland,

hierna te noemen: de curator.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoeker is op 3 juli 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 april 2015 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts van de zijde van verzoeker de volgende stukken ingekomen:

  • -

    op 6 juli 2015 een brief van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    op 21 juli 2015 een brief van 20 juli 2015 met als bijlage een V-formulier van 17 juli 2015 met bijlagen;

- op 21 juli 2015 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

De curator heeft het hof bij brief van 7 december 2015 laten weten dat zij niet ter zitting aanwezig zal zijn.

De zaak is op 11 december 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting was verzoeker aanwezig bijgestaan door zijn advocaat. De advocaat van verzoeker heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

De betrokkene is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – voor zover in hoger beroep van belang – verzoeker met ingang van 7 april 2015 ontslagen als curator over betrokkene en is Verkerk & Vos Bewindvoeringen B.V. tot curator benoemd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING HOGER BEROEP

1. In geschil is het ontslag van verzoeker als curator en de benoeming van de curator.

2. Verzoeker verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, zodat hij zijn taak als curator over betrokkene kan voortzetten.

3. Verzoeker voert het volgende aan. Hij beseft dat hij de rekening en verantwoording op tijd had moeten indienen bij de rechtbank. Hij is echter anderhalf jaar ziek geweest vanwege een burn- out. De bedrijfsarts verwacht dat verzoeker in het derde kwartaal van 2015 weer kan terugkeren in passend werk. Verzoeker is dan ook weer in staat om (weer) aan zijn taak als curator van de betrokkene te beginnen. Verzoeker is van mening dat minder vergaande maatregelen genomen hadden kunnen worden dan ambtshalve ontslag. Hij had ook tijdelijk ontheven kunnen worden van zijn taak, op grond van artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Hij heeft al die tijd wel de belangen van de betrokkene naar behoren behartigd, zowel financieel als niet financieel. Verzoeker verwacht dat hij op redelijke termijn de rekening en verantwoording van de afgelopen jaren rond kan hebben. Hij heeft een groot emotioneel belang bij het curatorschap van betrokkene.

4. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker vanwege zijn ziekte enige jaren niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van het curatorschap ten overstaan van de kantonrechter heeft kunnen voldoen. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij thans weer 100% beter is gemeld. Voorts heeft hij verklaard dat hij voornemens is om in deeltijd te gaan werken. Desgevraagd heeft verzoeker voorts te kennen gegeven dat hij van mening is dat hij weer in staat is de rekening en verantwoording op te maken en dat, mocht dit toch niet zo zijn, het hem bekende administratiekantoor wellicht ook de rekening en verantwoording van betrokkene kan opmaken.

5. Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat op dit moment onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat verzoeker weer in staat is zijn taak als curator naar behoren te kunnen uitvoeren. Het hof begrijpt hoezeer verzoeker de wens koestert om zijn taak als curator over betrokkene weer te kunnen vervullen, maar naar het oordeel van het hof is de situatie van verzoeker niet zodanig dat er vanuit kan worden gegaan dat hij hiertoe zonder meer weer in staat is. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat verzoeker langdurig ziek is geweest, in welke periode hij zelf heeft aangegeven dat het curatorschap een zware belasting voor hem was. Thans zal verzoeker na anderhalf jaar ziekte zijn betaalde werkzaamheden weer aanvangen, hetgeen de nodige belasting voor verzoeker met zich mee zal brengen. Het risico dat een hernieuwde benoeming tot curator, met de in dat kader achterstallige werkzaamheden die nog moeten worden verricht, te veel van verzoeker zal vergen, is niet uit te sluiten. Het hof ziet geen gronden voor een tijdelijke maatregel, zoals door verzoeker voorgesteld. Artikel 1:448 lid 2 BW voorziet weliswaar in de mogelijkheid tot het treffen van voorlopige voorzieningen en schorsing van de curator hangende het onderzoek naar het ontslag van de curator, maar van een onderzoek naar het ontslag van de curator in de zin van voornoemd artikel is in de onderhavige zaak geen sprake. Verzoeker had immers op het moment van afgifte van de bestreden beschikking reeds enige jaren niet voldoende aan de van hem te verwachten verplichtingen voldaan, ondanks dat hij daartoe diverse malen in de gelegenheid was gesteld. Ook was op dat moment niet duidelijk wanneer verzoeker wederom aan zijn verplichtingen uit hoofde van het curatorschap zou kunnen voldoen. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, C.M. Warnaar en A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. M.M. Rasmijn als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2016.