Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3623

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
22-005103-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van personen die door hun onzekere verblijfsstatus en gebrek aan kennis van de Nederlandse taal een zwakke positie hadden in de samenleving. Hij heeft zich voorgedaan als iemand die de aangevers kon helpen aan een verblijfsvergunning en heeft hen daarbij veel geld afhandig gemaakt. Bovendien heeft hij gedreigd de slachtoffers aan te geven bij de politie en hen gezegd dat ze zouden worden opgesloten in een gevangenis op een afgelegen plaats.

Het hof veroordeelt de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden. Het hof wijst de vorderingen tot schadevergoeding toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005103-15

Parketnummer: 09-818679-15

Datum uitspraak: 9 november 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 november 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1984,

[adres],

thans gedetineerd in PI Haaglanden - HvB Zoetermeer te Zoetermeer.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

26 oktober 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen. Tot slot is een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen goederen, één en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 december 2014 te 's-Gravenhage en/of Leidschendan-Voorburg, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] heeft bewogen tot de afgifte van (een) of meer geldbedrag(en) (in totaal 80.000 euro) althans een hoeveelheid geld en/of (een) maaltijd(en) en/of (een) massage(s) in elk geval van enig goed en/of het verlenen van enige dienst, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] verteld dat hij een (hoge) functie bekleedde bij de overheid en/of de politie en/of de FIOD en/of de IND en/of dichtbij de koning zou staan en/of (vanuit deze functie) (een) verblijfsvergunning(en) en/of legale verblijfsstatus(en) kon regelen voor die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] (en hun familieleden) waarbij hij en/of zijn mededader(s)

- meerdere ontmoetingen had(den) en/of een bespreking voerde(n) over (het aanvragen van) (een) verblijfsvergunning(en) en/of (daarbij) papieren met het logo/een stempel van "de rechtspraak" en/of "de FIOD" en/of "het Koningshuis" lieten zien en/of lieten invullen/ondertekenen en/of vervolgens - vertelde en liet zien dat hij persoonlijke gegevens van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] via zijn smartphone kon opvragen/tonen en/of vervolgens

- vertelde dat voor de verkrijging van verblijfsdocumenten een cursus moest worden gevolgd en/of een examen afgelegd, welke hij zou geven/afnemen en/of vervolgens

- op meerdere momenten aangeeft dat de procedure vorderde waardoor die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet helemaal verenigt. Het hof zal wel grote delen van de overwegingen van de rechtbank, waar nodig met aanvulling of aanpassing, overnemen.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op 5 november 2014 werd de inspecteur van politie [naam] benaderd door voormalig restauranteigenaresse [aangever]. Zij vertelde dat negen Chinezen zouden worden opgelicht/uitgebuit door een man die hen een verblijfsvergunning in het vooruitzicht stelde. Voor deze verblijfsvergunning moest grof worden betaald en er moesten diensten worden verricht. De vergunning is nooit verleend. Hierop is de politie een onderzoek gestart.

Aan de verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij de aangevers heeft opgelicht door zich voor te doen als iemand die voor hen – voor veel geld – een verblijfsvergunning zou regelen, terwijl hij dat niet kon.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het ten laste gelegde feit (in de vorm van medeplegen) heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

De beoordeling van de tenlastelegging 1

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij vanaf april of mei 2014 bemoeienis heeft gehad met de aangevers. Hij heeft de aangevers via ene [getuige 2] leren kennen. Hij heeft hen willen helpen met verblijfsvergunningen en heeft in dat kader namens hen beroep ingesteld bij de rechtbank.2

Aangifte [benadeelde partij 2]


Op 8 december 2014 heeft [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2]) aangifte gedaan van oplichting door de verdachte [verdachte] en zijn vrouw, de medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: de medeverdachte). Op 10 mei 2014 maakte [benadeelde partij 2] kennis met Bernard W[getuige 2] (het hof begrijpt: [getuige 2]), die een man kende genaamd [verdachte]. Op 23 mei 2014 heeft [benadeelde partij 2] afgesproken met de verdachte en heeft de verdachte hem verteld dat hij voor justitie werkte en dat hij assistent was van de premier. Omdat hij zo belangrijk was en de premier kende, kon hij voor hen verblijfsvergunningen regelen via een alternatieve snelle route. Om zijn verhaal kracht bij de zetten toonde de verdachte hen zijn mobiele telefoon met daarop zichtbaar een officieel ogend formulier van de rechtbank. Hij liet hen zien dat het formulier al was ondertekend door de premier en dat het snel en gemakkelijk mogelijk moest zijn om [benadeelde partij 2] hiermee aan een verblijfsvergunning te helpen. Hij liet [benadeelde partij 2] verder een document zien waarop al diens informatie stond over zijn verblijf in Nederland sinds hij in Nederland was. Doordat de verdachte vertelde dat hij bij justitie werkte, door de documenten die hij toonde en door de verzekering van [getuige 2] dat de verdachte te vertrouwen was, ontstond bij [benadeelde partij 2] het vertrouwen dat de verdachte rechtmatig verblijf (een vergunning tot verblijf) in Nederland voor hem kon regelen. De verdachte vertelde dat de procedures bij onder meer de rechtbank geld kostten. Hij vroeg een bedrag van € 3.980,00. Daarnaast moest er ook € 500,00 betaald worden als loon of vergoeding voor de handelingen van de verdachte.

Op 27 mei 2014 heeft [benadeelde partij 2] in Den Haag een tweede ontmoeting gehad met de verdachte. Bij deze ontmoeting waren ook de medeverdachte, [medeverdachte 3] en [getuige 2] aanwezig. [benadeelde partij 2] heeft een formulier ondertekend dat was voorzien van een officieel logo van de rechtspraak. Het geld heeft hij voor het grootste gedeelte die avond betaald. Het eerste gedeelte (€ 2.500,00) heeft hij aan de medeverdachte betaald. Zij telde het geld en hield het bij zich. Het resterende gedeelte heeft hij op 29 mei 2014 betaald. Op die dag had hij inmiddels € 4.500,00 betaald aan de verdachte en de medeverdachte.

Op 9 juni 2014 had [benadeelde partij 2] weer een ontmoeting met de verdachte en de medeverdachte. Collega’s van [benadeelde partij 2] van massagesalon [x], onder wie Fengli [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4], waren ook aanwezig. Zij wilden ook gebruik maken van de diensten van de verdachte. [benadeelde partij 2] heeft gezien dat zij € 3.980,00 betaalden aan de medeverdachte.

Halverwege juli 2014 vertelde de verdachte dat betaald moest worden voor het aanvragen van de verblijfsvergunning en een nieuw sofinummer. Voor beide handelingen moest € 165,00 worden betaald. Het totaalbedrag van € 330,00 heeft [benadeelde partij 2] betaald aan de medeverdachte.

Begin september 2014 vertelde de verdachte dat hij voor iedereen een ID-kaart had aangevraagd en dat hij die ook al binnen had. Dit betrof € 700,00 per persoon en is betaald aan de medeverdachte. Bij deze bijeenkomst was ook de familie [benadeelde partij 3] aanwezig, voor wie de verdachte ook de verblijfsvergunningen zou regelen.

Op 15 oktober 2014 had de verdachte het over een inburgerings-/taalcursus die zou plaatsvinden op 21 en 22 oktober 2014 in het Mercure hotel in Den Haag. De kosten hiervoor waren € 350,00 en er zou een examen moeten worden afgelegd dat € 525,80 zou kosten.

De verdachte is een keer in een uniform verschenen op een afspraak en gaf toen aan dat hij net van zijn werk kwam. [benadeelde partij 2] zag boeien om zijn riem hangen. Door al deze handelingen heeft de verdachte [benadeelde partij 2] overgehaald geld af te geven. [benadeelde partij 2] heeft nooit iets van een verblijfsvergunning gezien die hij in ruil voor dat geld zou krijgen.3

Volgens [benadeelde partij 2] hebben [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] precies dezelfde bedragen betaald aan de verdachte en de medeverdachte en heeft het gezin [benadeelde partij 3] nog meer betaald. Dit gezin wilde ook een werkvergunning en moest hiervoor € 6.000,00 extra betalen aan de verdachte. [benadeelde partij 2] heeft gezien dat de moeder van dit gezin de verdachte heeft betaald voor de taalcursus en de examenkosten. De verdachte had de leiding tijdens de gesprekken en bij de betalingen, niet de medeverdachte.4

Aangifte [benadeelde partij 3]

Op 9 december 2014 heeft [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3]) aangifte gedaan tegen de verdachte. Op 7 juli 2014 ontmoette [benadeelde partij 3] de verdachte en de medeverdachte. De verdachte vertelde toen dat hij de verblijfsvergunning voor [benadeelde partij 3] en zijn familie kon regelen. Ze hebben vervolgens een afspraak gemaakt op 10 juli 2014 bij [benadeelde partij 3] thuis in Voorburg. [benadeelde partij 3] heeft daar toen met de verdachte gesproken over zijn procedure. Hij wilde de verdachte alle stukken laten zien, maar de verdachte vertelde dat dat niet nodig was omdat hij via zijn telefoon alle informatie kon opvragen. De verdachte heeft [benadeelde partij 3] verteld dat hij een hele hoge functie had en veel dingen voor mensen kon regelen.

Op 12 juli 2014 kreeg [benadeelde partij 3] het bericht dat de verblijfsvergunning € 4.000,00 per persoon zou kosten en dat hij dit bedrag op 16 juli 2014 moest betalen. Op 16 juli 2014 heeft [benadeelde partij 3] € 19.200,00 betaald aan de verdachte; € 4.791,70 euro per persoon. De verdachte vertelde dat hij de verblijfsvergunning voor [benadeelde partij 2] al had geregeld en liet een foto zien op zijn mobiele telefoon, waarop [benadeelde partij 2] iets ondertekende. Naast die € 19.200,00 heeft [benadeelde partij 3] het volgende aan de verdachte betaald:

€ 5.000,00 voor administratieve kosten;

€ 6.000,00 om zijn bedrijf te laten bestaan. Dit bedrag is op 16 september 2014 betaald;

€ 350,00 per persoon voor de inburgeringscursus, in totaal € 1.050,00 voor drie personen;

€ 150,00 euro voor de huur van de zaal waar de cursus gegeven werd.

[benadeelde partij 3] heeft in ruil voor dit geld niets ontvangen van de verdachte. Geen verblijfsvergunning en geen afschriften.5

Aangifte [benadeelde partij 1]

Op 31 maart 2015 heeft [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1]) aangifte gedaan tegen de verdachte. In mei 2014 is [benadeelde partij 1] voor het eerst in contact gekomen met de verdachte. [benadeelde partij 1] zag dat de verdachte toen een politie-uniform droeg. Zij zag dat de verdachte een soort van koppel omhad, met spullen om zijn heup hangen, waaronder handboeien. Er zat een soort logo op de bovenarmen. Op dat logo stond politie. De verdachte had ook een soort pasje om zijn nek hangen dat hij toonde aan [benadeelde partij 1] en de anderen. Hij zei dat dit een legitimatiebewijs was en dat hij voor de politie of justitie werkte. De verdachte zei dat alleen hij [benadeelde partij 1] en de anderen kon helpen. Zij begreep hieruit dat de verdachte haar enige hoop was om haar te helpen aan een nieuwe verblijfsvergunning. De verdachte gaf aan dat hij een hoge functie had bij de veiligheidsdienst van de Nederlandse Staat en dat hij hen kon helpen aan een nieuwe verblijfsvergunning. Hij vroeg hiervoor € 4.000,00 per persoon. Bij de tweede ontmoeting nam de verdachte de medeverdachte mee. [benadeelde partij 1] heeft toen
€ 4.000,00 aan de verdachte betaald.

In juli 2014 moest er € 330,00 per persoon extra betaald worden. Dit geld was nodig voor een werkvergunningnummer of zoiets. [benadeelde partij 1] heeft dit betaald aan de verdachte en de medeverdachte. De medeverdachte nam dit geld fysiek in ontvangst. Dit was in de woning van [benadeelde partij 1] en haar collega’s in Den Haag.

Kort erna moesten zij nog eens € 700,00 per persoon betalen. Dit bedrag was bedoeld voor Nederlandse les. De familie [benadeelde partij 3] kwam toen ook in beeld. Volgens de verdachte moesten ze allemaal slagen voor het examen. Als één persoon niet zou slagen, dan zou geen van hen een verblijfsvergunning krijgen. Voor de cursus moesten ze iets meer dan € 1.700,00 betalen. Op 21 oktober 2014 vond de cursus plaats, in het Mercure hotel. De verdachte zei tijdens de cursus dat ze meer dan € 2.000,00 per persoon moesten betalen, daarna zouden ze de verblijfsvergunningen krijgen. Door dit alles ontstond twijfel aan de oprechtheid van de verdachte. [benadeelde partij 1] verklaarde een hoop geld te hebben betaald, maar niks terug te hebben gezien.6

Aangifte [benadeelde partij 4]

Op 2 april 2015 heeft [benadeelde partij 4] (hierna: [benadeelde partij 4]) aangifte gedaan tegen de verdachte. In mei 2014 heeft [benadeelde partij 4] de verdachte ontmoet. Daarbij waren ook een paar collega’s aanwezig, onder wie [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [getuige]. De medeverdachte was ook aanwezig. De verdachte had een document meegenomen met het logo van de rechtbank. Hij vertelde dat hij hun verblijfsvergunning wel zou kunnen regelen. De verdachte zei dat hij een hoge rang bij de politie of justitie had. Hij toonde dit aan met een officieel formulier met het logo. Hierdoor ontstond bij [benadeelde partij 4] het idee dat de verdachte echt wat voor haar kon betekenen. Ze moesten € 4.000,00 per persoon betalen voor het regelen van de verblijfsvergunning. De verdachte vroeg hen al dezelfde avond te betalen, zodat hij meteen kon beginnen met de beroepsprocedure. Ze hadden dit geld niet meteen, maar konden wel al de helft betalen. Dit hebben ze ook allemaal gedaan. Bij de eerste betaling was de medeverdachte aanwezig. Zij heeft toen het geld geteld. Nadat zij het geld had geteld, heeft zij het in haar tas gedaan. De volgende dag kregen ze te horen dat de verdachte al meteen het resterende bedrag moest hebben. Die avond heeft [benadeelde partij 4] € 2.000,00 per persoon namens haarzelf, [benadeelde partij 1] en een andere collega, dus in totaal € 6.000,00, in een envelop gedaan en aan de verdachte gegeven.

In juli 2014 heeft de verdachte aan [benadeelde partij 4] en haar collega’s documenten laten zien waarop het logo van de politie stond. Zij moesten toen weer extra betalen, in totaal
€ 350,00 per persoon. Die keer maakte [benadeelde partij 4] ook kennis met de familie [benadeelde partij 3].

Ongeveer een maand later vertelde de verdachte dat er nieuwe betalingen verricht dienden te worden voor een nieuwe verblijfsvergunning. Per persoon wilde hij
€ 750,00 of € 770,00 hebben. Dit bedrag hebben zij allen betaald. In september 2014 vertelde de verdachte dat hij bezig was met de verblijfsvergunningen, maar dat er eerst een inburgeringscursus gevolgd moest worden. [benadeelde partij 4] en de anderen moesten zijn salaris en dat van zijn collega betalen. Zij moesten ook de huur betalen van het hotel waar de verdachte een ruimte zou huren. Volgens hem was dit € 200,00per dag. Voordat de cursus begon hebben [benadeelde partij 4] en de anderen per persoon meer dan € 500,00 betaald aan de verdachte. De cursus duurde twee of drie dagen en vond ongeveer eind oktober 2014 plaats. Bij het tweede deel van de cursus heeft [benadeelde partij 4] weer betaald voor de salarissen van de verdachte en degene met wie hij de cursus gaf. Dit was meer dan € 300,00. Iedereen heeft dit volgens [benadeelde partij 4] betaald. De verdachte vroeg vervolgens weer meer dan
€ 2.000,00 per persoon voor de aanvraag van de verblijfsvergunning. [benadeelde partij 4] heeft verklaard dat niemand die € 2.000,00 heeft betaald omdat de verdachte misschien wel een oplichter was. Hij had immers een hoop geld ontvangen, maar nooit wat laten zien. Aan de andere kant waren er volgens [benadeelde partij 4] genoeg aanwijzingen dat hij wel een zekere invloed had. Toen zij bij de inburgeringscursus kenbaar maakten dat zij niet meer wilden betalen, dreigde de verdachte dat hij de politie zou bellen, dat zij gearresteerd zouden worden en naar een gevangenis zouden moeten bij de grens.

[benadeelde partij 4] verklaart dat zij in totaal meer dan € 6.000,00 heeft betaald aan de verdachte doordat hij net deed alsof hij voor justitie werkte en de verblijfsvergunningen kon regelen. De verdachte liet officiële documenten zien en hij wist dingen te melden waaruit [benadeelde partij 4] concludeerde dat hij toegang had tot informatie. Ook heeft ze hem een keer in uniform gezien. Dit was donkerblauw en hij had een riem om van de politie. Door dit alles had [benadeelde partij 4] echt het volle vertrouwen dat de verdachte voor de politie of justitie werkte en heeft ze hem ook het geld gegeven.7

Getuige [getuige]

Getuige [getuige] (hierna: [getuige]) heeft verklaard dat de verdachte zou uitzoeken of het mogelijk was om haar oud-collega [benadeelde partij 2] te helpen. De verdachte kwam met officiële dossiers. Op alle documenten waren steeds officiële logo’s te zien: het logo van de FIOD, van iets met de koning, de rechtbank en de politie. De verdachte kwam ook vaak met informatie waarvan [getuige] dacht dat je dat alleen kon weten als je daar ook werkte. Eén keer kwam hij ook met een politie-uniform bij [benadeelde partij 2] thuis. Dit was een donkerblauw uniform met op de mouwen een politielogo. Verder had hij om zijn middel een riem met daaraan een pepperspray en een knuppel. Hij zei toen dat hij net van zijn werk kwam. [getuige] heeft de verdachte horen zeggen dat hij bij de FIOD werkte. Tot op de dag van haar verhoor dacht [getuige] dat de verdachte echt bij de FIOD werkte. [getuige] heeft gezien dat de vier meiden uit de massagesalon rond de € 800,00 per persoon aan de verdachte en de medeverdachte hebben betaald. Na verloop van tijd kwam ook het gezin [benadeelde partij 3] in beeld. Op een gegeven moment was de verdachte bezig voor negen mensen uit China. Het hield op in november 2014 en heeft zo’n half jaar geduurd. In hotel Mercure kregen de Chinezen een cursus. De verdachte organiseerde een taalcursus samen met een man die volgens de verdachte een collega was die ook bij de FIOD werkte. Als één persoon niet zou slagen, zou niemand een verblijfsvergunning krijgen. De verdachte was continu aan het vertellen over de vergunningen. Elke ontmoeting bleek een positieve boodschap in zich te hebben. Dat bouwde hij altijd op. Hij had bijvoorbeeld vaak een envelop liggen met daarin nieuwe papieren die erop duidden dat er een nieuwe stap was gezet in het proces.8

Getuige [getuige 2]

Getuige [getuige 2] (hierna: [[getuige 2]) heeft verklaard dat de verdachte vertelde dat hij bij de FIOD werkte. [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte aan [benadeelde partij 2] vertelde dat hij een verblijfsvergunning voor hem kon regelen. Daarvoor moest [benadeelde partij 2] wel betalen. Bij de eerste betaling had [benadeelde partij 2] niet genoeg geld bij zich. [benadeelde partij 2] heeft toen € 2.000,00 contant in een envelop betaald aan de verdachte. Die vroeg € 3.700,00. Er kwamen formulieren/kopieën op tafel. Er stond een soort van stempel op in kleur. De verdachte zei dat dit het stempel van de Koning was. De handtekening over het stempel was volgens de verdachte van de Koning. De verdachte heeft [getuige 2] verteld dat de familie [benadeelde partij 3] € 4.700,00 per persoon moest betalen voor het verkrijgen van de verblijfsvergunningen. [getuige 2] heeft gezien dat de familie [benadeelde partij 3] dit heeft betaald aan de verdachte. Dit was een dikke stapel contant geld. De verdachte heeft een pasje laten zien met daarop zijn foto. Op het pasje stond ook Justitie en een blauw logo. [getuige 2] heeft verder verklaard dat de verdachte een keer een politie-uniform droeg. De verdachte heeft ook een foto laten zien waarop hij een ME-uitrusting droeg. In het Mercure hotel in Den Haag zou de verdachte volgens [getuige 2] een Nederlandse inburgeringscursus geven. Volgens de verdachte was de aanvraag voor [benadeelde partij 2] al akkoord. De verdachte zei: “Voor [benadeelde partij 2] kan dit, dus voor jullie kan dit ook.” Dit was voor de meisjes aanleiding om ook de aanvraag te gaan doen. [getuige 2] verklaarde tot slot dat zijn eigen bijnaam ook wel [naam] was.9

Overige bewijsmiddelen

In de computer van de verdachte zijn foto’s van hem aangetroffen in een politie-uniform en met een pasje om zijn nek.10 Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is verder een door de Inspectie Verkeer en Waterstaat uitgegeven bestuurderskaart, op naam van de verdachte, aan een koord met daarop meerdere malen “politie” aangetroffen.11

Getuige [getuige 3], werkzaam in het Mercure Hotel, heeft verklaard dat een ruimte was verhuurd voor het geven van een taalcursus aan Chinezen. Op de eerste dag stond bij de deur van de zaal een aanduiding “[medeverdachte 3] – cursus Nederlands”. De volgende dag, op 22 oktober 2014, verzocht één van de cursusleiders dit te wijzigen in “ministerie”. Dit verzoek was gedaan door een Hindoestaans-Surinaamse man. Zijn naam begon met een [x].12

In WhatsApp-gesprekken tussen [getuige 2] en de verdachte schrijft de verdachte onder meer: “Binnenkort starten we met huiszoekingen bij verschillende bedrijven en bestuurders”, “Eind van de middag weer een hoop verhoren”, “Ben al sinds de ochtend met arrestaties en verhoor”.

Over de betalingen schrijft de verdachte onder meer: “Procedure en kosten zijn precies zoals bij [benadeelde partij 2]” (hof: aangever [benadeelde partij 2]), “.. was uit me hoofd € 4600 bij [benadeelde partij 2] per persoon”, “2 x € 165 per persoon” en “€ 652,85 per persoon”.13

In WhatsApp-gesprekken tussen [getuige 2] en de gebruiker van het telefoonnummer [x], welk nummer in de WhatsApp-gesprekken is weergegeven onder de naam [verdachte], schrijft Ryan onder meer: “Ik ken een hoop procedures nog, buiten de standaard richtconcepten”. Op 16 juli 2014 spreekt de verdachte over een bedrag dat per persoon € 4.792,87 wordt. [getuige 2] schrijft dan: “4 x € 4.792,87.” De verdachte is de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op [x].14

Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte aangevoerd dat deze WhatsApp-conversatie gefingeerd is. Evenals de rechtbank gaat het hof hieraan voorbij, nu dit verweer niet nader is onderbouwd. De WhatsApp-conversatie tussen [getuige 2] en de verdachte moet dan ook aan de verdachte worden toegeschreven.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voorts verklaard dat hij een foto van zichzelf in politie-uniform heeft laten zien aan [getuige 2].15

Overwegingen hof

Betrouwbaarheid aangevers

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangevers niet betrouwbaar zijn. De aangevers hadden grote belangen bij het afleggen van voor de verdachte belastende verklaringen. Zij verklaren leugenachtig voor zover zij ontkennen enige argwaan ten opzichte van de verdachte te hebben gehad.

Het hof overweegt hieromtrent, met de rechtbank, als volgt.

Het hof acht de verklaringen van de aangevers wel geloofwaardig. De verklaringen komen op essentiële punten overeen en worden bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2]. Bovendien worden de verklaringen ondersteund door ander bewijs in het dossier. Er zitten foto’s in het dossier waarop de verdachte te zien is in een uniform dat overeenkomt met de beschrijving die de aangevers daarvan hebben gegeven. Ook de foto van het pasje komt overeen met de beschrijving door de aangevers van het pasje dat de verdachte aan hen liet zien. Daarnaast noemt de verdachte in de WhatsApp-gesprekken met [medeverdachte 2] en [getuige 2] verschillende bedragen die overeenkomen met de door de aangevers opgegeven bedragen.

Onvoldoende omzichtigheid dan wel kwade trouw aangevers

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de aangevers geen strafrechtelijke bescherming toekomt omdat zij onvoldoende omzichtigheid in acht hebben genomen dan wel te kwader trouw waren omdat het hun niet kon schelen hoe ze aan een verblijfsvergunning kwamen: legaal of illegaal. De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van normale, in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke, voorzorgsmaatregelen die bescherming rechtvaardigen indien er omkoping in het spel is en de bedrogenen weloverwogen op een onoorbare, listige wijze verstrekking van een verblijfsvergunning buiten de IND om nastreefden. Dit zou betekenen dat geen sprake is van oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt hieromtrent, met de rechtbank, als volgt.

Bij de beoordeling of een slachtoffer van oplichting voldoende omzichtigheid in acht heeft genomen, staat voorop of de kunstgreep geschikt is geweest om het slachtoffer, tegen de achtergrond van het concrete geval en mede gezien zijn persoonlijkheid, te bedriegen. Het hof overweegt in dit kader dat de aangevers zich in een kwetsbare positie bevonden. Zij waren de Nederlandse taal niet (goed) machtig en waren slechts beperkt bekend met de toepasselijke regelgeving of procedures en de inrichting van het Nederlandse staatsbestel. Naar het oordeel van het hof maakt de omstandigheid dat de aangevers eerder een vreemdelingrechtelijke procedure hebben doorlopen, zoals ook blijkt uit de in de “blauwe doos” aangetroffen documenten, dit niet anders, nu de verdachte aan hen juist verteld heeft dat hij buiten de reguliere procedure om een alternatieve, snelle route kende om een verblijfsvergunning te verkrijgen. Verder laat het hof meewegen dat de aangevers voor hun toekomst in Nederland sterk afhankelijk waren van een verblijfstitel. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat niet gezegd kan worden dat de aangevers onvoldoende omzichtigheid in acht hebben genomen. Het is de verdachte geweest die misbruik heeft gemaakt van deze omstandigheden en die de aangevers door zijn handelen heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen.

Dat de aangevers te kwader trouw waren, zoals aangevoerd door de verdediging, is niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft immers aan de aangevers verteld dat hij, juist vanwege zijn hoge positie, een alternatieve, snelle route buiten de gangbare procedures om kende om een verblijfstitel te verkrijgen. Dat voor de aangevers duidelijk had moeten zijn dat de betalingen bestemd waren om ambtenaren om te kopen, zoals aangevoerd door de verdediging, volgt niet uit hun verklaringen en is ook anderszins niet aannemelijk geworden. Uit hetgeen de aangevers hebben verklaard kan juist worden opgemaakt dat de (deel)betalingen bestemd waren om bepaalde concrete (ambtelijke) diensten te kunnen bekostigen, zoals het doorlopen van een procedure bij de rechtbank, de aanvraag van een sofinummer, een taalcursus of een inburgeringsexamen, en niet voor de facilitering van ambtelijke corruptie. Dit betekent dat het hof niet aannemelijk acht dat de aangevers te kwader trouw zijn geweest, zodat ook het verweer dienaangaande wordt verworpen.

Geen medeplegen

Het hof is tot slot, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat er sprake is geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] dat gesproken moet worden van medeplegen door deze medeverdachte.

Conclusie

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde oplichting, meermalen gepleegd. Het hof is van oordeel dat de verdachte, door zich voor te doen als iemand met een hoge positie bij de Nederlandse overheid, de aangevers in strijd met de waarheid heeft doen geloven dat hij buiten de reguliere procedure om een verblijfsvergunning voor hen kon regelen. De verdachte heeft zijn eigen verhaal kracht bijgezet door onder meer briefpapier van de rechtspraak en (het kabinet van) de Koning te tonen, de suggestie te wekken dat hij bij de politie werkzaam was door een foto van hemzelf in een politie-uitrusting te tonen, door een keer op een afspraak met de aangevers in politie-uniform te verschijnen en een pas te tonen waarvan door de aanwezigheid van een overheidslogo en een koord met daarop “politie” de suggestie uitging dat het een politiepas betrof. Ook heeft hij laten zien dat hij – uit openbare bronnen – bepaalde informatie over de aangevers kon opvragen. Verder heeft de verdachte verteld dat de aangevers voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning een cursus moesten volgen en een examen moesten afleggen. Door gebruik te maken van deze oplichtingsmiddelen heeft hij de aangevers bewogen tot de afgifte van diverse geldbedragen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 december 2014 te 's-Gravenhage en/of Leidschendanm-Voorburg, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] heeft bewogen tot de afgifte van (een) of meer geldbedrag(en) (in totaal 80.000 euro) althans een hoeveelheid geld en/of (een) maaltijd(en) en/of (een) massage(s) in elk geval van enig goed en/of het verlenen van enige dienst, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] verteld dat hij een (hoge) functie bekleedde bij de overheid en/of de politie en/of de FIOD en/of de IND en/of dichtbij de koning zou staan en/of (vanuit deze functie) (een) verblijfsvergunning(en) en/of legale verblijfsstatus(en) kon regelen voor die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] (en hun familieleden) waarbij hij en/of zijn mededader(s)

- meerdere ontmoetingen had(den) en/of een besprekingen voerde(n) over (het aanvragen van) (een) verblijfsvergunning(en) en/of (daarbij) papieren met het logo/een stempel van "de rechtspraak" en/of "de FIOD" en/of "het Koningshuis" lieten zien en/of lieten invullen/ondertekenen en/of vervolgens

- vertelde en liet zien dat hij persoonlijke gegevens van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] via zijn smartphone kon opvragen/tonen en/of vervolgens

- vertelde dat voor de verkrijging van verblijfsdocumenten een cursus moest worden gevolgd en/of een examen afgelegd, welke hij zou geven/afnemen en/of vervolgens

- op meerdere momenten aangeeft heeft aangegeven dat de procedure vorderde,

waardoor die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de in de voetnoten 1 tot en met 15 vermelde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

oplichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde (medeplegen van oplichting) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van personen die door hun onzekere verblijfsstatus en gebrek aan kennis van de Nederlandse taal een zwakke positie hadden in de samenleving. Hij heeft zich voorgedaan als iemand die de aangevers kon helpen aan een verblijfsvergunning en heeft hen daarbij veel geld afhandig gemaakt. De verdachte heeft daarmee op grove wijze misbruik gemaakt van het door de slachtoffers in hem gestelde vertrouwen. Bovendien heeft hij gedreigd de slachtoffers aan te geven bij de politie en hen gezegd dat ze zouden worden opgesloten in een gevangenis op een afgelegen plaats. De verdachte heeft hierdoor naast materiële schade ook gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 oktober 2016, waaruit blijkt dat hij eerder meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde en thans door de advocaat-generaal gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten. Het hof acht een hogere straf aangewezen, zowel ten aanzien van het onvoorwaardelijke als ten aanzien van het voorwaardelijke deel, een en ander als na te melden.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 9.829,48, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 9.829,48.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.050,80, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof acht voldoende onderbouwd de in het voegingsformulier aangegeven posten 1 tot en met 6. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 6.385,80 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts acht het hof voldoende onderbouwd de in het voegingsformulier aangegeven post 10. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt met zich mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.885,80, te vermeerderen met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 32.520,75.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 32.520,75.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 32.002,40, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof acht voldoende onderbouwd de in het voegingsformulier aangegeven posten 1, 3, 5, 6, 8, en 9. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 31.506,40 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde.

Voorts acht het hof voldoende onderbouwd de in het voegingsformulier aangegeven post 12. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 436,00.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt met zich mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 31.942,40 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 4]

Het hof stelt vast dat [benadeelde partij 4] in eerste aanleg geen vordering als benadeelde partij heeft ingediend. Dit sluit echter niet uit dat ten behoeve van [benadeelde partij 4] een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. De verdediging heeft zich op een dergelijke vorm van schadeverhaal niet kunnen voorbereiden en dat maakt dat een dergelijk verzoek extra nauwkeurig dient te worden bezien. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht het verzoek van [benadeelde partij 4] welwillend te benaderen. In de brief van [benadeelde partij 4] van 10 oktober 2016 betreffende haar verzoek een schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de daarbij gevoegde bijlagen wordt een aantal posten opgevoerd.

Het hof stelt vast dat deze posten volledig aansluiten bij hetgeen [benadeelde partij 4] in de aangifte heeft aangegeven en ook bij de toegewezen vorderingen van de andere aangevers/benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]. Dit maakt dat de juistheid van de vordering voldoende kan worden vastgesteld en dat een en ander aanleiding is om voor de schade van [benadeelde partij 4] ter hoogte van € 6.460,00 (€ 6.260,00 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade) de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het hof zal aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] een bedrag van € 6.460,00 te betalen.

In beslag genomen voorwerpen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen overeenkomstig het vonnis waarvan beroep dient worden beslist, behoudens de beslissing ten aanzien van de mobiele telefoon Blackberry Classic zoals deze is vermeld onder 10 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat voornoemd voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Het hof beslist ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen als volgt.

Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven bestuurderskaart IVW op naam van de verdachte en de mobiele telefoon Blackberry Bold zoals deze zijn vermeld onder 6 en 15 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen zal het hof de verbeurdverklaring gelasten. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen verklaarde feit is begaan of voorbereid en degene aan wie de voorwerpen toebehoren dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden.

Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven inhoud van de blauwe doos met administratieve bescheiden (IND dossiers), de Dell laptop in tas met daarin ook een bonnenboekje van de gemeente Utrecht, de A4 met kopieën van documenten op naam van [naam], de 5 pasfoto’s van de Chinese aangevers, de mobiele telefoon Blackberry Classic en de mobiele telefoon merk Samsung in hoesje van merk Guess zoals deze zijn vermeld onder 2, 4, 7, 9, 10 en 12 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen zal het hof de teruggave aan de rechthebbenden, aan de verdachte of aan de medeverdachte gelasten, nu het strafvorderlijk belang zich daartegen niet verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

6. een bestuurderskaart IVW op naam van de verdachte;

15. een mobiele telefoon Blackberry Bold.

Gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2. de inhoud van de blauwe doos met administratieve bescheiden (IND dossiers) van de Chinese aangevers;

4. een bonnenboekje van de Gemeente Utrecht;

7. een A4 met kopieën van documenten op naam van [naam];

9. 5 pasfoto's van de Chinese aangevers.

Gelast de teruggave aan [medeverdachte] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

12. een mobiele telefoon Samsung in hoesje van merk Guess.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4. een Dell laptop in tas;

10. een mobiele telefoon Blackberry Classic.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.885,80 (zesduizend achthonderdvijfentachtig euro en tachtig cent), bestaande uit € 6.385,80 (zesduizend driehonderdvijfentachtig euro en tachtig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.885,80 (zesduizend achthonderdvijfentachtig euro en tachtig cent) bestaande uit € 6.385,80 (zesduizend driehonderdvijfentachtig euro en tachtig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 31.942,40 (eenendertigduizend negenhonderdtweeenveertig euro en veertig cent) bestaande uit € 31.506,40 (eenendertigduizend vijfhonderdzes euro en veertig cent) materiële schade en € 436,00 (vierhonderdzesendertig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 31.942,40 (eenendertigduizend negenhonderdtweeenveertig euro en veertig cent) bestaande uit € 31.506,40 (eenendertigduizend vijfhonderdzes euro en veertig cent) materiële schade en € 436,00 (vierhonderdzesendertig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 194 (honderdvierennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 4]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 6.460,00 (zesduizend vierhonderdzestig euro) bestaande uit € 6.260,00 (zesduizend tweehonderdzestig euro) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 67 (zevenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 november 2016.

Mr. T.E.J. Bruinen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer BVH 2014840040 (Onderzoek Warana), van de politie eenheid Den Haag, dienst Nationale Recherche (DH), met bijlagen (doorgenummerd blz. 2 t/m 741).

2 Proces-verbaal terechtzitting rechtbank van 21 oktober 2015.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 8 december 2014, blz. 60 – 65.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 3 maart 2015, blz. 67 – 70.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 9 december 2014, blz. 71 – 77.

6 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 31 maart 2015, blz. 84 – 91.

7 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 2 april 2015, blz. 93 – 99.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 juli 2015, blz. 259 – 263.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 juli 2015, blz. 265 – 271.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juli 2015, blz. 397 – 405.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2015 met bijlagen, blz. 414 – 416.

12 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 28 november 2014, blz. 105 – 106.

13 Proces-verbaal onderzoek WhatsApp [medeverdachte 2]/ [verdachte] d.d. 29 september 2015, blz. 510 – 512.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juli 2015 met bijlagen, blz. 274-331.

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 21 oktober 2015.