Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3684

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
2200541715
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2810, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof in Den Haag heeft ín hoger beroep een man veroordeeld voor 2 overvallen op hoogbejaarde vrouwen. De overvallen vonden plaats in Rotterdam in 1995. De vrouwen werden overvallen in hun woning en geslagen en vastgebonden. Een van de vrouwen kwam daarbij om het leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005417-15

Parketnummer: 10-060004-97

Datum uitspraak: 13 december 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 december 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] (Polen),

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, gevangenis De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

24 mei 2016 en 3, 17 en 18 november 2016. Op de terechtzitting van 29 november 2016 is het onderzoek gesloten.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2 Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

1 primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3 Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 14 augustus 1995 tot en met 16 augustus 1995 te Rotterdam in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren 20 juni 1913) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- die [slachtoffer 1] verwurgd tengevolge waarvan het strottehoofd en het tongbeen van die [slachtoffer 1] zijn gebroken en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of waardoor letsel aan het hoofd van die [slachtoffer 1] is ontstaan en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) en/of voet(en) tegen de ribben geslagen en/of geschopt en/of geduwd en/of gedrukt

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een bankpas (VSB) en/of een of meer siera(a)d(en) van die [slachtoffer 1] in/uit die woning, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 14 tot en met 16 augustus 1995 te Rotterdam in een woning gelegen aan de [adres 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade en/of al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren 20 juni 1914) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg,

- de woning van die [slachtoffer 1] betreden en/of

- die [slachtoffer 1] verwurgd tengevolge waarvan het strottehoofd en het tongbeen van die [slachtoffer 1] zijn gebroken en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of waardoor letsel aan het hoofd van die [slachtoffer 1] is ontstaan en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) en/of voet(en) tegen de ribben geslagen en/of geschopt en/of geduwd en/of gedrukt

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

en/of

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 14 tot en met 16 augustus 1995 te Rotterdam in een woning gelegen aan de [adres 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bankpas (VSB) en/of een of meer siera(a)d(en) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (geboren op 20 juni 1914) in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het door verdachte en/of zijn mededader(s)

- binnendringen en/of binnengaan van de woning van die [slachtoffer 1] en/of

- vastpakken en/of op de grond gooien en/of duwen en/of leggen van die [slachtoffer 1] en/of

- binden van een lap stof voor de mond en/of om de nek van die [slachtoffer 1] en/of

- met een snoer en/of twee, althans een of meer ceintuur(s) knevelen van de polsen en/of enkels van die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] verwurgen tengevolge waarvan het strottehoofd en het tongbeen van die [slachtoffer 1] zijn gebroken en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) tegen het hoofd slaan en/of stompen en/of waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of waardoor letsel aan het hoofd van die [slachtoffer 1] is ontstaan en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) en/of voet(en) tegen de ribben slaan en/of schoppen en/of duwen en/of drukken

en/of welk feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 15 juli 1995 te Rotterdam in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden (ondermeer vijf, althans een of meer ringen en/of twee, althans een of meer kettingen) en/of twee horloges en/of een bedrag aan geld (ongeveer fl 2000,=), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] (geboren op 23 maart 1906), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het door verdachte en/of zijn mededader(s)

- binnendringen van de woning van die [slachtoffer 2] en/of

- stoppen van een prop in de mond van die [slachtoffer 2] en/of - vastpakken en/of op de grond gooien van die [slachtoffer 2] en/of

- binden van een lap stof voor de mond van die [slachtoffer 2] en/of

- met een touw knevelen van de polsen van die [slachtoffer 2] en/of

- met een lap stof knevelen van de enkels van die [slachtoffer 2] en/of

- voorover op de grond leggen van die [slachtoffer 2];

3.
hij op of omstreeks 26 juli 1995 te Rotterdam in een woning gelegen aan de [adres 3], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden (waaronder drie, althans een of meer ring(en) en/of twee, althans een of meer kettingen) twee horloges en/of een strijkijzer en/of een of meer bank- en/of giropassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] (geboren op 25 december 1919), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het door verdachte en/of zijn mededader(s)

- geven van een of meer vuistslagen aan die [slachtoffer 3] en/of

- waardoor die [slachtoffer 3] achterover op de grond is gevallen en/of

- met een touw knevelen van de handen en/of de voeten van die [slachtoffer 3] en/of

- binden van een reep stof voor de mond van die [slachtoffer 3].

4 Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

5.1

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep op 17 november 2016 is door de verdediging bepleit – overeenkomstig de door

mr. Kamans overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen (1) – dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met de in de pleitaantekeningen genoemde Europese en nationale beginselen en/of regelgeving, (mede) voortvloeiend uit artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In de visie van de verdediging blijkt de schending – kort en zakelijk weergegeven – uit de volgende punten:

  • -

    er is geen sprake geweest van een zorgvuldig opsporingsonderzoek, nu dat dadergericht en verkokerd heeft plaatsgevonden en er geen verificatie en falsificatie van onderzoeksresultaten heeft plaatsgevonden;

  • -

    voor de verdachte belastend bewijsmateriaal is zoekgeraakt, waardoor tegenonderzoek niet meer mogelijk is;

  • -

    voor de verdachte –mogelijk- ontlastend materiaal is zoekgeraakt, waardoor nader onderzoek niet meer mogelijk is;

  • -

    alternatieve daderscenario’s zijn door het Openbaar Ministerie weggelaten uit het dossier;

  • -

    de mogelijk ontlastende onderzoeksresultaten van de fotoconfrontatie van mevrouw [slachtoffer 3] zijn door het Openbaar Ministerie weggelaten uit het dossier;

  • -

    de keuzeconfrontatie met betrekking tot [getuige 1] is onjuist uitgevoerd;

  • -

    het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal d.d. 12 juni 2000 van de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] is in strijd met de waarheid opgemaakt, nu zij hebben gerelateerd dat zij bij de huiszoeking in Polen aanwezig waren, terwijl uit het relaas van de Poolse verbalisant [verbalisant 5] blijkt dat de betreffende verbalisanten de woning hebben verlaten voordat de huiszoeking een aanvang nam.

Concluderend stelt de verdediging (op p. 37 en 38 van de genoemde pleitnotities (1)) dat op basis van het voorgaande de verdedigingsbelangen op grove wijze zijn veronachtzaamd, doordat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen door het handelen van het Openbaar Ministerie, welke schending de betrouwbaarheid van de betreffende stukken en de rechtmatigheid van het verkregen bewijsmateriaal raken. Deze schendingen zijn zo ernstig dat zij in onderlinge samenhang bezien dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.

5.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven - geen van de door de verdediging gestelde verzuimen, zo die zich al hebben voorgedaan, op zichzelf noch in onderling verband bezien, kunnen leiden tot het rechtsgevolg dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, één en ander als verwoord in de aantekeningen requisitoir.

5.3

Oordeel van het hof

5.3.1

Zorgvuldigheid van het opsporingsonderzoek

Het hof stelt voorop dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De Hoge Raad oordeelde in het zogenaamde Zwolsman-arrest dat slechts sprake kan zijn van een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging als de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak te kort werd gedaan.1

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Mr. Kamans heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat zij op 10 juni 2000 is gevraagd om de verdachte bij te staan. Bij brief d.d. 17 mei 2001 heeft mr. Kamans kenbaar gemaakt dat zij op 9 mei 2001 de verdachte heeft bezocht in de gevangenis in Engeland en dat hij niet gehoord wenste te worden. Bij brief d.d. 7 augustus 2001 heeft mr. Kamans geschreven dat zij heeft gehoord dat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten en dat zij om heropening verzoekt teneinde onderzoekshandelingen te laten verrichten, welke verzoeken vervolgens per brief van 6 september 2001 zijn ingediend. Bij beschikking van de rechter-commissaris d.d. 8 oktober 2001 wordt het verzoek om heropening van het gerechtelijk vooronderzoek afgewezen, waarbij wordt opgemerkt dat er veel moeite is gedaan om uit te vinden of de verdachte op het gerechtelijk vooronderzoek gehoord wenste te worden en hij (uiteindelijk) niet bereid is geweest om de rechter-commissaris te woord te staan. Het tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep wordt bij beslissing van de meervoudige raadkamer van de Rechtbank Rotterdam d.d. 17 mei 2002 gegrond verklaard en de beschikking waarvan beroep wordt vernietigd. Het onderzoek wordt heropend teneinde de door de raadsvrouw verzochte getuigen te horen.

Uit de bovengenoemde omstandigheden blijkt dat de verdediging, mede in de persoon van mr. Kamans, reeds in een zeer vroeg stadium door de autoriteiten in de gelegenheid is gesteld om onderzoekshandelingen te laten verrichten. De verdediging heeft hier destijds, om haar moverende redenen, behoudens het doen horen van enkele getuigen, geen gebruik van gemaakt. De gevolgen van dit stilzitten van de verdediging en de ingenomen proceshouding van de verdachte kunnen naar het oordeel van het hof niet aan het Openbaar Ministerie worden tegengeworpen. Bovendien is – anders dan de verdediging stelt – het recht op toetsing van het bewijsmateriaal grotendeels wel degelijk geëffectueerd, immers is zowel ten tijde van de behandeling in eerste aanleg als bij de behandeling in hoger beroep nader onderzoek verricht.

Gelet op het voorgaande en de genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad valt naar het oordeel van het hof niet in te zien hoe door de handelwijze van het Openbaar Ministerie in het opsporingsonderzoek doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak dan wel diens recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, te kort zou zijn gedaan, zodat het verweer hieromtrent wordt verworpen.

5.3.2

Zoekraken van belastend en (mogelijk) ontlastend materiaal

Ter zake van de stelling van de verdediging dat de belangen van de verdachte op grove wijze zijn geschaad doordat belastend en –mogelijk- ontlastend materiaal is zoekgeraakt en (tegen)onderzoek niet meer mogelijk is, zodat sprake is schending van artikel 6 EVRM en van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, overweegt het hof het volgende. Het hof stelt voorop dat het verweer, voor zover het betrekking heeft op artikel 359a Sv, onvoldoende is onderbouwd en reeds om die reden wordt afgewezen. Voorts overweegt het hof dat de omstandigheid dat het voor het verrichten van een tegenonderzoek bestemde materiaal, kort gezegd, in het ongerede is geraakt, niet mee brengt dat de verkrijging van voornoemd bewijsmateriaal als resultaat van dat in het ongerede raken reeds op die grond als onrechtmatig moet worden aangemerkt.2 De vraag of de onmogelijkheid van een tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in artikel 6 EVRM in de weg staat, is afhankelijk van de omstandigheden van de zaak. Het hof is van oordeel dat, hoewel de actuele voorwerpen weliswaar niet meer beschikbaar zijn, het onderhavige dossier voldoende aanknopingspunten bevat, onder meer in de vorm van kopieën van foto’s van de voorwerpen en getuigenverklaringen, op grond waarvan de bewijswaardering plaats kan vinden.

De verdediging heeft voorts ten aanzien van de in de pleitnotities genoemde en zoekgeraakte voorwerpen, te weten een Delbana horloge (feit 1), postwisselstrookje (feit 1), Indus horloge (feit 3), strijkijzer (feit 3) en EDAH-card (feit 3), -zakelijk weergegeven- betoogd dat deze voorwerpen en de herkenning daarvan onbetrouwbaar zijn en dat er geen veroordeling kan volgen op basis van deze bewijsmiddelen. Dit geldt eveneens voor de keuzeconfrontatie met betrekking tot de getuige [getuige 1] (feit 3). Voorts kan volgens de verdediging ten aanzien van de dactyloscopische sporen 2 (duimspoor, feit 1) en 5 (handpalmspoor, feit 3), die gelinkt worden aan de verdachte, niet vastgesteld worden dat dit de authentieke sporen zijn die zijn aangetroffen op 17 augustus 1995. Dit geldt ook ten aanzien voor de DNA-sporen AUA805 en AUA806 (beide sigarettenpeuken, feit 1), waarvan volgens de verdediging niet kan worden vastgesteld dat deze niet zijn verwisseld met de sporen AWA805 en AWA806. Ten aanzien van de zoekgeraakte rol vuilniszakken en het dextro blikje (beiden feit 3) meent de verdediging dat dit ook een onherstelbaar vormverzuim betreft, nu hierdoor mogelijk ontlastend onderzoek onmogelijk is geworden.

Het hof overweegt dat de bovengenoemde onderdelen van het verweer geen schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM behelzen en ook niet, voor zover betoogd, een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv betreffen, nu deze hoofdzakelijk zien op de waardering van het bewijs. Reeds om die reden kan het verweer hieromtrent niet leiden tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 6 EVRM niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Voor het overige kan hetgeen de verdediging heeft betoogd in dit kader niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de verdedigingsbelangen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Het verweer wordt verworpen.

5.3.3

Weglaten van alternatieve daderscenario’s en (mogelijk ontlastende) onderzoeksresultaten van de fotoconfrontatie van [slachtoffer 3] uit het dossier

Ten aanzien van het betoog van de verdediging dat het Openbaar Ministerie doelbewust alternatieve daderscenario’s heeft weggelaten uit het onderhavige dossier overweegt het hof dat op grond van het Nederlandse stelsel van strafvordering het Openbaar Ministerie dominus litis is en na opsporingsonderzoek beslist of een verdachte al dan niet vervolgd gaat worden. Het Nederlandse stelsel van strafvordering kent noch de mogelijkheid noch de verplichting voor het Openbaar Ministerie om ten aanzien van meerdere verdachten verschillende (dader)scenario’s voor te leggen aan de rechter. Wel dient het Openbaar Ministerie verantwoording te kunnen afleggen voor de keuzen die zijn gemaakt in het vooronderzoek, hetgeen het Openbaar Ministerie in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof in voldoende mate heeft gedaan. Die verantwoordingsplicht van het Openbaar Ministerie brengt echter niet met zich dat al hetgeen in het voorbereidend onderzoek is onderzocht in het onderhavige dossier gevoegd dient te worden. Los daarvan is de enkele constatering dat er in een opsporingsonderzoek informatie over potentiële of gewezen verdachten buiten het strafdossier is gehouden onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een verzuim als door de verdediging betoogd. Daar komt in het concrete geval bij dat de betreffende onderzoeken op verzoek van de verdediging uiteindelijk ook in het onderhavige dossier zijn gevoegd.

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging omtrent de zich niet in het procesdossier bevindende en mogelijk ontlastende onderzoeksresultaten van de meervoudige fotoconfrontatie van mevrouw [slachtoffer 3] overweegt het hof dat de enkele omstandigheid dat deze onderzoeksresultaten - van een op verzoek van de Poolse justitiële autoriteiten gehouden fotoconfrontatie - zich niet in het dossier bevinden, niet tot het oordeel kunnen leiden dat daarmee sprake is van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de verdedigingsbelangen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard.

5.3.4

Proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 7] en

[verbalisant 8]

Ten aanzien van het betoog van de verdediging dat het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal d.d. 12 juni 2000 van de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] in strijd met de waarheid is opgemaakt, overweegt het hof als volgt. Het hof stelt op grond van het procesdossier vast dat de huiszoeking bij de ouders van de verdachte aan de [adres van de ouders van verdachte] (Polen) op 21 mei 1997 van 14.50 uur tot 17.30 uur heeft plaatsgevonden. Bij laatstgenoemde huiszoeking waren vijf personen aanwezig, waaronder de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8], die voor hun aanwezigheid hebben getekend. In het door de verdediging bedoelde (vertaalde) proces-verbaal van [verbalisant 5], is voorts opgenomen dat onder andere [verbalisant 7] en [verbalisant 8] om 13.45 uur de plaats van huiszoeking hebben verlaten.3

[verbalisant 7] en [verbalisant 8] hebben in hun proces-verbaal opgenomen dat zij op 21 mei 1997 aanwezig waren bij de huiszoeking op het adres [adres van de ouders van verdachte].4 Dit vindt steun in bovengenoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat de verbalisanten aanwezig waren bij de huiszoeking en daar zelfs voor hebben getekend. Voorts heeft [moeder van de verdachte], de moeder van de verdachte, bij haar verhoor verklaard dat zij met de Nederlandse verbalisanten kennis heeft gemaakt tijdens de huiszoeking in de woning aan de [adres van de ouders van verdachte].5

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat -wat er ook zij van de vermelding door [verbalisant 5] dat de verbalisanten om 13.45 uur de plaats van huiszoeking hebben verlaten- de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] aanwezig zijn geweest bij de betreffende huiszoeking. Het hof ziet derhalve geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de betreffende verbalisanten. Bovendien valt een buitenlandse onderzoekshandeling zoals voornoemd proces-verbaal van [verbalisant 5] niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM of art. 359a Sv. Ook op dit onderdeel is er derhalve geen sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, zodat het verweer wordt verworpen.

5.3.5

Conclusie

Naar het oordeel van het hof leiden geen van de door de verdediging bepleitte onderdelen, op zichzelf dan wel in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel dat sprake is van een inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Nu er evenmin andere gronden zijn die de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. De verweren van de verdediging hieromtrent worden verworpen.

6 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest.

7 Vrijspraak

Feit 2: woningoverval [adres 2] te Rotterdam

7.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben zich – kort en zakelijk weergegeven en op gronden als vermeld in de aantekeningen requisitoir - op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat de bewezenverklaring kan volgen uit de verklaring van [medeverdachte] in combinatie met het feit dat de verdachte bij meerdere overvallen betrokken is geweest in dezelfde periode en in dezelfde omgeving en ten aanzien van hetzelfde type slachtoffers, zodat er sprake is van eenzelfde modus operandi als bij de feiten 1 en 3. Voorts bestaat er een link tussen de feiten 2 en 3 door het gebruik van het stuk gele gordijnstof als bindmiddel.

7.2

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat de verdachte van het ten laste behoort te worden vrijgesproken, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

7.3.

Oordeel hof

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat het door het slachtoffer [slachtoffer 2] opgegeven signalement van de dader van de woningoverval, te weten een man van ongeveer 30 jaar met een iets getinte (niet zijnde zongetinte) huidskleur en met donker, stijl, halflang haar, niet overeenkomt met de persoonskenmerken van de verdachte in (de zomer van) 1995.6

Voorts stelt het hof vast dat [medeverdachte] met betrekking tot de onderhavige woningoverval een aantal details heeft genoemd die aantoonbaar onjuist zijn gebleken. Zo is er volgens de getuige [medeverdachte] een kleurrijke jurk als bindmiddel gebruikt en is er een kussen onder het hoofd van het slachtoffer gelegd, hetgeen volgens het slachtoffer en gelet op hetgeen door de politie is aangetroffen op de plaats delict niet het geval is geweest. In die zin acht het hof de verklaring van [medeverdachte] dan ook niet voldoende betrouwbaar. Daar komt nog bij dat uit de verklaring van [medeverdachte] naar het oordeel van het hof weliswaar het beeld naar voren komt dat hij zelf in de zomer van 1995 met anderen betrokken is geweest bij strafbare feiten, maar dat de concretisering van die strafbare feiten en de toerekening daarvan aan de verdachte op de enkele grond van de verklaringen van [medeverdachte] niet buiten redelijke twijfel verheven is.

Daarnaast stelt het hof vast dat er in dan wel bij de woning geen enkel forensisch bewijs is aangetroffen dat wijst in de richting van de verdachte. Bovendien zijn er, anders dan bij de feiten 1 en 3, bij de verdachte noch bij diens ouders goederen gevonden die op enigerlei wijze zijn te relateren aan de onderhavige woningoverval.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8 Het bewijs: de gevoerde verweren ten aanzien van de feiten 1 en 3

8.1

Feit 1 primair: gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1]

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal stellen zich op het standpunt dat voor feit 1 wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. In lijn met de feiten en omstandigheden zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld wijzen zij – kort en zakelijk weergegeven – op de bewijswaarde van de op de plaats delict veiliggestelde sporen, reden waarom er volgens het Openbaar Ministerie geen twijfel is aan de aanwezigheid van de verdachte in de woning van het slachtoffer. De omstandigheid dat in de woning van de ouders van de verdachte in Polen goederen zijn aangetroffen die door de nabestaande zijn herkend als toebehorend aan het slachtoffer, terwijl de moeder van de verdachte heeft verklaard dat deze goederen aan de verdachte of diens broer toebehoorden, versterkt het bewijs.

Voor bewijsuitsluiting van, kort gezegd, verschillende stukken van overtuiging zoals door de verdediging bepleit op de grond dat daar zodanige bezwaren aan kleven dat deze niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, is in de visie van het Openbaar Ministerie geen aanleiding.

Ten aanzien van de door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario’s heeft te gelden dat de aangetroffen sporen van de alternatieve verdachte V1 (zoon van het slachtoffer) goed te verklaren zijn door diens normale aanwezigheid in de woning van het slachtoffer. Ten aanzien van alternatieve verdachte V2 staat vast dat geen forensische sporen zijn aangetroffen die op betrokkenheid duiden. Overigens zijn de geponeerde alternatieve scenario’s dermate onaannemelijk dat deze niet tot twijfel kunnen leiden, terwijl het onschuldscenario van de verdachte gelet op hetgeen zich in het dossier bevindt onaannemelijk is.

Hoewel niet precies kan worden vastgesteld wat zich in de woning van het slachtoffer heeft afgespeeld, kan bewezenverklaring volgen voor het onder 1 primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging in de persoon van mr. Kamans heeft vrijspraak bepleit en aangevoerd dat getwijfeld dient te worden aan alle door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen.

Op de gronden zoals verwoord in de pleitnota is allereerst aangevoerd dat het scenario doodslag of moord vele malen waarschijnlijker is dan roofmoord, zodat ook de samenhang met de andere ten laste gelegde feiten, anders dan waarvan de recherche uitging, niet logisch is.

Vervolgens is door de verdediging telkens – en bij dupliek herhaald – ten aanzien van een bewijsmiddel betoogd dat dit primair onbetrouwbaar is, reden waarom het dient te worden uitgesloten van het bewijs, en subsidiair dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek, zodanig dat op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering bewijsuitsluiting het enige rechtsgevolg kan zijn.

Dit betreft achtereenvolgens:

  • -

    de dactyloscopische sporen [adres 1] waar primair reden is tot twijfel aan de authenticiteit van de onderzochte sporen, en waar subsidiair door de klaarblijkelijk onderbroken “chain of evidence” sprake is van een verwijtbaar en onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek – hetgeen ook schending van artikel 6 EVRM impliceert – doordat de regel met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbaar bewijsmateriaal is geschonden hetgeen nadeel veroorzaakt voor de verdachte doordat evident onbetrouwbaar bewijsmateriaal in het dossier is gevoegd.

  • -

    het Delbana horloge en de foto daarvan, alsmede de herkenning van het horloge door de zonen en de schoondochter van het slachtoffer, waar primair twijfel aan de authenticiteit aan het voorwerp en de foto bestaat, reden waarom ook twijfel bestaat aan de herkenning door de nabestaanden van het slachtoffer, terwijl de foto’s van de in beslag genomen goederen weg zijn zodat geen controle meer mogelijk is hetgeen raakt aan de betrouwbaarheid van het materiaal – hetgeen ook schending van artikel 6 EVRM impliceert - , en subsidiair sprake is van een verwijtbaar en onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek doordat de regel met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbaar bewijsmateriaal is geschonden hetgeen nadeel veroorzaakt voor de verdachte doordat evident onbetrouwbaar bewijsmateriaal in het dossier is gevoegd.

  • -

    de (kopie) postwissel naar Polen en het daaromtrent opgemaakte proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 8], nu primair er een sterke aanwijzing is dat de datum op de postwissel niet 16 maar 14 augustus 1995 is, terwijl verbalisant [verbalisant 8] niet de moeite heeft genomen de datum te controleren, terwijl tegenonderzoek niet meer mogelijk is– hetgeen ook schending van artikel 6 EVRM impliceert – , en subsidiair derhalve sprake is van een verwijtbaar en onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek doordat de regel met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbaar bewijsmateriaal is geschonden hetgeen nadeel veroorzaakt voor de verdachte doordat evident onbetrouwbaar bewijsmateriaal in het dossier is gevoegd.

  • -

    DNA-onderzoek met betrekking tot de sigarettenpeuk T19 en de schaamhaar T18 c.q. AUA805 en AUA806 alsmede ATA177, nu primair het recht op tegenonderzoek niet geëffectueerd is kunnen worden

– hetgeen ook schending van artikel 6 EVRM

impliceert - , terwijl de verkrijging van het bloedmonster van de verdachte uit Engeland in 1997 onrechtmatig is verkregen en ook overigens twijfel bestaat aan de authenticiteit van de sigarettenpeuk gelet op de brief van de rechter-commissaris d.d. 20 juni 2000, waar uit blijkt dat sprake was van vier sigarettenpeuken met verschillend kenmerk, en niet twee, en subsidiair sprake is van een verwijtbaar en onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek doordat de regel met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbaar bewijsmateriaal is geschonden hetgeen nadeel veroorzaakt voor de verdachte doordat evident onbetrouwbaar bewijsmateriaal in het dossier is gevoegd.

Ten aanzien van de dactyloscopische sporen voornoemd is aanvullend betoogd dat deze geen bewijswaarde hebben nu zij niet in de tijd kunnen worden geplaatst.

Daarnaast zijn door de verdediging twee alternatieve scenario’s opgevoerd waarvan in de visie van de verdediging de rechtbank de waarde ten onrechte heeft miskend.

Ten aanzien van alternatief scenario V1 is door de verdediging in de persoon van mr. Van der Eerden betoogd dat het op grond van het dossier denkbaar is dat V1, [zoon 1 van slachtoffer 1] (zoon van het slachtoffer), de dader is. Daarbij is achtereenvolgens aandacht gevraagd voor dactyloscopische sporen van die [zoon 1 van slachtoffer 1] in relatie tot het aantreffen van het slachtoffer op de plaats delict, de (problematische) relatie van die [zoon 1 van slachtoffer 1] met het slachtoffer, de persoonlijke problematiek van die [zoon 1 van slachtoffer 1], daaronder begrepen diens alcoholgebruik en schuldenlast, en voor de inhoud van de verklaringen van die [zoon 1 van slachtoffer 1]. Daarnaast is gesteld dat het onbegrijpelijk is dat het Openbaar Ministerie hem niet als verdachte heeft gehoord en dat het onderzoek ook overigens onvolledig is gelet op hetgeen die [zoon 1 van slachtoffer 1] heeft verklaard. Dat leidt primair tot het denkbare scenario dat het feit door die [zoon 1 van slachtoffer 1] is gepleegd.

Subsidiair heeft te gelden dat in de weging van de alternatieve scenario’s ten opzichte van het ten laste gelegde niet aan een bepaald scenario meer gewicht kan worden toegekend.

Ten aanzien van alternatief scenario V2 is door de verdediging in de persoon van mr. Silvis betoogd dat het zeer aannemelijk is dat V2, [persoon 1], te maken heeft gehad met de dood van het slachtoffer, nu deze [persoon 1] bekennend heeft verklaard en tevens blijkt van daderkennis uit niet openbare bronnen, terwijl het onaannemelijk is dat deze [persoon 1] informatie heeft overgenomen uit wel openbare bronnen. Uit de persoon van deze [persoon 1] en hetgeen zij verklaart over door haar uitgevoerde handelingen in combinatie met hetgeen in de woning van het slachtoffer is aangetroffen, daaronder begrepen de wijze waarop het slachtoffer was vastgebonden, is dit alternatieve scenario veel waarschijnlijker dan het roofmoord-scenario dat het Openbaar Ministerie presenteert.

8.2

Feit 3: woningoverval aan de [adres 3] te Rotterdam

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal stellen zich op het standpunt dat voor feit 3 wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Het handpalmspoor van de verdachte als zodanig levert weliswaar niet zonder meer bewijs op van betrokkenheid maar vindt steun in de belastende omstandigheid dat in de woning van de ouders van de verdachte in Polen goederen zijn aangetroffen die toebehoren aan het slachtoffer. Dit betreft een EDAH-card, een Philips strijkijzer en een Indus horloge.

Voor bewijsuitsluiting van deze stukken van overtuiging zoals door de verdediging bepleit, is in de visie van het Openbaar Ministerie geen aanleiding. Daarom dient bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde te volgen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging in de persoon van mr. Kamans heeft vrijspraak bepleit en daartoe allereerst aangevoerd

– kort en zakelijk weergegeven – dat hetgeen het slachtoffer opgeeft als signalement van de dader niet strookt met het uiterlijk van de verdachte in die periode. Het signalement dat getuige [getuige 1] geeft komt op het punt van de beschrijving van de kleding van de dader niet overeen met het signalement dat het slachtoffer geeft, terwijl de verdachte in die periode geen Nederlands sprak, dus ook niet gebrekkig.

Vervolgens is door de verdediging telkens – en bij dupliek herhaald – ten aanzien van een bewijsmiddel betoogd dat dit primair onbetrouwbaar is, reden waarom het dient te worden uitgesloten van het bewijs, en subsidiair dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek, zodanig dat op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering bewijsuitsluiting het enige rechtsgevolg kan zijn.

Dit betreft achtereenvolgens:

  • -

    de verklaring van de getuige [getuige 1] primair nu de selectie van de aan deze getuige getoonde foto’s niet voldoet aan de regels en de confrontatie eerst lang na de eerste waarneming heeft plaatsgevonden, en subsidiair nu dit een verwijtbaar en onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek inhoudt– hetgeen ook schending van artikel 6 EVRM impliceert – doordat de regel met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbaar bewijsmateriaal is geschonden hetgeen nadeel veroorzaakt voor de verdachte doordat evident onbetrouwbaar bewijsmateriaal in het dossier is gevoegd.

  • -

    een Indus horloge waarvan niet met zekerheid valt vast te stellen of dit exemplaar aan het slachtoffer toebehoorde nu, ten eerste, het niet op de lijst gestolen goederen vermeld staat en, ten tweede, niet vast staat dat dit horloge het horloge is dat door het slachtoffer is herkend en daarenboven de herkenning door het slachtoffer twijfelachtig is te noemen aangezien deze door haar geestesgesteldheid is beïnvloed, terwijl, ten derde, tegenonderzoek niet meer mogelijk is hetgeen een schending van artikel 6 EVRM impliceert. Derhalve dient de foto van het Indus horloge en de herkenningen van het horloge door het slachtoffer en haar zoon en schoondochter primair als onbetrouwbaar van het bewijs te worden uitgesloten, en subsidiair nu sprake is van een verwijtbaar en onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek doordat de regel met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbaar bewijsmateriaal is geschonden hetgeen nadeel veroorzaakt voor de verdachte doordat evident onbetrouwbaar bewijsmateriaal in het dossier is gevoegd.

  • -

    een Philips strijkijzer waarvan niet met zekerheid valt vast te stellen of dit exemplaar aan het slachtoffer toebehoorde nu verzuimd is de unieke code te controleren/noteren. Daarom dient de foto van dit strijkijzer en de herkenningen daarvan door het slachtoffer, haar zoon en schoondochter primair als onbetrouwbaar terzijde te worden gesteld, en

  • -

    een EDAH-card waarvan niet met zekerheid valt vast te stellen of dit exemplaar aan het slachtoffer toebehoorde nu twijfel bestaat over het nummer van de card – en in strijd met artikel 152 Wetboek van Strafvordering niet is geverbaliseerd op welke datum is gesproken met Vendex Food Group –, terwijl de card weg is. Bovendien staat deze card niet op de lijst gestolen goederen en is niet duidelijk waar bij het slachtoffer die card was.

De herkenning van die card door het slachtoffer, een EDAH-card en een zwart-wit kopie daarvan in het dossier, dienen primair als onbetrouwbaar terzijde worden geschoven, en subsidiair is er sprake van een verwijtbaar en onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek doordat de regel met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbaar bewijsmateriaal is geschonden hetgeen nadeel veroorzaakt voor de verdachte doordat evident onbetrouwbaar bewijsmateriaal in het dossier is gevoegd.

Ten aanzien van een rol vuilniszakken en een blikje dextro is opgemerkt dat eventuele onderzoeksresultaten zich niet in het dossier bevinden – hetgeen een schending van artikel 152 lid 1 Wetboek van Strafvordering

inhoudt – , en dat die niet meer beschikbaar zijn voor (tegen)onderzoek.

Daarnaast is betoogd dat de bewijswaarde van het handpalmspoor D1 gering is, nu de verdachte in de visie van de verdediging een zgn. “dispenser” van sporen is en de overige aangetroffen sporen niet tot hem herleidbaar zijn. Bovendien zegt het spoor D1 niets over het tijdstip waarop de verdachte daar geweest is.

9 Bewijs: oordeel van het hof

9.1

Feiten 1 en 3: Bewijsuitsluitingsverweren ex artikel

359a Sv

Het hof bespreekt allereerst het telkens voor de feiten 1 en 3 op specifieke onderdelen subsidiair gevoerde verweer ex artikel 359a Wetboek van Strafvordering nu dit een formeel verweer betreft.

De toepassing van artikel 359a Wetboek van Strafvordering is beperkt tot vormverzuimen in de zin van het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften die zijn begaan bij voorbereidend onderzoek dat ex artikel 132 Wetboek van Strafvordering ziet op het onderzoek voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, en mede omvat normschendingen bij de opsporing door de officier van justitie als leider van het opsporingsonderzoek, alles voor zover ter zake de verdachte en de specifiek ten laste gelegde feiten. Dat betekent dat indien een vormverzuim wordt geconstateerd en indien de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal daardoor wordt aangetast, er reden kan zijn daaraan enig rechtsgevolg te verbinden voor zover de verdachte door het verzuim daadwerkelijk is geschaad, een en ander afhankelijk van het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, dan wel wanneer in het vooronderzoek ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte te kort is gedaan aan diens recht op een eerlijk proces.

Zoals hiervoor bij de bespreking van het verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie overwogen doet zich die laatstgenoemde situatie niet voor zodat het verweer voor zover het hier op gegrond is reeds om die reden wordt verworpen.

Bij de bespreking van het verweer komt ook betekenis toe aan het volgende. Gesteld al dat de verdediging reden had tot twijfel aan de authenticiteit van bepaalde in beslag genomen goederen en gesteld dat nader onderzoek aan die goederen in de visie van de verdediging noodzakelijk was geweest, dan valt naar het oordeel van het hof niet in te zien waarom een en ander niet hersteld had kunnen worden in de periode nadat de verdediging in de persoon van mr. Kamans bijstand is gaan verlenen aan de verdachte, te weten vanaf –omstreeks- 10 juni 2000, nu immers moet worden aangenomen dat die goederen toentertijd nog voor onderzoek beschikbaar waren. Dat nalaten kan niet thans worden tegengeworpen als een vormverzuim.

In samenhang met hetgeen hiervoor bij de bespreking van het verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie reeds is overwogen stelt het hof daarnaast vast dat de verdediging haar verweer ex artikel 359a Wetboek van Strafvordering telkens grondt op een materieel aspect, te weten dat van de bewijswaardering. Dit laatste blijkt ook nog uit de omstandigheid dat de verdediging telkenmale als het belang dat het in haar visie geschonden voorschrift dient de schending van artikel 338 Wetboek van Strafvordering aanvoert, hetgeen een instructienorm aan de rechter is in de fase van de bewijswaardering zoals bedoeld in het beslissingsmodel van de artikelen 348-350 van het Wetboek van Strafvordering. Om die reden is het verweer derhalve ook overigens onvoldoende met redenen omkleed.

Dit brengt het hof tot het oordeel dat geen sprake is van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering dat de conclusie rechtvaardigt dat bewijsuitsluiting dient te volgen. De verweren op dit punt worden verworpen.

9.2

Feit 1: gekwalificeerde doodslag op mevrouw

[slachtoffer 1] 7

9.2.1

Bewijsuitsluitingsverweren betreffende dactyloscopische sporen

1.

Aan haar stelling dat de dactyloscopische sporen 2, 3, 4 en 5 van het bewijs dienen te worden uitgesloten legt de verdediging allereerst ten grondslag dat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de foliën in het dossier de authentieke foliën zijn zoals afgenomen op de plaats delict. Ter onderbouwing wordt aangevoerd dat, nu uit het rapport van de deskundige Ten Hove d.d. 9 oktober 2015 volgt dat Ten Hove de beschikking had over handpalmspoor 5 waarvan het schutblad niet was verwijderd, en nu uit het rapport van deskundige Ten Hove d.d. 22 september 2016 volgt dat de bloedvlek in handpalmspoor 5 is bemonsterd met wattenstaafje T67, het handpalmspoor 5 dat door [verbalisant 3] is onderzocht d.d. 8 april 2015 niet hetzelfde spoor kan zijn nu [verbalisant 3] bij gelegenheid van zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris d.d. 3 oktober 2016 verklaart dat hij op folie 5 geen incisie heeft waargenomen.

Het hof overweegt dat op grond van de stukken kan worden vastgesteld dat in de woning van het slachtoffer bij gelegenheid van het technisch onderzoek d.d. 16 augustus 1995 door technisch-rechercheur [verbalisant 4] dactyloscopische sporen zijn afgenomen op foliën. Het betreft sporen aan de buitenzijde van de voordeur, spoor 1, onder de voordeurbel, spoor 2, en in de gang, 3 sporen, genummerd 3, 4 en 5, links aan de gangwand, op de respectievelijke hoogten van 105, 100 en 65 cm.8 Na overleg met de coördinator dactyloscopie [verbalisant 1] heeft [verbalisant 4] spoor 5 dat bloed en een haar bevatte toen het op folie werd afgenomen, alsnog bemonsterd op 18 oktober 1995. Het bloed in spoor 5 is veiliggesteld onder nummer T67 en de haar is veiliggesteld onder T68 en op 19 oktober 1995 ter beschikking gesteld van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.9 T67 en T68 passen bij het slachtoffer.10

De dactyloscopische sporen 2, 3, 4 en 5 zijn tevens onderzocht. Het vingerspoor 2 is door [verbalisant 2] onderzocht; de handpalmsporen zijn door [verbalisant 1] onderzocht. Ten Hove heeft ten behoeve van de door hem te verrichten contra-expertise voor zover op dit punt van belang de beschikking gekregen over een folie met spoor 5. Hij merkt in zijn rapport d.d. 9 oktober 2015 op dat uit de hem tevens verstrekte informatie kan worden opgemaakt dat spoor 5 is bemonsterd maar niet hoe het is bemonsterd. In zijn rapport d.d. 28 oktober 2015 geeft Ten Hove aan dat hij ten aanzien van spoor 5 op basis van zowel onderzoek op grond van de vergelijkingsafdruk uit 1995 als van de vergelijkingsafdruk uit 2015 tot de conclusie komt dat het spoor 5 bruikbaar is en dat beide dactyloscopische signalementen afkomstig zijn van een en dezelfde persoon. Uit het rapport van Ten Hove d.d. 22 september 2016 volgt dat spoor 5 in een gesloten gripzakje bij het NFI is aangeleverd. [verbalisant 3] heeft op 7 april 2015 een folie handpalmspoor 5 ontvangen ter nader onderzoek naar aanwezig bloed. Hij heeft een incisie gemaakt in het hem aangeleverde spoor, een bloedspat getest en met een stukje cellotape de incisie afgesloten.11 Het hof stelt in verband met hetgeen getuige [verbalisant 2] bij gelegenheid van haar verhoor door de raadsheer-commissaris d.d. 3 oktober 2016 heeft verklaard over handpalmspoor 5, te weten dat het handschrift op het pergamijnen zakje waarover Ten Hove d.d. 28 oktober 2015 rapporteert van haar is, vast dat de bij het rapport van [verbalisant 3] behorende folie handpalmspoor 5 identiek is aan de folie handpalmspoor 5 die aan Ten Hove ter beschikking stond. Het hof stelt tevens vast dat in het door [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 16 december 1995 opgemaakte proces-verbaal dit het zelfde nummer 10279A/96 bevat als vermeld op het pergamijnen zakje voornoemd. Bij gelegenheid van zijn verhoor door de raadsheer-commissaris d.d. 26 september 2016 heeft [verbalisant 1] verklaard dat hij bij spoor 5 voelt dat er een cellotapeje over zit. Niet gesteld of gebleken is dat het aan [verbalisant 2] en [verbalisant 3] getoonde spoor 5 een ander is dat hetgeen aan [verbalisant 1] is getoond. In onderlinge samenhang bezien leidt dit het hof tot de conclusie dat geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten aannemelijk zijn geworden voor de stelling van de verdediging en dat spoor 5 tot het bewijs gebezigd kan worden. Het verweer op dit onderdeel wordt verworpen.

2.

Daarnaast voert de verdediging aan dat de voormalig chef dactyloscopie [verbalisant 1] spoor 2 eerst niet voor identificatie geschikt achtte,12 terwijl hij bij gelegenheid van zijn verhoor door de raadsheer-commissaris d.d. 26 september 2016 verklaart dat het hem op dat moment getoonde spoor 2 niet voorzien is van de vermelding NB (niet bruikbaar) en dat hij dit spoor wel voor identificatie geschikt acht, reden waarom dit folie 2 niet hetzelfde kan zijn als het authentieke folie dat op 17 augustus 1995 op de plaats delict is afgenomen.

Het hof overweegt ten aanzien van spoor 2 dat op grond van de stukken in het dossier vaststaat dat spoor 2 als eerste door [verbalisant 2] is onderzocht nu zij degene was die in 1995 de vingersporen onderzocht13 terwijl [verbalisant 1] degene was die de handpalmsporen als eerste onderzocht. In 1995 was het volgens [verbalisant 2] zo dat indien men minder dan 12 typica ofwel dacty-punten had, de norm destijds, een spoor als “niet bruikbaar” werd beoordeeld. De werkwijze op grond waarvan tot een dergelijke conclusie werd gekomen was visueel, dat wil zeggen door het bekijken van een spoor. Toentertijd en nu nog wordt een spoor steeds door meerdere personen bekeken.14 Niet gesteld of gebleken is dat het bij gelegenheid van het verhoor bij de raadsheer-commissaris aan [verbalisant 2] getoonde spoor 2 een ander is dan hetgeen aan [verbalisant 1] is getoond. Het hof leidt uit bovenstaande af dat [verbalisant 1] de tweede lezer was van het door [verbalisant 2] onderzochte spoor 2. Aangezien [verbalisant 2] spoor 2 wel bruikbaar achtte ligt het derhalve in de rede dat zij om die reden spoor 2 niet van de aanduiding “NB” voorzag, zodat hetgeen door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van het niet vermeld zijn van “NB” op spoor 2 geen doel treft. Ook overigens volgt uit een verschil van oordeel over hetzelfde spoor zoals dat het geval was bij [verbalisant 1] destijds, niet noodzakelijkerwijs dat dit het spoor als zodanig ongeschikt is voor identificatie. [verbalisant 1] verklaart bij gelegenheid van zijn verhoor door de raadsheer-commissaris dat hij destijds tot zijn oordeel ten aanzien van spoor 2 is gekomen omdat hij niet op 10 dacty-punten zal zijn gekomen. Hij voegt daar aan toe dat inmiddels in Havank ter identificatie gezocht kan worden bij 7 dacty-punten.15 Ten Hove acht spoor 2 geschikt omdat er 12 dacty-punten zijn en hij geeft aan dat hij ook voor spoor 2 tot zijn conclusie is gekomen op basis van de beide dactyloscopische signalementen die van één persoon afkomstig zijn.16 In onderlinge samenhang bezien leidt hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat hetgeen door de verdediging is betoogd geen doel treft en dat het spoor 2 tot het bewijs gebezigd kan worden. Het verweer op dit onderdeel wordt verworpen.

3.

Tevens wijst de verdediging op de omstandigheid dat er volgens deskundige Ten Hove in diens rapport d.d. 9 oktober 2015, p. 9, geen in bloed gezette papillair-lijnen aanwezig zijn in de sporen 3 en 5, terwijl de technische recherche deze wel vermeld.

Het hof verwerpt het verweer op dit onderdeel nu het feitelijke grondslag mist. Ten Hove maakt in bedoeld rapport ten aanzien van de sporen 3 en 5 namelijk wel melding van de aanwezigheid van papillair-lijnen en geeft daarbij aan dat naar zijn mening de vermelding door de verbalisanten “in bloed gezet” een aanname is waarover geen uitspraak mogelijk is. Dat betekent dat ook hier sprake is van een waarderingskwestie van bewijsmiddelen die naar het oordeel van het hof niet tot de uitsluiting van spoor 2 leidt. Het verweer op dit onderdeel wordt verworpen.

4.

Voorts voert de verdediging aan dat uit de kopie van de identificatiestaat van verdachte die is getoond aan de getuige [verbalisant 1] bij gelegenheid van diens verhoor bij de raadsheer-commissaris d.d. 26 september 2016 blijkt, dat deze met potlood is ingevuld, terwijl [verbalisant 1] heeft verklaard dat een identificatiestaat met pen diende te worden ingevuld.

Naar het oordeel van het hof onderbouwt de verdediging met het voorgaande niet op grond waarvan daaruit de conclusie moet worden getrokken die leidt tot de bewijsuitsluiting van de dactyloscopische sporen 2, 3, 4 en 5. Ook overigens treft het verweer naar het oordeel van het hof op dit punt geen doel nu uit voornoemd verhoor van [verbalisant 1] volgt dat deze blauwe pen waarneemt en iets dat niet met donkerblauwe pen, een andere kleur is geschreven,17 terwijl het de verdediging is geweest die de getuige heeft voorgehouden dat het ook potlood zou kunnen zijn. Het verweer op dit onderdeel wordt verworpen.

5.

Tot slot heeft de verdediging betoogd dat er geen ononderbroken “chain of evidence”/“chain of custody” is geweest, nu de werkwijze in 1995 met betrekking tot het bewaren van openstaande sporen er uit bestond om deze in een onafgesloten bakje te bewaren.

Het hof stelt vast dat de getuigen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] bij gelegenheid van hun verhoren door de raadsheer-commissaris d.d. 3 oktober 2016 en 26 september 2016 verklaren omtrent de werkwijze destijds (hof: 1995) met betrekking tot dactyloscopische sporen. Anders dan de verdediging stelt ten aanzien van het ontbreken van waarborgen, valt naar het oordeel van het hof niet reeds daaruit af te leiden dat er sporen zijn verwisseld. Nadere onderbouwing van de stelling waaruit zou blijken dát sporen zijn verwisseld ontbreekt. Dat geldt tevens voor de stelling dat, anders dan voorgeschreven, geen foto’s zijn gemaakt van de sporen op de plaats delict nu uit die loutere constatering niet noodzakelijkerwijs volgt dat sporen zijn verwisseld. Het verweer faalt derhalve. Het verweer op dit onderdeel wordt verworpen.

Naar het oordeel van het hof zijn de sporen 2, 3, 4 en 5 voldoende betrouwbaar om tot bewijs te kunnen worden gebezigd.

9.2.2

Vermiste voorwerpen

Het Delbana horloge

Hetgeen wordt aangevoerd met betrekking tot het Delbana horloge komt in de kern neer op het uitsluiten van het bewijs van de herkenningen door de zonen en schoondochter van het slachtoffer op de grond dat die niet juist kunnen zijn nu de aan hen getoonde studiofoto van dat horloge niet een aan het object zelf gelijke waarde heeft voor wat betreft het herkennen daarvan, laat staan dat de kopie van die foto die zich in het dossier bevindt volstaat voor de controle.

Het hof stelt op grond van de stukken vast dat het horloge vermeld staat op de (Poolse) beslaglijst naar aanleiding van de doorzoeking d.d. 21 mei 1997 bij de ouders van de verdachte. Het is aangetroffen in een doorzichtig plastic zakje met een Nederlandse sticker. In dat zakje zaten nog meer sieraden.18 De moeder van de verdachte heeft in haar verklaring d.d. 22 mei 1997 aangegeven dat deze sieraden van de verdachte of diens broer zijn. De sieraden waarvan de moeder van de verdachte ook in haar tweede verklaring op 23 mei 1997 heeft aangegeven dat deze niet van haar zijn, heeft de verbalisant gefotografeerd op bladnummer 1 (p. 1010). De moeder van de verdachte verklaart hierover (p. 1008): “op bladnummer 1 liggen sieraden die ik niet als mijn sieraden herken”.19 Op voornoemde foto staat in het midden een horloge afgebeeld, met een rechthoekige wijzerplaat en een schakelarmband en betreft het horloge waarvan later een studiofoto is gemaakt. Als de studiofoto van het in Polen aangetroffen horloge wordt getoond aan de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 1], herkennen zij dit als het horloge van hun (schoon)moeder.20 De omschrijving, die de nabestaanden geruime tijd voorafgaand aan het vinden van het horloge hebben gegeven, past bij de kenmerken van de afbeelding van het horloge op de studiofoto. Het hof heeft mede daarom geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van deze herkenning door de twee zoons en de schoondochter van het slachtoffer. Reeds omdat de herkenningen hebben plaatsgevonden op basis van de studiofoto valt niet in te zien waarom de zich thans in het dossier bevindende kopie van de studiofoto, waardoor voor het hof toetsbaar is op grond waarvan de herkenning heeft plaatsgevonden, van het bewijs zou moeten worden uitgesloten. Dit klemt temeer nu ook niet gesteld of gebleken is dat dit een andere afbeelding van het horloge betreft dan die op de originele studiofoto staat. Ten aanzien van eventueel onderzoek aan het thans niet meer te traceren horloge merkt het hof op dat de verdediging ten aanzien van het Delbana horloge bij gelegenheid van de regiezitting d.d. 24 mei 2016 uiteindelijk om niet meer heeft verzocht dan om voeging van originele afdrukken van de foto van dat horloge, terwijl aan de nabestaanden de volledige reeks van 31 foto’s is getoond.21 Dat ook deze thans niet langer beschikbaar zijn doet aan die herkenning niet af.

De stelling van de verdediging dat de wijzerplaat van het horloge zoals zichtbaar op de studiofoto22 anders van vorm en kleur is dan die op de foto waar het slachtoffer het horloge draagt, is niet nader onderbouwd en geeft ook overigens geen aanleiding tot twijfel aan de herkenningen van het horloge door de nabestaanden van het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof is derhalve geen reden tot bewijsuitsluiting, zoals door de verdediging betoogd. Het verweer wordt verworpen.

Postwissel

De verdediging stelt dat de (afbeelding van de) postwissel niet tot bewijs kan worden gebezigd nu zij sterke aanwijzingen heeft dat de datum van die postwissel niet 16 augustus 1995 is, maar 14 augustus 1995 (het hof begrijpt: vóór het pleegmoment van feit 1). Nu verbalisant [verbalisant 8] heeft nagelaten te verifiëren wat hem met betrekking tot de op de postwissel vermelde datum is voorgehouden door de medewerker van Postbank dient ook zijn verklaring als onbetrouwbaar terzijde te worden geschoven.

Het hof stelt allereerst vast dat het nummer van de vanuit Nederland verstuurde postwissel,23 te weten [nummer postwissel], identiek is aan het nummer van de in Polen afgestempelde en verzilverde postwissel. Er is derhalve geen twijfel over mogelijk dat de verdachte geld heeft opgestuurd aan zijn moeder in Polen. Dan is de vraag of er enige reden is tot twijfel aan hetgeen de medewerker van Postbank heeft voorgelezen aan verbalisant [verbalisant 8]. De verdediging heeft daartoe thans gesteld dat het cijfer “6” in de datum aanleiding geeft tot twijfel nu die “6” ook een “4” zou kunnen zijn. Het hof deelt die visie niet nu op de kopie van de verzilverde postwissel die zich in de stukken bevindt24 en die in vergrootte vorm nog eens door de verdediging is overgelegd het cijfer 6 waarneembaar is, waarbij het hof nog opmerkt dat het tevens in de datum vermeldde cijfer 9 qua beeld geen ander patroon vertoont voor wat betreft het naar boven (bij de “6”) of naar beneden (bij de “9”) gerichte gedeelte; de weergave van het cijfer 9 is door de verdediging niet betwist. Naar het oordeel van het hof is op grond van het hiervoor overwogene geen reden tot bewijsuitsluiting aanwezig. Het verweer wordt verworpen.

9.2.3

DNA-materiaal peuken T19 en T20

De verdediging betoogt dat de verkregen resultaten van DNA-onderzoek met betrekking tot de sigarettenpeuken T19 en T20 c.q. AUA805 en AUA806 als onbetrouwbaar terzijde dienen te worden geschoven nu er twijfel bestaat aan de authenticiteit van de onderzochte sigarettenpeuken gelet op de brief van de rechter-commissaris d.d. 20 juni 2000, waar uit blijkt dat sprake was van vier sigarettenpeuken met verschillend kenmerk, en niet van twee.

Het hof stelt op grond van de stukken vast dat in de woning van het slachtoffer zijn veiliggesteld 2 sigarettenpeuken: 1 uit de gootsteen T19 (tevens onder nummer AUA805), en 1 uit een bierpul in de achterkamer, T20 (tevens onder nummer AUA806).25 De stukken bevatten geen aanknopingspunt voor het bestaan van sporen met als nummers AWA805 en AWA806 en het bestaan daarvan is ook overigens niet aannemelijk geworden. Wel bevinden zich bij de stukken het rapport van de NFI-onderzoeker Dieltjes d.d. 19 januari 2015 en, als contra-expertise, het rapport van Herbergs d.d. 30 september 2015. In beide rapporten wordt slechts melding gemaakt van twee sigarettenpeuken, T19 en T20, met ook hier een aanvullend nummer per peuk. Dat betekent dat de vermelding in de brief van de rechter-commissaris d.d. 20 juni 2000 van de nummers AWA805 en AWA806 op grond waarvan de verdediging tot haar stelling komt, voor een kennelijke misslag dient te worden gehouden nu ook de aanvragen voor onderzoek aan de betreffende peuken de vermeldingen T19/AUA805 en T20/AUA806 bevatten.26 Het verweer wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat het bloedmonster van de verdachte uit Engeland in 1997 onrechtmatig is verkregen, stelt het hof vast dat de verdachte in de Engelse strafzaak vrijwillig bloed heeft gegeven.27 Op 27 januari 1997 heeft het Gerechtelijk laboratorium van de politie Rotterdam een gedroogd bloedmonster vanuit Engeland van de verdachte ontvangen.28 Dit bloedmonster is op grond van een aanvullend rechtshulpverzoek d.d. 27 januari 1997 naar Nederland gekomen.29 Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een onrechtmatigheid in de verkrijging van het bloedmonster, zodat het verweer wordt verworpen.

9.2.4

Plaatsing in de tijd van dactyloscopische sporen

Dit verweer behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking nu dit zijn weerlegging vindt in de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen.

9.2.5

Alternatieve scenario’s

Zoals hierboven reeds overwogen bij de bespreking van het verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dient vooropgesteld te worden dat het Openbaar Ministerie dominus litis is en na opsporingsonderzoek beslist of een verdachte al dan niet vervolgd gaat worden en of de zaak zal worden aangebracht bij de rechter.

Het hof overweegt verder dat hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de alternatieve scenario’s V1 en V2 niet een alternatief scenario is zoals bedoeld in de vaste jurisprudentie, te weten de bestrijding van het aan de verdachte tenlastegelegde in de zin van het geven van een alternatieve lezing van de gebeurtenissen en/of de handelingen die door de verdachte zijn verricht, die niet zouden stroken met een bewezenverklaring. De onderbouwing die de verdediging geeft voor de scenario’s V1 en V2 behelst immers ten aanzien van V1 niet meer dan dat het denkbaar is dat hij (en niet de verdachte) de dader is hetgeen zijn weerspreking reeds vindt in de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie na onderzoek naar deze V1 (daaronder verhoren en technisch onderzoek)30 niet tot vervolging is overgegaan. Ook de stelling van de verdediging dat het zeer aannemelijk is dat V2 te maken heeft gehad met de dood van het slachtoffer vindt zijn weerspreking in de omstandigheid dat deze persoon en wel juist als verdachte van het onderhavige strafbare feit enige tijd aangehouden is geweest en dat naar haar door het Openbaar Ministerie uitvoerig onderzoek is verricht (in de vorm van verhoren waaronder ook een studioverhoor en getuigenverhoren, technisch onderzoek en een reconstructie op de plaats delict), terwijl dit voor wat betreft V2 nu juist niet heeft geleid tot het aanbrengen van de zaak van deze verdachte bij de rechter.

Het hiervoor overwogene brengt met zich dat aan het hof in de onderhavige zaak niet de taak van een weging van scenario’s voorligt, doch te beoordelen of ten aanzien van deze verdachte, wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor hetgeen hem ten laste is gelegd.

Voor zover ten aanzien van de verdachte nog is beoogd te betogen dat hetgeen de verdachte aanvoert met betrekking tot zijn mogelijke aanwezigheid in huizen waar hij naar zijn eigen zeggen misschien was om werkzaamheden te verrichten voor iemand aangeduid als [persoon 2], dan wel (in de buurt van huizen) aanwezig was in het kader van zijn taak om iemand aangeduid als [persoon 3] rond te rijden terwijl dan die [persoon 3] telkens bij huizen naar binnen ging, heeft te gelden als een alternatieve lezing, is dat naar het oordeel van het hof volstrekt niet nader onderbouwd en overigens op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

9.2.6

Feiten en omstandigheden

Op grond van hetgeen hierboven reeds is overwogen en van hetgeen zich overigens in het dossier bevindt stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

De zus van het slachtoffer, mevrouw [zus van slachtoffer 1], wordt op woensdag 16 augustus 1995 gebeld door [zoon 2 van slachtoffer 1], de zoon van het slachtoffer mevrouw [slachtoffer 1], met de vraag of zij iets van zijn moeder heeft gehoord. Op die dag komt [betrokkene 1] bij zijn moeder, mevrouw [zus van slachtoffer 1], lunchen en als hij van dat telefoontje hoort biedt hij ter geruststelling van zijn moeder aan om te gaan kijken bij de woning. Hij rijdt vervolgens met zijn collega van Eneco in de bedrijfsauto naar de [adres 1] te Rotterdam. Zij zijn rond 12.45-13.00 uur ter plaatse. Zij bellen aan, maar er wordt niet opengedaan. De gordijnen aan de voorzijde van de woning zijn dicht. Via de woning van een buurvrouw lopen zij dan via een gat in de heg naar de tuin achter de woning van het slachtoffer. De gordijnen achter zijn ook dicht. [betrokkene 1] ziet door een kleine opening dat twee bloempotten tussen de ruit en de gordijnen liggen. Hij ziet dat de knippen van de keukendeur dicht zijn. Ook alle ramen zijn dicht. De collega van [betrokkene 1], [betrokkene 2], haalt een zaklamp uit de auto om door de kleine opening in het gordijn te kijken. [betrokkene 1] ziet voorwerpen op de grond liggen en omdat mevrouw [slachtoffer 1] erg precies is, krijgt hij argwaan en denkt dat er iets ergs is gebeurd. Terug op het werk belt hij zijn neef [zoon 2 van slachtoffer 1]. Diens vrouw neemt op en vertelt dat de maatschappelijk werkster met een agent naar de woning komt. Rond 15.00 uur is [betrokkene 1] terug bij de woning en om 15.30 uur komt de maatschappelijk werkster met de wijkagent.31 Als er een collega van de wijkagent komt, wordt de woning opengebroken en treft men het slachtoffer aan. Zij ligt te midden van een heleboel spullen, deels onder kleding, met vastgebonden handen en voeten, op de grond en blijkt te zijn overleden.32

De politie reconstrueert wat het slachtoffer de laatste dagen voor haar dood heeft gedaan. Een vrijwilligster van de bejaardensoos bij Open Huis Crooswijk, mevrouw [betrokkene 4], verklaart dat het slachtoffer op maandag 14 augustus rond 16.45 uur lopend van de soos naar huis is gegaan.33 Verder blijkt dat het slachtoffer niet open deed toen op dinsdag 15 augustus 1995 de heer [betrokkene 5] van Vervoer op Maat haar kwam ophalen rond het middaguur.34 [Betrokkene 5] ziet dat de gordijnen aan de voorkant dicht zijn, hij kijkt door de brievenbus maar ziet niets omdat het donker is in de woning. Op 16 augustus 1995 heeft de ouderenwerkster mevrouw [betrokkene 6] om 10.30 uur een afspraak met het slachtoffer. Er wordt niet opgedaan, de gordijnen zijn dicht. Mevrouw [betrokkene 6] is degene die rond 11.00-11.30 uur contact opneemt met zoon [zoon 2 van slachtoffer 1].35

Bezoekers en medewerkers van de soos zijn als getuigen gehoord, alsook medewerkers van Thuiszorg en de zus van het slachtoffer, [zus van slachtoffer 1]. Uit die verklaringen komt het beeld naar voren van het slachtoffer als iemand die voorzichtig was met geld en geld uitgeven, zelfs gierig was,36 en iemand die de deur niet opendeed voor onbekenden en als zij thuiskwam altijd de deur op slot deed.37 Verder was haar woning erg vol maar niet vervuild en alles had een eigen plaatsje.38 Volgens meerdere getuigen rookte het slachtoffer niet.39 Zij had zelfs een hekel aan rokers, aldus een medewerker van de thuiszorg.40

Op het stoffelijk overschot wordt onderzoek verricht door de patholoog. Die constateert een breuk van het strottenhoofd en tongbeen door uitwendig samendrukkend geweld op de hals, bijv. wurghandelingen, huidkneuzingen en onderhuidse bloeduitstortingen aan gelaat, achterhoofd en hals, opgeleverd door inwerking van uitwendig geweld (bijvoorbeeld slaan, stoten of vallen) en ribbreuken door samendrukkend geweld op de borst.41

De politie doet onderzoek in de woning, er worden sporen aangetroffen42 en er wordt onderzocht of en zo ja, wat er uit de woning wordt gemist en dus mogelijk is weggenomen. Een bankpas en sieraden ontbreken.43 [zoon 2 van slachtoffer 1] beschrijft later wat zijn moeder vaak droeg: een zilveren dameshorloge met langwerpig blauwkleurige wijzerplaat, en hij geeft een foto waarop zijn moeder staat terwijl ze dat horloge draagt.44

Als later de post wordt geopend blijkt dat er geldopnames zijn geweest met de weggenomen bankpas. Het slachtoffer maakte volgens getuigen geen gebruik van de pincode bij haar bankpas; volgens haar zoon [zoon 1 van slachtoffer 1] had zij de pincode op een briefje geschreven.45 Uit onderzoek in haar woning blijkt dat de map van haar bank, VSB, open lag.46 De bankopnames zijn pinopnames geweest op ongebruikelijke tijdstippen in de nacht, in totaal fl. 4.975,- ten nadele van het slachtoffer. Deze pinopnames hebben plaatsgevonden bij de pinautomaten aan de Beijerlandselaan en de Pretorialaan te Rotterdam.47

De verdenking jegens de verdachte is gerezen op basis van de uitkomst van dactyloscopisch onderzoek. Bij gelegenheid van het technisch onderzoek zijn dactyloscopische sporen afgenomen op foliën.48 Op de voordeur van de woning aan de [adres 1] is, 3 centimeter onder de voordeurbel, een vingerspoor aangetroffen (spoor 2). Voorts zijn er drie handpalmsporen aangetroffen tegen

-vanaf de voordeur bezien- de linkerwand van de gang:

  • -

    een handpalmspoor op een afstand van 100 cm. van de buitendeur en op een hoogte van 105 cm. (spoor 3);

  • -

    een handpalmspoor op een afstand van 105 cm van de buitendeur en op een hoogte van 100 cm. (spoor 4);

  • -

    een handpalmspoor op een afstand van 160 cm. van de buitendeur en op een hoogte van 65 cm. (spoor 5).49

De sporen zijn onderzocht. De sporen 4 en 5 zijn volgens de coördinator Dactyloscopie van de regiopolitie Rotterdam Rijnmond, [verbalisant 1], van één donor afkomstig, terwijl spoor 3 met “een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” overeenkomt met 4 en 5.50

Verder zijn in de woning [adres 1] veiliggesteld diverse materialen en voorwerpen, waaronder het monster T18, dat 1 vezel vanaf de wc-bril en 1 schaamhaar bleek te bevatten. Het Gerechtelijk Laboratorium heeft vervolgens onderzoek naar de haar gedaan.51

In de woning zijn tevens veiliggesteld twee sigarettenpeuken, één afkomstig uit de gootsteen (T19, AUA805) en één uit een bierpul in de achterkamer (T20, AUA806). Naar deze voorwerpen heeft het Gerechtelijk Laboratorium ook onderzoek gedaan. De toxicoloog Kockx concludeert in zijn rapport d.d. 11 januari 1996 dat de DNA profielen van de peuken T19 en T20 en het haarwortelmateriaal van T18 onderling geheel overeenkomen. Dat betekent dat de peuken gerookt kunnen zijn door de persoon van wie de haar afkomstig is.52

Naar de dactyloscopische sporen is vervolgens nader onderzoek gedaan. Spoor 2 is vergeleken met het landelijk vingerafdrukkenbestand van de politie. De uitkomst van dat onderzoek is volgens technisch rechercheur [verbalisant 2] dat spoor 2 op ten minste 12 punten overeenkomt met de afdruk van de rechterduim van een dactyloscopisch signalement van een persoon aangeduid als [betrokkene 7]. Dit signalement is aangemaakt bij gelegenheid van een onderzoek naar een strafbaar feit in Schiedam in 1995 en leidt naar de verdachte met de naam [verdachte]. Technisch rechercheur [verbalisant 1] heeft de sporen 3, 4 en 5 vergeleken met de afdrukken van de handpalmen op dat dactyloscopisch signalement en concludeert dat die overeenkomen.53 Door forensisch technisch analist J.R. ten Hove is een contra-expertise uitgevoerd naar de sporen 2 tot en met 5 en ook hij komt tot de conclusie dat – kort gezegd – de sporen 2, 3, 4 en 5 toebehoren aan de verdachte [verdachte].54 Bij gelegenheid van zijn nader onderzoek in –onder meer- 2016 is Ten Hove niet gekomen tot andere conclusies.55

Op 9 december 1996 volgt een aanhoudingsbevel voor feit 1 van [verdachte], houder van paspoortnummer [paspoortnummer]. Op basis van een bericht van Interpol Londen in de zaak [Engelse strafzaak], waarbij is gemeld dat foto’s en vingerafdrukken van de drie verdachten in die zaak bekend zijn, zijn sporen vergeleken. Op 24 december 1996 krijgt Interpol Den Haag het bericht dat de aangeleverde sporen hebben geleid tot een positieve identificatie van twee verdachten in de zaak [Engelse strafzaak], waaronder [medeverdachte] (geboortedatum [geboortedatum]).56 Van deze [medeverdachte] komen de dactyloscopische gegevens uit Londen voor als [betrokkene 7] (geboortedatum [geboortedatum]) alias [verdachte] (geboortedatum [geboortedatum]).57 Uiteindelijk wordt (onder andere) [verdachte] als verdachte aangemerkt.58

Op 21 mei 1997 is de ouderlijke woning van de verdachte te [adres] in Polen doorzocht. Er is daarbij onder meer een doorzichtige plastic tas voorzien van een Nederlandse sticker met daarin zilverkleurige sieraden veiliggesteld.59 De moeder van de verdachte heeft hier in haar eerste verklaring over verklaard dat deze sieraden van de verdachte of van haar andere zoon, [broer van verdachte], zijn.60 De sieraden waarvan de moeder van de verdachte ook in haar tweede verklaring op 23 mei 1997 heeft aangegeven dat deze niet van haar zijn, heeft de verbalisant gefotografeerd op bladnummer 1 (p. 1010). De moeder van de verdachte verklaart hierover (p. 1008): “op blad nr. 1 liggen sieraden die ik niet als mijn sieraden herken”.61 Op voornoemde foto staat in het midden een horloge afgebeeld, met een rechthoekige wijzerplaat en een schakelarmband en betreft het horloge waarvan later een studiofoto is gemaakt. Als de studiofoto van het in Polen aangetroffen horloge wordt getoond aan de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 1], herkennen zij dit als het horloge van hun (schoon)moeder.62

Het hof acht hetgeen de verdachte heeft verklaard voor wat betreft de herkomst van deze goederen niet aannemelijk geworden.

Voorts is er bij de ouders van de verdachte een postwisselstrookje ten bedrage van PLN 2.919,08

(fl. 1.900,-) op naam van [verdachte] aangetroffen.63 Middels deze postwissel stuurde de verdachte vanuit een postkantoor te Rotterdam op 16 augustus 1995 fl. 1.900,- naar zijn ouderlijke woning.64 [betrokkene 8] heeft verklaard dat zij de verdachte heeft geholpen met het invullen van de postwissel.65

Op 15 mei 2013 wordt er door H.J.T. Janssen van het Nederlands Forensisch Instituut nader onderzoek gedaan naar (onder andere) de voornoemde sigarettenpeuk T19 en de schaamhaar T18, in combinatie met een referentiemonster bloed van de verdachte. Het resultaat is dat het DNA op de sigarettenpeuk T19 en op de schaamhaar T18 een match oplevert met het DNA-profiel van de verdachte. De matchkans is kleiner dan één op één miljard.66

Op 10 november 2014 wordt de verdachte op basis van een Europees arrestatiebevel aangehouden en overgedragen door de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk onder de naam [naam].67 Uit het proces-verbaal van de voorgeleiding valt op te maken dat de verdachte later op geeft te zijn genaamd [verdachte].68

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien brengt het hof tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, op de wijze zoals hierna onder punt 10 is bewezenverklaard.

9.3

Feit 3: woningoverval op de [adres 3] te Rotterdam

9.3.1

Bewijsuitsluitingsverweren

Verklaring getuige [getuige 1]

Het hof bezigt de verklaring van de getuige [getuige 1] d.d. 14 juli 1998 naar aanleiding van een fotoconfrontatie,69 opgenomen in het kader van de uitvoering van het Poolse rechtshulpverzoek onder nummer V1 Ds. 6/8/S d.d. 24 februari 1998, niet tot het bewijs. Het verweer daaromtrent behoeft derhalve geen bespreking.

Strijkijzer

Het hof bezigt niet tot bewijs de foto van het strijkijzer, en de herkenningen daarvan. Het verweer daaromtrent behoeft derhalve geen bespreking.

Indus horloge

De verdediging heeft bepleit dat de foto van het Indus horloge en de herkenningen van het horloge door het slachtoffer en haar zoon en schoondochter als onbetrouwbaar van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Allereerst kan uit de omstandigheid dat op de lijst van gestolen goederen niet een Indus horloge vermeld staat, niet de conclusie volgen dat het op 21 mei 1997 bij gelegenheid van een doorzoeking bij de ouders van de verdachte te [adres]70 aangetroffen horloge derhalve niet dat van het slachtoffer [slachtoffer 3] kan zijn.

Ten aanzien van het in Polen aantreffen van een Indus horloge overweegt het hof verder dat bij voornoemde doorzoeking een witkleurige metalen ketting met als hangertje een horloge van het merk Indus is aangetroffen in een plastic zakje met een Nederlandse sticker.71 Aan de moeder van de verdachte, [moeder van verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], is een aantal sieraden getoond. Een foto van de getoonde sieraden is als bijlage bij haar verklaring gevoegd.72 Op de foto nummer 1 is een blad te zien met daarop een aantal sieraden, waaronder een ketting met daaraan als hanger een horloge. [moeder van verdachte] heeft over de sieraden die op blad 1 aan haar zijn getoond verklaard dat zij die niet als haar sieraden herkent.73 Op 22 mei 1997 heeft zij over de bijouterie in een plastic zakje met daarop een Nederlandse sticker verklaard dat deze van de jongens zijn, [verdachte] en [broer van verdachte], die ze uitdeelden aan hun favoriete vriendinnen. Zij weet niet hoe die in haar woning terecht zijn gekomen.74

Op woensdag 4 juni 1997 is een aantal foto’s getoond aan de heer [zoon van slachtoffer 3], zoon van mevrouw [slachtoffer 3]. Hij heeft op een aan hem getoonde foto een horloge aan een halsketting als horloge van zijn moeder herkend. Hij heeft daarbij aangegeven: “Wij hebben dit horloge namelijk jaren geleden zelf aan mijn moeder gegeven.”75 Op donderdag 5 juni 1997 zijn dezelfde foto’s aan mevrouw [schoondochter van slachtoffer 3], schoondochter van mevrouw [slachtoffer 3] getoond. Ook zij heeft de horloge herkend en aangegeven dat het ongeveer 18 jaar geleden aan haar schoonmoeder is gegeven. Zij heeft voorts aangegeven dat zij het horloge destijds hebben gekocht bij juwelier [juwelier] te Rotterdam.76 Hoewel het horloge zelf niet meer beschikbaar is, is een kopie van de getoonde foto als bijlage bij het proces verbaal gevoegd,77 zodat voor het hof toetsbaar is welke foto aan de getuigen is getoond. Deze foto is ook aan de betreffende juwelier getoond. De juwelier heeft verklaard dat hij soortgelijke horloges ongeveer 20 jaar geleden verkocht.78 Anders dan de verdediging stelt, namelijk dat het slachtoffer het horloge niet heeft herkend bij gelegenheid van haar verklaring d.d. 4 juni 1997, stelt het hof vast dat het slachtoffer zich over het horloge niet uitlaat maar slechts over het strijkijzer, foto 27, en een hanger met een blauwe steen, foto 4, waarvan zij niet meer zegt dan dat het vermoedelijk aan haar toebehoort.79 Bij die verklaring is gevoegd een kopie van de foto van het Indus horloge onder vermelding van “kopie van foto 2”, terwijl foto 4 onderdeel is van een serie foto’s uit de huiselijke kring van het slachtoffer. Dat het sieraad op foto 4 aan de moeder van de verdachte toebehoort, zoals de verdediging stelt, valt uit bovenstaande niet te concluderen.

Gelet op het bovenstaande, is het hof van oordeel dat boven redelijke twijfel verheven is, dat het bij de doorzoeking in Polen in beslag genomen horloge afkomstig is van mevrouw [slachtoffer 3]. Het verweer met betrekking tot bewijsuitsluiting wordt derhalve verworpen.

EDAH-card

Bij voornoemde doorzoeking bij de ouders van de verdachte is voorts aangetroffen een EDAH-card met nummer [nummer EDAH-card]. De moeder van de verdachte heeft daarover verklaard dat zij niet weet hoe die card in de woning is gekomen.80

Ten aanzien van deze EDAH-card heeft de verdediging betoogd dat het verwondert dat de politie op 4 juni 1997 niet deze card heeft getoond aan mevrouw [slachtoffer 3] temeer daar deze niet in de aangifte vermeld staat. Op dit punt mist het verweer naar het oordeel van het hof feitelijke grondslag, nu uit de stukken blijkt dat de EDAH-card pas op 14 juli 1998 door de Nederlandse verbalisanten is ontvangen.81

Het hof stelt op grond van de stukken verder vast dat op de kopie van het handgeschreven proces-verbaal van de doorzoeking als nummer van de EDAH-card staat vermeld: [nummer EDAH-card].82 Dat op de uitgetypte versie daarvan waarnaar de verdediging verwijst staat vermeld [nummer 2] is naar het oordeel van het hof een kennelijke verschrijving zodat het verweer op dit punt geen doel treft.

De brief van verbalisant [verbalisant 7] d.d. 4 juni 1997 aan Vendex Food Group vermeldt als nummer [nummer EDAH-card].83 Het antwoord van Vendex Food Group d.d. 5 juni 1997 vermeldt dat het onderzoek is verricht naar de EDAH-card met het nummer [nummer EDAH-card].84 De omstandigheid dat op de bijgevoegde uitdraai als nummer 1 [nummer EDAH-card] 1 staat vermeld doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van de stukken van overtuiging, te meer niet omdat op diezelfde uitdraai staat vermeld dat de houdster van de EDAH-card mevrouw [slachtoffer 3] is, wonend op adres [adres 3] te Rotterdam.

Hetgeen overigens door de verdediging is betoogd op het punt van de EDAH-card is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden.

Gelet op het bovenstaande, is het hof van oordeel dat boven redelijke twijfel verheven is, dat de bij de doorzoeking in Polen in beslag genomen EDAH-card afkomstig is van mevrouw [slachtoffer 3]. Het verweer met betrekking tot bewijsuitsluiting wordt derhalve verworpen.

9.3.2

Verweren betreffende de bewijswaardering

Signalement getuige [getuige 1]

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat er vrijspraak dient te volgen nu het gegeven signalement van de getuige [getuige 1] niet overeenkomt met de persoonskenmerken van de verdachte, overweegt het hof als volgt.

Zoals hierboven bij de bespreking van de bewijsuitsluitingsverweren overwogen, bezigt het hof de verklaring van de getuige [getuige 1] d.d. 14 juli 1998 (waaronder de herkenning van de verdachte in het kader van een zogenaamde foslo-confrontatie) niet tot het bewijs.

Het hof stelt voorts vast dat de verklaring van getuige [getuige 1], voor zover die blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] d.d. 26 juli 1995, geen signalement bevat, wel de vermelding van de waarneming van getuige [getuige 1] dat een man aanbelde bij het adres [adres], dat die man gebrekkig Nederlands sprak en dat hij verdween nadat de getuige met hem richting Rozenlaan liep. In datzelfde proces-verbaal van bevindingen staat als de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 3] dat de man die haar woning binnendrong en haar vastbond met een buitenlands accent sprak.85 Die beide bevindingen staan naar het oordeel van het hof niet zo ver uiteen dat reeds daaruit zou volgen dat vrijspraak dient te volgen voor feit 3. In haar aangifte d.d. 26 juli 1995 verklaart het slachtoffer ten aanzien van de taal waarin de man haar bij de voordeur aansprak daarenboven niet meer dan dat die taal haar onbekend was, maar waarvan zij tegelijkertijd aangeeft dat het mogelijk een Oost-Europese taal was.86 Dat doet naar het oordeel van het hof als zodanig niet af aan de omstandigheid dat die man haar later in het Nederlands zei “Bankpas, giro”, te meer indien in onderling verband bezien met de waarneming van getuige [getuige 1] dat de man gebrekkig Nederlands sprak.87 De verdachte werkte immers gedurende enige tijd in de zomer van 1995 in Nederland en hij verbleef in woningen van Nederlandse verhuurders zodat de stelling dat verdachte geen enkel woord Nederlands sprak niet aannemelijk is geworden.

Ten aanzien van de kleding verklaart het slachtoffer in zeer algemene bewoordingen, te weten dat de man was gekleed in een overhemd terwijl zij zich verder niets van de kleding herinnert, zodat niet reeds om die reden zou volgen dat enige discrepantie tussen de verklaring van het slachtoffer en getuige [getuige 1] vrijspraak tot gevolg zou dienen te hebben.

Hetgeen de verdediging heeft betoogd met betrekking tot het uiterlijk van de verdachte in de zomer van 1995 maakt dat niet anders nu uit de omstandigheid dat de verdachte op de zich in de stukken bevindende foto twee oorbellen draagt, niet onomstotelijk voortvloeit dat hij indien hij de dader zou zijn geweest, deze ook toen zou hebben gedragen. Dat miskent immers de mogelijkheid dat oorbellen naar believen of willekeur kunnen worden uitgedaan.

Rol vuilniszakken en blikje dextro

Het hof volgt de verdediging niet in haar stelling dat het ontbreken van onderzoeksresultaten ten aanzien van de op de plaats delict meegenomen rol vuilniszakken en een blikje dextro zoals vermeld op de sporenkaart een schending van artikel 152 lid 1 Wetboek van Strafvordering oplevert. Het loutere meenemen van een voorwerp impliceert niet een verplichting tot nader onderzoek aan dat voorwerp zodat niet reeds om die reden een verbaliseerplicht zou zijn geschonden. Dat betekent dat hetgeen de verdediging stelt met betrekking tot het niet beschikbaar zijn van genoemde voorwerpen voor nader onderzoek geen doel treft, te meer daar er voor de stelling dat er vermoedelijk dadersporen aanwezig zijn geen nadere onderbouwing wordt gegeven. Het verweer wordt verworpen.

Verdachte als “dispenser”

Ten aanzien van de bewijswaarde van spoor D1 volgt het hof de verdediging niet in haar betoog dat, omdat de verdachte een “dispenser” was, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat hij een linkerhandpalmafdruk heeft achtergelaten, het waarschijnlijk is dat er meer sporen van hem op de plaats delict zouden zijn aangetroffen, terwijl dit nu juist niet het geval is. Het hof overweegt allereerst dat de verdediging niet onderbouwt wat een “dispenser” is en wanneer een persoon als zodanig kan worden aangeduid. Vervolgens kan uit hetgeen de verdediging aanhaalt uit een boek van [verbalisant 10], te weten dat het meestal even duurt nadat iemand een spoor heeft achtergelaten, in combinatie met het gegeven dat de verdachte één spoor heeft achtergelaten, naar het oordeel van het hof logischerwijs niet volgen dat verdachte een “dispenser” is, en al helemaal niet dat hij daarom waarschijnlijk meer sporen zou hebben achtergelaten. Het verweer wordt verworpen.

Bewijswaarde spoor D1 en alternatief scenario

De verdediging stelt dat nu van spoor D1 geen foto is gemaakt op de plaats delict niet vastgesteld kan worden dat aan deskundige Ten Hove het originele folie ter beschikking is gesteld. Naar het oordeel van het hof kan de enkele constatering dat er in de woning aan de [adres 3] geen foto van het spoor is gemaakt, niet tot de conclusie leiden dat niet het originele folie aan de deskundige is verstrekt. Nadere onderbouwing waarom zou dienen te worden getwijfeld aan de authenticiteit van spoor D1 geeft de verdediging niet. Daar komt bij dat Ten Hove ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 oktober 201588 verklaart dat hij een origineel folie bij zich heeft op grond waarvan hij eerst tot zijn bevinding kwam ten aanzien van spoor D1 in zijn rapport d.d. 9 oktober 2015 en dat hij de dag daarvoor een reproductie van voldoende kwaliteit had ontvangen, terwijl hij de resultaten van zijn nader onderzoek daaromtrent in zijn rapport van 28 oktober 2015 neerlegt.

De verdediging heeft voorts gesteld dat het spoor D1 niet meer betekent dan dat de verdachte in de woning op de plaats delict is geweest. Enig nader onderzoek naar de door verdachte gegeven verklaring dat hij daar in het kader van door hem verrichte klussen of werkzaamheden is geweest, is ten onrechte achterwege gebleven. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij “misschien” in de woning is geweest voor werk. Hij heeft toen voorts verklaard dat hij de straat of de omgeving niet kan herinneren. De verdachte heeft niet geconcretiseerd wanneer hij daar (bij benadering) zou zijn geweest en wat voor werkzaamheden daar zouden zijn verricht. Naar het oordeel van het hof is dit alternatieve scenario niet onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden; te meer niet nu van het slachtoffer afkomstige goederen zijn aangetroffen bij de ouders van de verdachte.

9.3.3

Feiten en omstandigheden

Op grond van hetgeen hierboven reeds is overwogen en van hetgeen zich overigens in het dossier bevindt stelt het hof het volgende vast.

Op woensdag 26 juli 1995 is mevrouw [slachtoffer 3], alleen in de woning van haar en haar man, aan de [adres 3] te Rotterdam. Omstreeks 15.00 uur verlaat zij de woning om boodschappen te doen in de supermarkt EDAH. Omstreeks 16.00 uur is zij weer thuis. Kort daarna wordt er aan de voordeur gebeld. Zij kijkt door het raam naar buiten en ziet een man voor de deur. Zij opent de voordeur een klein stukje. De man zegt iets in een voor haar onbekende taal en duwt vervolgens met grote kracht tegen de voordeur. Hij duwt de voordeur open en stapt de hal binnen. Door de kracht van de man wordt zij naar achteren geduwd. Als hij in de hal staat, geeft hij haar met kracht klappen met een tot vuist gebalde rechterhand. Hij slaat diverse malen in haar gelaat en direct voelt zij een stekende pijn. Zij valt achterover met haar achterhoofd op de grond. Door de val en de klappen, voelt zij zich duizelig. Zij voelt over haar gehele bovenlichaam een hevige pijn. Terwijl zij achterover in de gang ligt, ziet zij dat de man zich naar haar toe buigt. Zij ziet hem een bolletje touw uit zijn kleding halen en afrollen. Met dit touw bindt hij haar handen en voeten zo strak vast, dat zij zich niet meer kan bewegen. Hij doet ook een lap voor haar mond, zodat zij niet kan roepen. Door de geluiden die zij uit haar woonkamer hoort, krijgt zij het idee dat de man haar woning doorzoekt. Zij vreest voor haar leven en neemt zich voor zich levenloos te houden omdat ze bang is dat de man haar verder nog iets zal aandoen. Na enige tijd ziet ze de man met gevulde vuilniszakken. Ze voelt dat de man haar los maakt en een aantal ringen van haar handen schuift en haar horloge losmaakt. Hij neemt deze sieraden mee. De man verlaat de woning met de gevulde vuilniszakken. Mevrouw [slachtoffer 3] weet op handen en voeten naar de woonkamer te kruipen en belt daar een familielid. Daarop verschijnt de politie en de GGD.89 De politie treft haar aan met bebloed gelaat. Haar gelaat is opgezwollen en rood. Op de hals, nabij het strottehoofd heeft zij roodkleurige vlekken en voorts zien zij een wond op de achterzijde van haar hoofd.90 Zij wordt opgenomen in het ziekenhuis. De verbalisanten vernemen van de behandelend arts dat als letsel is vastgesteld:

  • -

    circa drie a vijf centimeter lange snee in het achterhoofd,

  • -

    diverse kneuzingen in het gelaat,

  • -

    drukplekken in de mondhoeken kennelijk het gevolg van een kneveldoek welke strak is aangetrokken,

  • -

    drukplekken in de hals die erop wijzen dat het slachtoffer stevig is vastgegrepen in haar hals,

  • -

    zowel aan de linker- als aan de rechterpols striemen kennelijk ten gevolge van een strak aangetrokken knevel,

  • -

    een gekneusde rib aan de linkerzijde.91

De korps-arts verneemt van het Sint Franciscus Ziekenhuis dat zij twee dagen ter observatie is opgenomen.92

De politie doet onderzoek in de woning, er wordt een “dacty-onderzoek” ingesteld.93 Mevrouw [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij denkt dat er sieraden en bankpasjes zijn meegenomen. Op de bijlage gestolen goederen staan onder meer een niet nader omschreven horloge, een strijkijzer merk Philips, een gouden ring (Italiaans model/rand met bloemmotief) een gouden ring (voorzien van diamantjes) en een gouden ring (voorzien van een bruine ovale steen).94

Bij het onderzoek door de politie is onder meer een spoor D1 afgenomen “op rechter marmer paneel th. Toegangsdeur, 95, 1905, tevens voorzien van een schetsje van aantreffen”. Dit spoor is onderzocht en is volgens de verbalisant “identiek” aan de afdruk van de linkerhandpalm, voorkomende op het dactyloscopisch signalement van [betrokkene 7] alias [verdachte].95

De op verzoek van de verdediging benoemde deskundige Ing. J.R. ten Hove is in andere bewoordingen tot een vergelijkbare conclusie gekomen namelijk dat “spoor D1 toebehoort aan verdachte [verdachte]”.96 Bij gelegenheid van zijn nader onderzoek in 2016 is Ten Hove niet gekomen tot andere conclusies.97 De verdachte heeft voorts geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn dactyloscopisch spoor op de plaats delict.

In de woning van de ouders van de verdachte zijn een Indus horloge en een EDAH-card met het nummer [nummer EDAH-card] aangetroffen.98 Het Indus horloge is herkend als toebehorend aan het slachtoffer.99 De moeder van de verdachte heeft verklaard dat zij niet weet hoe het sieraad in het plastic zakje in de woning is gekomen maar dat het van de jongens, [verdachte] en [broer van verdachte] is. Ten aanzien van de EDAH-card verklaart zij dat zij niet weet hoe deze in haar woning terecht is gekomen.100 De aangetroffen EDAH-card met het nummer [nummer EDAH-card] stond op naam van het slachtoffer [slachtoffer 3].101

Het hof acht hetgeen de verdachte heeft verklaard voor wat betreft de herkomst van deze goederen niet aannemelijk geworden.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte hetgeen hem onder feit 3 van de tenlastelegging wordt verweten heeft begaan, op de wijze zoals hierna is bewezenverklaard, met dien verstande dat een EDAH-card in de bewezenverklaring is weergegeven als “enig goed”.

10 Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van

14 augustus 1995 tot en met 16 augustus 1995 te Rotterdam in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren 20 juni 1913) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- die [slachtoffer 1] verwurgd tengevolge waarvan het strottehoofd en het tongbeen van die [slachtoffer 1] zijn gebroken en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of waardoor letsel aan het hoofd van die [slachtoffer 1] is ontstaan en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en) en/of met de hand(en) en/of voet(en) tegen de ribben geslagen en/of geschopt en/of geduwd en/of gedrukt

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een bankpas (VSB) en/of een of meer siera(a)d(en) van die [slachtoffer 1] in/uit die woning, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

3.
hij op of omstreeks 26 juli 1995 te Rotterdam in een woning gelegen aan de [adres 3], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid sieraden (waaronder drie, althans een of meer ring(en) en/of twee, althans een of meer kettingen) twee een horloges en/of een strijkijzer en/of een of meer bank- en/of giropassen, in elk geval en enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] (geboren op 25 december 1919), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het door verdachte en/of zijn mededader(s)

- geven van een of meer vuistslagen aan die [slachtoffer 3] en/of

- waardoor die [slachtoffer 3] achterover op de grond is gevallen en/of

- met een touw knevelen van de handen en/of de voeten van die [slachtoffer 3] en/of

- binden van een reep stof voor de mond van die [slachtoffer 3].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Ter zake van feit 1 overweegt het hof nog als volgt.

Het hof gaat uit van ten minste voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Op grond van de stukken kan niet het exacte tijdstip worden vastgesteld waarop het slachtoffer is overleden; zij was immers al enige tijd dood toen zij werd gevonden. Ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat zij nog leefde op het moment dat de verdachte de woning verliet, dan heeft hij haar, een toen al bejaarde vrouw, in zwaar gehavende toestand, althans met zwaar letsel, vastgebonden en in hulpeloze toestand achtergelaten, en daarmee de kwade kans aanvaard dat de dood zou intreden als gevolg van zijn handelen.

Hoewel de verdachte in een van zijn vele wisselende verklaringen heeft aangegeven met een zekere ‘[persoon 3]’ in de woning geweest te zijn en toen naar de WC te zijn gegaan, is er geen (overig) bewijs voorhanden waaruit volgt dat de verdachte de overval op het slachtoffer heeft gepleegd met een ander of anderen. Vrijspraak van het tenlastegelegde medeplegen is daarmee gegeven.

11 Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

12 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

doodslag, gevolgd, voorafgegaan of vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

13 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

14 Strafmotivering

14.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest.

14.2

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is geen inhoudelijk verweer gevoerd betreffende de strafmaat.

14.3

Oordeel hof

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze in een periode van 3 weken schuldig gemaakt aan twee zeer gewelddadige woningovervallen op (hoog) bejaarde vrouwen, waarbij in één geval sprake is geweest van een dodelijk slachtoffer. De verdachte heeft op een zeer brute en gewelddadige wijze de destijds 82-jarige mevrouw [slachtoffer 1] in haar eigen woning overvallen. Hij heeft daarbij grof geweld gebruikt en haar vastgebonden en gekneveld. Het geweld was zodanig ernstig dat mevrouw [slachtoffer 1] aan haar verwondingen is overleden. Het hof rekent de verdachte deze brute, meedogenloze en zinloze daad zwaar aan. De verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen gewin en heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om het slachtoffer. Door het handelen van de verdachte is aan het slachtoffer het kostbaarste dat een mens bezit, het leven, ontnomen en is onherstelbaar leed aan haar nabestaanden toegebracht. Een feit als het onderhavige draagt ook een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van verbijstering, angst en onveiligheid teweeg.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een woningoverval op de 75-jarige mevrouw [slachtoffer 3], waarbij hij ook toen grof geweld heeft gebruikt, het slachtoffer heeft gekneveld en een reep stof voor haar mond heeft gebonden. Het incident is voor het slachtoffer zeer bedreigend en beangstigend geweest. Zij heeft verklaard dat zij zich uit angst voor nog meer geweld voor dood heeft gehouden. Voorts heeft zij twee dagen in het ziekenhuis doorgebracht als gevolg van het letsel dat de verdachte haar heeft toegebracht. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en heeft zich daarbij enkel laten leiden door zijn eigen persoonlijk gewin.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met het plegen van de feiten weerloze en kwetsbare slachtoffers heeft uitgekozen die hij in hun eigen woning, een omgeving waar zij zich bij uitstek veilig en beschermd moeten kunnen voelen, heeft overvallen. Dergelijke feiten behoren tot de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent en zijn naar hun aard misdrijven die oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

6 oktober 2016, waaruit blijkt dat de verdachte op

25 augustus 1995 door de politierechter in de Rechtbank Rotterdam is veroordeeld ter zake van – kort gezegd – inbraak door twee of meer verenigde personen. Ambtshalve is het hof bekend dat deze zaak in hoger beroep reeds is afgedaan en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging is verklaard omdat het procesdossier in het ongerede is geraakt.

Het hof neemt bij de op te leggen straf – meer dan de rechtbank kennelijk heeft gedaan - in aanmerking dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten relatief jong was. Voorts houdt het hof, hoewel het niet gehouden is om rekening te houden met een veroordeling in het buitenland en artikel 63 Sv daaromtrent niets bepaalt, rekening met de omstandigheid dat de detentie van de verdachte in Engeland buitengewoon zwaar is geweest. Hij was immers zeker in het begin van zijn detentie de Engelse taal niet machtig, hetgeen in het algemeen als zwaar wordt ervaren, en daar komt nog bij dat hem in detentie in Engeland een zodanige behandeling is aangedaan dat hem ter zake daarvan een schadevergoeding is toegekend.

Het hof stelt voorts vast dat er weliswaar sprake is van een groot tijdsverloop sinds de pleegdata, maar dat dit tijdsverloop met name te wijten is aan de verdachte zelf, nu hij in Engeland gedetineerd was en niet mee wenste te werken aan het onderhavige onderzoek. In het kader van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, neemt het hof

- gelet op het voorgaande - het moment waarop de verdachte is overgeleverd aan Nederland als begindatum van de termijn. Nu de verdachte op 10 november 2014 is overgeleverd aan Nederland is er in het onderhavige geval geen sprake van schending van de redelijke termijn.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

15 Benadeelde partij

15.1

Vordering tot schadevergoeding [zoon 2 van slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [zoon 2 van slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 7.407,28.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 7.407,28.

De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte inhoudelijk onbetwist gebleven. De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in zijn vordering gelet op de door haar bepleitte vrijspraak.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 september 1995 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

15.2

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [zoon 2 van slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 7.407,28 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[zoon 2 van slachtoffer 1].

16 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [zoon 2 van slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [zoon 2 van slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 7.407,28 (zevenduizend vierhonderdzeven euro en achtentwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 september 1995 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [zoon 2 van slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.407,28 (zevenduizend vierhonderdzeven euro en achtentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 (tweeënzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 september 1995 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M.P. Gaakeer,

mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. M. Moussault, in bijzijn van de griffier mr. J. van der Vegte.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 december 2016.

1 Hoge Raad 19 december 1995, NJ 1996, 249.

2 ECLI:NL:HR:2016:2293 (r.o. 3.3).

3 Een proces-verbaal van huiszoeking opgemaakt door [verbalisant 5] (politie Polen) d.d. 21 mei 1997, vertaald d.d. 14 juni 1996 (het hof begrijpt: 1997) door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 938 t/m 942 (ordner 3), van het zaaksdossier onderzoek RAG [slachtoffer 1].

4 Een algemeen proces-verbaal d.d. 12 juni 2000, opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 7], p. 582 (ordner 2), van het zaaksdossier onderzoek RAG [slachtoffer 1].

5 Een proces-verbaal van een verhoor, opgemaakt door [verbalisant 6] (politie Polen) d.d. 22 mei 1997, vertaald d.d. 6 juni 1997 door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 987 (ordner 3), van het zaaksdossier onderzoek RAG [slachtoffer 1].

6 Een proces-verbaal van aangifte, met bijlage, d.d. 16 juli 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 2047 t/m 2050 (ordner 6); de foto van verdachtes hoofd en hals daterend uit het jaar 1995, p. 664 (ordner 1), welke foto tevens als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 11 november 2014, van de politie Rotterdam, ongenummerd in ordner 1 van het zaaksdossier onderzoek RAG [slachtoffer 1].

7 Tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen—verhaal gedoeld op processen—verhaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering. De paginanummers waar in de voetnoten naar wordt verwezen hebben telkens betrekking op de paginanummers uit het zaaksdossier onderzoek RAG [slachtoffer 1] (ordner 1 t/m 7), tenzij anders is vermeld.

8 Een proces-verbaal, d.d. 24 november 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 299 en 300 (ordner 2).

9 Een proces-verbaal, d.d. 27 oktober 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 184 (ordner 1).

10 Een geschrift, zijnde een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie, d.d. 15 november 1995, opgemaakt en ondertekend door Ing. P.E. de Vreede, p. 316 en een geschrift, zijnde een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie, d.d. 11 januari 1996, opgemaakt en ondertekend door drs. J.M. Kockx, p. 340 (ordner 2).

11 Een proces-verbaal, d.d. 8 april 2015, van de politie Rotterdam-Rijnmond, opgemaakt door N.H.C. van der Groef.

12 Een proces-verbaal, d.d. 24 november 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 299 en 300 (ordner 2).

13 Een proces-verbaal, d.d. 16 december 1996, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 660 e.v. (ordner 3) en een proces-verbaal verhoor van getuige [verbalisant 2] bij de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, d.d. 3 oktober 2016.

14 Een proces-verbaal verhoor van getuige [verbalisant 2] bij de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, d.d. 3 oktober 2016.

15 Een proces-verbaal verhoor van getuige [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, d.d. 26 september 2016.

16 Een geschrift, zijnde een rapportage beantwoording aanvullende vragen d.d. 28 oktober 2015, opgesteld en ondertekend door ing. J.R. Ten Hove.

17 Een proces-verbaal verhoor van getuige [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, d.d. 26 september 2016.

18 Een proces-verbaal van huiszoeking opgemaakt door [verbalisant 5] (politie Polen) d.d. 21 mei 1997, vertaald d.d. 14 juni 1996 (het hof begrijpt: 1997) door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 938 e.v. (ordner 3).

19 Een proces-verbaal van een verhoor, opgemaakt door [verbalisant 6] (politie Polen) d.d. 23 mei 1997, vertaald d.d. 6 juni 1997 door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 1008 (ordner 3).

20 Een proces-verbaal, d.d. 9 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1153 (ordner 4) en een proces-verbaal, d.d. 12 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1155 (ordner 4).

21 Een proces-verbaal, d.d. 12 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1155 (ordner 4).

22 Een geschrift zijnde een fotokopie, gevoegd bij het proces-verbaal, d.d. 9 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1154 (ordner 4).

23 Een geschrift, zijnde een fotokopie, ondertekend op 13 februari 1997 door [verbalisant 8], p. 831 (ordner 3).

24 Een geschrift, zijnde een fotokopie, ondertekend op 21 februari 1997 door [verbalisant 8], p. 832 (ordner 3).

25 Een geschrift, zijnde een rapport van het Gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie d.d. 11 januari 1996, opgemaakt en ondertekend door J.M. Kockx, p. 334 e.v. (ordner 2).

26 Een proces-verbaal verzoek voor opdracht en benoeming deskundige DNA-onderzoek, d.d. 12 maart 2013, van de politie Rotterdam, p. 2124 e.v. (ordner 6).

27 Een geschrift, zijnde een ‘report’ d.d. 28 januari 1997, opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 7], p. 2180 (ordner 6).

28 Een geschrift, zijnde een tweede aanvullend rapport van het Gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie d.d. 25 juni 1997, opgemaakt en ondertekend door drs. J.M. Kockx, p. 1220 (ordner 4).

29 Een geschrift, zijnde een aanvullend rechtshulpverzoek d.d. 27 januari 1997, opgemaakt en ondertekend door Y.A. van der Meer, p. 747 (ordner 3).

30 Zie o.a. het geschrift, zijnde een aanvullend rapport van het Gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie d.d. 4 april 1996, opgemaakt en ondertekend door drs. J.M. Kockx, p. 354 (ordner 2).

31 Een proces-verbaal, d.d. 19 augustus 1995, van politie Rotterdam-Rijnmond, p. 414 e.v. (ordner 2).

32 Een proces-verbaal, d.d. 16 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 52 e.v. en p. 151 e.v. (ordner 1).

33 Een proces-verbaal, d.d. 18 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 419 en 420. (ordner 2).

34 Een proces-verbaal, d.d. 18 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 428 (ordner 2).

35 Een proces-verbaal, d.d. 18 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 431 en 432 (ordner 2).

36 Een proces-verbaal, d.d. 21 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 437; een proces-verbaal, d.d. 22 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 451; een proces-verbaal, d.d. 22 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 462 en 463; een proces-verbaal, d.d. 24 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 473 en 474 (ordner 2).

37 Een proces-verbaal, d.d. 17 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 391 en 392 (ordner 2).

38 Een proces-verbaal, d.d. 21 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 445 (ordner 2).

39 Een proces-verbaal, d.d. 17 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 392; een proces-verbaal, d.d. 21 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 445 (ordner 2).

40 Een proces-verbaal, d.d. 22 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 463 (ordner 2).

41 Een geschrift, te weten een rapportage betreffende uit- en inwendige schouwing ten aanzien van [slachtoffer 1], opgesteld en ondertekend door dr. R. Visser, arts en patholoog, d.d. 14 november 1995, p. 425 (ordner 2).

42 Een geschrift, zijnde een rapport van het Gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie d.d. 15 november 1995, opgemaakt en ondertekend door Ing. P.E. de Vreede, p. 313 e.v. (ordner 2).

43 Een geschrift, te weten een brief van [zoon 2 van slachtoffer 1] d.d. 28 december 1995 gericht aan de politie, p. 50 (ordner 1) en een proces-verbaal van verhoor, d.d. 11 januari 1996, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 403 e.v. (ordner 2).

44 een proces-verbaal van verhoor, d.d. 11 januari 1996, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 404 (ordner 2).

45 Een proces-verbaal, d.d. 20 januari 1996, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 384 (ordner 2).

46 Een algemeen proces-verbaal, d.d. 16 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 53 (ordner 1).

47 Een algemeen proces-verbaal, d.d. 16 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 21 en 22 (ordner 1).

48 Een proces-verbaal, d.d. 24 november 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 299 en 300 (ordner 2).

49 Een proces-verbaal, d.d. 28 augustus 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, P. 57 e.v., in het bijzonder p. 59 (spoor 2) en p. 61 (sporen 3, 4 en 5) (ordner 1).

50 Een proces-verbaal, d.d. 24 november 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 300 (ordner 2).

51 Een geschrift, zijnde een rapport van het Gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie d.d. 15 november 1995, opgemaakt en ondertekend door Ing. P.E. de Vreede, p. 313 e.v. (ordner 2).

52 Een geschrift, zijnde een rapport van het Gerechtelijk laboratorium van het Ministerie van Justitie d.d. 11 januari 1996, opgemaakt en ondertekend door drs. J.M. Kockx, p. 334 e.v. (ordner 2).

53 Een proces-verbaal, d.d. 16 december 1996, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 660 e.v. (ordner 3).

54 Een geschrift, zijnde een rapportage contra-expertise d.d. 9 oktober 2015, opgesteld en ondertekend door Ing. J.R. Ten Hove.

55 Een geschrift, zijnde een rapportage contra-expertise & aanvullend onderzoek, d.d. 7 september 2016, opgesteld en ondertekend door Ing. J.R. Ten Hove.

56 Een geschrift, zijnde een ‘fax message’ d.d. 24 december 1996, van [verbalisant 9], Interpol Londen, gericht aan Interpol Den Haag, p. 691 (ordner 3).

57 Een geschrift, zijnde een brief inzake identiteitsvaststelling ondertekend d.d. 19 december 1996 door [verbalisant 10] (hoofd onderafdeling Dactyloscopie), p. 700 (ordner 3).

58 Een proces-verbaal, ongedateerd, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 732 e.v. (ordner 3).

59 Een proces-verbaal van huiszoeking opgemaakt door [verbalisant 5] (politie Polen) d.d. 21 mei 1997, vertaald d.d. 14 juni 1996 (het hof begrijpt: 1997) door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 938 e.v. (ordner 3).

60 Een proces-verbaal van een verhoor, opgemaakt door [verbalisant 6] (politie Polen) d.d. 22 mei 1997, vertaald d.d. 6 juni 1997 door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 991 en 992. (ordner 3).

61 Een proces-verbaal van een verhoor, opgemaakt door [verbalisant 6] (politie Polen) d.d. 23 mei 1997, vertaald d.d. 6 juni 1997 door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 1008 (ordner 3).

62 Een proces-verbaal, d.d. 9 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1153 (ordner 4) en een proces-verbaal, d.d. 12 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1155 (ordner 4).

63 Een proces-verbaal van huiszoeking opgemaakt door [verbalisant 5] (politie Polen) d.d. 21 mei 1997, vertaald d.d. 14 juni 1996 (het hof begrijpt: 1997) door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 938 en 939 (ordner 3).

64 Een proces-verbaal, d.d. 14 juli 1998, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1646 (ordner 5).

65 Een proces-verbaal, d.d. 11 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1163 (ordner 3).

66 Een geschrift, zijnde een rapport van het NFI d.d. 15 mei 2013, opgesteld en ondertekend door H.J.T. Janssen, p. 2149 e.v. (ordner 6).

67 Een proces-verbaal van aanhouding en overgave, d.d. 10 november 2014, van de Koninklijke Marechaussee, als bijlage gevoegd bij het persoonsdossier [verdachte] (ongenummerd, ordner 1).

68 Een proces-verbaal betreffende voorgeleiding, d.d. 12 november 2014, van de politie Rotterdam, als bijlage gevoegd bij het persoonsdossier [verdachte] (ongenummerd, ordner 1).

69 Een proces-verbaal, d.d. 14 juli 1998, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1657 en 1658 (ordner 5).

70 Een proces-verbaal van huiszoeking opgemaakt door [verbalisant 5] (politie Polen) d.d. 21 mei 1997, vertaald d.d. 14 juni 1996 (het hof begrijpt: 1997) door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 938 e.v. (ordner 3).

71 Een proces-verbaal van huiszoeking opgemaakt door [verbalisant 5] (politie Polen) d.d. 21 mei 1997, vertaald d.d. 14 juni 1996 (het hof begrijpt: 1997) door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 940 (ordner 3).

72 Een geschrift, zijnde een fotokopie, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van een verhoor, opgemaakt door [verbalisant 6] (politie Polen) d.d. 23 mei 1997, vertaald d.d. 6 juni 1997 door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 1010 (foto 1) (ordner 3).

73 Een proces-verbaal van een verhoor, opgemaakt door [verbalisant 6] (politie Polen) d.d. 23 mei 1997, vertaald d.d. 6 juni 1997 door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 1008 (ordner 3).

74 Een proces-verbaal van een verhoor, opgemaakt door [verbalisant 6] (politie Polen) d.d. 22 mei 1997, vertaald d.d. 6 juni 1997 door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 992 (ordner 3).

75 Een proces-verbaal, d.d. 12 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1141 en 1142 (ordner 4).

76 Een proces-verbaal, d.d. 12 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1142 (ordner 4).

77 Een geschrift, zijnde een fotokopie, gevoegd bij het proces-verbaal, d.d. 12 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1146 (bovenste foto) (ordner 4).

78 Een proces-verbaal, d.d. 12 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1142 (ordner 4).

79 Een proces-verbaal, d.d. 12 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1141 (ordner 4).

80 Een proces-verbaal van een verhoor, opgemaakt door [verbalisant 6] (politie Polen) d.d. 22 mei 1997, vertaald d.d. 6 juni 1997 door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 991 (ordner 3).

81 Een proces-verbaal, d.d. 14 juli 1998, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1646 (ordner 5).

82 Een proces-verbaal van huiszoeking opgemaakt door [verbalisant 5] (politie Polen) d.d. 21 mei 1997, vertaald d.d. 14 juni 1996 (het hof begrijpt: 1997) door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 939 (ordner 3), in combinatie met p. 3 onder punt 12 van het originele proces-verbaal van [verbalisant 5], p. 945 (ordner 3).

83 Een geschrift, zijnde een faxbericht van [verbalisant 7] (politie Rotterdam-Rijnmond), gericht aan EDAH-supermarkten, d.d. 4 juni 1997, p. 1137 (ordner 4).

84 Een geschrift, zijnde een faxbericht van [betrokkene 9] (namens Vendex Food Groep B.V.) gericht aan [verbalisant 7] (politie Rotterdam-Rijnmond), d.d. 5 juni 1997, p. 1138 en 1139 (ordner 4).

85 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juli 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 2086 e.v. (ordner 6).

86 Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 26 juli 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 2077 en 2078 (ordner 6).

87 Een proces-verbaal, d.d. 26 juli 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 2113 (ordner 6).

88 Ter terechtzitting in eerste aanleg op 29 oktober 2015 afgelegde verklaring van J.R. Ten Hove als deskundige (p. 8 e.v.).

89 Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 26 juli 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 2076 e.v. (ordner 6).

90 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juli 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 2086 (ordner 6).

91 Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juli 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 2088 (ordner 6).

92 Een geschrift, zijnde medische informatie betreffende [slachtoffer 3], ondertekend door A.W. Lechner, korps-arts, ongedateerd, p. 2100 (ordner 6).

93 Een geschrift, zijnde een sporenkaart bureau T.O.D. d.d. 26 juli 1995, p. 2089 (ordner 6).

94 Een geschrift, zijnde een bijlage gestolen goederen, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van aangifte, d.d. 26 juli 1995, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 2081 e.v. (ordner 6).

95 Een proces-verbaal, d.d. 16 december 1996, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 2102 en 2103 (ordner 6).

96 Een geschrift, zijnde een rapportage aanvullend onderzoek dactyloscopisch spoor D1, d.d. 28 oktober 2015, opgesteld en ondertekend door ing. J.R. Ten Hove.

97 Een geschrift, zijnde een rapportage contra-expertise & aanvullend onderzoek, d.d. 7 september 2016, opgesteld en ondertekend door ing. J.R. Ten Hove.

98 Een proces-verbaal van huiszoeking opgemaakt door [verbalisant 5] (politie Polen) d.d. 21 mei 1997, vertaald d.d. 14 juni 1996 (het hof begrijpt: 1997) door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 939 en 940 (ordner 3).

99 Een proces-verbaal, d.d. 12 juni 1997, van de politie Rotterdam-Rijnmond, p. 1141 e.v. (ordner 4).

100 Een proces-verbaal van een verhoor, opgemaakt door [verbalisant 6] (politie Polen) d.d. 22 mei 1997, vertaald d.d. 6 juni 1997 door [naam] (beëdigd vertaalster Pools), p. 991 en 992 (ordner 3).

101 Een geschrift, zijnde een faxbericht van [betrokkene 9] (namens Vendex Food Groep B.V.) gericht aan [verbalisant 7] (politie Rotterdam-Rijnmond), d.d. 5 juni 1997, p. 1138 en 1139 (ordner 4).