Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:3620

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
22-005299-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieambtenaar. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid, bedreiging van politieambtenaren, en (schuld)heling van een bromfiets. Tot slot heeft de verdachte een gebiedsverbod in Zoetermeer overtreden, een en ander op de wijze zoals bewezen verklaard.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden. Voorts veroordeelt het hof de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005299-15

Parketnummers: 09-827232-15, 09-763037-15 (gevoegd) en 09-008653-14 (TUL)

Datum uitspraak: 15 november 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 november 2015 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortejaar] 1996,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 november 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 4 primair en het in de zaak met parketnummer 09-763037-15 onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair en het in de zaak met parketnummer 09-763037-15 onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen ter zake van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en ter zake van de vordering tot tenuitvoerlegging. Tot slot is het (opgeschorte) bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven, één en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 09-763037-15 onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 09-827232-15 (dagvaarding I):

1:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer, opzettelijk een politieambtenaar, te weten [benadeelde partij 1], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, heeft gebeten in de rechterarm en/of het rechterbeen en/of (met kracht) heeft geschopt tegen de rug, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten gedurende de aanhouding van hem, verdachte, door te trachten zich los te rukken/trekken en/of het maken van slaande bewegingen en/of het maken van schoppende bewegingen naar die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2];

3:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga je slopen" en/of "ik vermoord je" en/of "ik maak jullie dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4:
hij op een tijdstip in de periode van 29 augustus tot en met 31 augustus 2015 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen bromfiets (merk Tomos), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op een of meer tijdstippen in de periode van 29 augustus tot en met 31 augustus 2015 te Zoetermeer, althans in Nederland, een bromfiets (merk Tomos) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bromfiets wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Zaak met parketnummer 09-763037-15 (gevoegd) (dagvaarding II):

2:
hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te Zoetermeer opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk ST/VVH/2015/11583 gedaan krachtens artikel 172a van de Gemeentewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, door de burgemeester van Zoetermeer, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 14 oktober 2015 tot en met 13 januari 2016 niet mocht bevinden in/op een gebied dat wordt begrensd door de straten Amerikaweg, Europaweg, Zwaardslootseweg, Meerpolder, gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg en Voorweg, met uitzondering van een voorgeschreven route naar [adres], immers bevond hij, verdachte, zich op 30 oktober 2015 omstreeks 19:45 uur opzettelijk in/op de Jan Camperthove, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bespreking van de verweren

De verdediging heeft allereerst bepleit dat de verdachte van het op dagvaarding II onder 2 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken omdat ten onrechte door de politierechter is geoordeeld dat hij op 30 oktober 2015 van het gebiedsverbod op de hoogte moet zijn geweest. Het betreffende besluit was nog niet in werking getreden.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging uitvoerig geschetst welke procedures de Algemene Wet Bestuursrecht (verder: AWB) voorschrijft voor het ter kennis van betrokkene brengen van een betreffend besluit, welke procedures in het onderhavige geval niet gevolgd zijn.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof kan aan de hand van het strafdossier niet beoordelen of de door de AWB voorgeschreven procedures zijn gevolgd omdat het dossier daar geen bescheiden over bevat. Derhalve wordt er vanuit gegaan dat dat, gelet op hetgeen de verdediging daarover naar voren heeft gebracht, niet het geval is geweest. De vraag is dan of het gebiedsverbod niet in werking is getreden omdat de verdachte geacht moet worden daarvan niet in kennis te zijn gesteld.

Het hof stelt voorop dat de in de AWB voorgeschreven procedureregels met betrekking tot de kennisgeving van een besluit aan de betrokkene niets anders beogen dan zo goed mogelijk te bewerkstelligen dat de betrokkene, in casu de verdachte, kennis krijgt van het besluit.

Met betrekking tot het onderhavige geval kan worden vastgesteld dat blijkens proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 november 2015 (nummer PL1500-2015316084-13) de verdachte op 8 oktober 2015 in het stadhuis te Zoetermeer is geweest in verband met het door hem ingediende bezwaar tegen het meegedeelde voornemen om hem een gebiedsverbod op te leggen. Uit het genoemde proces-verbaal kan worden afgeleid dat de inhoud en betekenis van het voorgenomen gebiedsverbod uitvoerig met de verdachte is besproken en dat hij die begreep. Tevens is toen aan de verdachte meegedeeld dat het gebiedsverbod inderdaad zou worden opgelegd. Bij brief van de burgemeester van Zoetermeer d.d. 9 oktober 2015 geadresseerd aan de verdachte wordt kennis gegeven van het besluit van de burgemeester dat aan hem een gebiedsverbod wordt opgelegd dat geldt voor de wijk Buytenwegh.

Op 29 oktober 2015 is de verdachte aangehouden omdat hij zich in strijd met het gebiedsverbod bevond in het verboden gebied. Dat feit is aan de verdachte ten laste gelegd en daarvan is hij in eerste aanleg vrijgesproken. Dat feit is in hoger beroep inhoudelijk niet meer aan de orde. Op 30 oktober 2015 in de ochtend is de verdachte naar aanleiding van zijn aanhouding op 29 oktober 2015 gehoord. Als hij al niet op 8 oktober 2015 op de hoogte was van het gebiedsverbod, wist hij daarvan in elk geval wel na zijn verhoor op 30 oktober 2015 in de ochtend. Dit betekent dat, toen hij op diezelfde dag 30 oktober 2015 in de avond wederom in het verboden gebied werd aangetroffen, hij wist dat hij het gebiedsverbod overtrad. Dat heeft de verdachte ook ter terechtzitting bij het hof bevestigd. Hij heeft meegedeeld dat hij wist van het gebiedsverbod en dat hij het verbod had overtreden om geld te gaan pinnen om een buskaartje te kunnen kopen. Een en ander betekent naar het oordeel van het hof dat de verdachte op 30 oktober 2015 van het gebiedsverbod op de hoogte was, ook al was dat verbod hem vermoedelijk niet volgens de voorgeschreven procedureregels kenbaar gemaakt. Het zou naar het oordeel van het hof toch te bizar zijn indien wegens het niet volgen van procedureregels voor kennisgeving van een verbod ervan zou moeten worden uitgegaan dat de verdachte niet van het verbod op de hoogte was, waar hij zelf erkent wel van het verbod op de hoogte te zijn geweest omdat hem dat mondeling is meegedeeld. Dat zou een miskenning zijn van het met de mededelingsvoorschriften beoogde doel.

Het hof verwerpt op grond van het vorenstaande het verweer.

Met betrekking tot het op dagvaarding I onder 1 omschreven feit (mishandeling van verbalisant [benadeelde partij 1]) heeft de verdediging gesteld dat de verdachte van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen omdat de verbalisant [benadeelde partij 1] niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was (het onnodig en ten onrechte pakken van de verdachte in een nekklem/wurggreep) en er tevens sprake was van noodweer (de verdachte moest zich wel verdedigen door te bijten omdat hij door het handelen van [benadeelde partij 1] geen adem kreeg). Overigens stelt de verdediging dat de verdachte de verbalisant [benadeelde partij 1] alleen in de arm heeft gebeten en niet in het been.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het relaas van de diverse verbalisanten leidt het hof het volgende af.

Toen de verdachte door de verbalisant [benadeelde partij 1] was aangehouden, welke aanhouding naar het oordeel van het hof rechtmatig was, liep hij rustig met de verbalisant mee. Op enig moment probeerde de broer van de verdachte, de medeverdachte, het verder doorlopen te beletten. Toen hem gezegd was dat hij zich niet met de situatie moest bemoeien negeerde hij dat en begon hij aan de verdachte te trekken. Dat leidde ertoe dat ook de verdachte zich tegen zijn aanhouding begon te verzetten. [benadeelde partij 1] heeft de verdachte daarna bij zijn nek gepakt om hem verder mee te kunnen krijgen naar het politiebureau. De verdachte bleef zich verzetten en beet de verbalisant [benadeelde partij 1] vervolgens in zijn arm en zijn been. Daarna kwamen de verdachte en de verbalisant op de grond terecht waarbij de verdachte zich bleef verzetten.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verbalisant de verdachte pas bij zijn nek gepakt heeft toen deze zich hevig tegen zijn aanhouding begon te verzetten en daarbij gesteund werd door de medeverdachte. Omdat het verzet doorging zal het vastpakken van de verdachte zeker met de nodige kracht hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof heeft de verbalisant in redelijkheid kunnen handelen zoals hij heeft gehandeld en is het de verdachte zelf die dat handelen noodzakelijk heeft gemaakt. Dit betekent dat de verbalisant door de verdachte bij de nek te pakken nog steeds heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en dat er ook geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte, zodat de verdachte ook geen beroep op noodweer toekomt.

Het hof acht overigens bewezen dat de verdachte de verbalisant [benadeelde partij 1] niet alleen in de arm heeft gebeten maar ook in het been. De verklaring van [benadeelde partij 1] hierover wordt ondersteund door de medische verklaring d.d. 1 september 2015 (lichamelijk onderzoek: re bovenbeen: enkele hematomen en een opp exoriatie, tevens ovaalvormig) en die van 9 september 2015 (uitwendig waargenomen letsel: op het bovenbeen een kleine oppervlakkige verwonding).

De verweren worden verworpen.

Met betrekking tot het op dagvaarding I onder 2 omschreven feit stelt de verdediging dat vrijspraak moet volgen omdat verbalisant [benadeelde partij 1] niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was en omdat het niet de verdachte was die schoppende bewegingen naar [benadeelde partij 1] heeft gemaakt. Omdat [benadeelde partij 1], gelet op zijn vordering als benadeelde partij, belang heeft bij een veroordeling, mag het bewijs niet uitsluitend op zijn proces-verbaal gebaseerd worden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ten aanzien van het beroep op het ontbreken van de rechtmatige uitoefening van de bediening verwijst het hof naar hetgeen hiervoor bij feit 1 is overwogen.

Het hof acht wel bewezen dat de verdachte schoppende bewegingen naar de verbalisant [benadeelde partij 1] heeft gemaakt op grond van de verklaring van deze [benadeelde partij 1]. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. De verklaring is gegeven kort na het gebeuren. Het enkele feit dat [benadeelde partij 1] veel later een vordering benadeelde partij heeft ingediend maakt niet dat daarin een grond gelegen kan zijn om de kort na het gebeuren afgelegde verklaring als onvoldoende betrouwbaar aan te merken.

De verweren worden verworpen.

Met betrekking tot het op dagvaarding I onder 4 omschreven feit dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen nu op de in de pleitnota toegelichte gronden noch de diefstal noch de opzetheling dan wel de schuldheling kan worden bewezen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof niet bewezen dat de verdachte zelf de bromfiets heeft gestolen. De omstandigheid dat de bromfiets bij de verdachte is aangetroffen op de avond van 30 augustus 2015 terwijl deze volgens de aangifte de nacht ervoor is weggenomen, is daarvoor onvoldoende. Derhalve spreekt het hof de verdachte van hetgeen aan hem onder 4 primair ten laste is gelegd, vrij.

Wel acht het hof de schuldheling bewezen. Met de politierechter is het hof van oordeel dat de verdachte door op Marktplaats een bromfiets te kopen van iemand die hij niet kent, waarna die wordt geleverd zonder papieren

en kentekenplaat, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bromfiets van misdrijf (diefstal) afkomstig was.

Daar komt bij dat de verdachte bij de politie heeft verklaard met de verkoper over de aankoop gesproken te hebben geruime tijd voordat de bromfiets was gestolen, hetgeen niet met elkaar te rijmen is. Ter zitting van de rechtbank en het hof heeft de verdachte verklaard dat het eerdere contact met de verkoper niet specifiek over deze bromfiets ging maar dat gesproken is over een soortgelijke bromfiets waarvan door de verkoper een plaatje was getoond. Het hof acht die verklaring niet geloofwaardig. Dat er sprake was van een “loop of sloop” bromfiets is ook niet aannemelijk geworden. Uit de aangifte leidt het hof af dat de bromfiets gewoon door de eigenaar gebruikt werd, hij dekte hem ’s avonds zelfs ter bescherming met een regenhoes af. Dat de verdachte feitelijk het door hem genoemde bedrag van € 240,- heeft betaald, is door de verdachte wel gesteld maar niet aangetoond. Dit bedrag past overigens, gelet op de door de verdediging ter zitting van het hof overgelegde bescheiden, niet erg bij een sloop-bromfiets maar mogelijk wel bij een normaal functionerende bromfiets. Volgens de verdachte ging het echter om een “loop of sloop” bromfiets. Op grond van dit alles hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte omtrent het te goeder trouw verwerven van de onderhavige bromfiets, zodat het gevoerde verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair en in de zaak met parketnummer 09-763037-15 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 09-827232-15:

1:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer, opzettelijk een politieambtenaar, te weten [benadeelde partij 1], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, heeft gebeten in de rechterarm en/of het rechterbeen en/of (met kracht) heeft geschopt tegen de rug, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten gedurende de aanhouding van hem, verdachte, door te trachten zich los te rukken/trekken en/of het maken van slaande bewegingen en/of het maken van schoppende bewegingen naar die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2];

3:
hij op of omstreeks 31 augustus 2015 te Zoetermeer [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 4] dreigend de woorden toegevoegd :"ik ga je slopen" en/of "ik vermoord je" en/of "ik maak jullie dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4:
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 29 augustus tot en met 31 augustus 2015 te Zoetermeer, althans in Nederland, een bromfiets (merk Tomos) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bromfiets wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Zaak met parketnummer 09-763037-15 (gevoegd):

2:
hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te Zoetermeer opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk [x] gedaan krachtens artikel 172a van de Gemeentewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, door de burgemeester van Zoetermeer, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen van 14 oktober 2015 tot en met 13 januari 2016 niet mocht bevinden in/op een gebied dat wordt begrensd door de straten Amerikaweg, Europaweg, Zwaardslootseweg, Meerpolder, gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg en Voorweg, met uitzondering van een voorgeschreven route naar [adres], immers bevond hij, verdachte, zich op 30 oktober 2015 omstreeks 19:45 uur opzettelijk in/op de Jan Camperthove, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 4 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Het in de zaak met parketnummer 09-763037-15 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1, 2, 3 en 4 primair en het in de zaak met parketnummer 09-763037-15 onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieambtenaar. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid, bedreiging van politieambtenaren, en (schuld)heling van een bromfiets. Tot slot heeft de verdachte een gebiedsverbod in Zoetermeer overtreden, een en ander op de wijze zoals bewezen verklaard.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich op volstrekt onaanvaardbare wijze heeft misdragen door één van de politieambtenaren, die hem had aangehouden in verband met een gestolen bromfiets, krachtig in diens arm en been te bijten en te schoppen. Het optreden van verdachte getuigt van gebrek aan respect voor de betrokken verbalisanten en minachting voor het gezag van de politie.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2016.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat het enkel opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf als door de advocaat-generaal gevorderd geen recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 770,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 770,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 300,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter (de vordering spreekt ten onrechte over: politierechter) in de rechtbank Den Haag van 13 maart 2014 onder parketnummer 09-008653-14 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 180, 184, 285, 300, 304 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-763037-15 onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 4 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair en in de zaak met parketnummer 09-763037-15 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair en in de zaak met parketnummer 09-763037-15 onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827232-15 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 13 maart 2014, parketnummer 09-008653-14, te weten van:

taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. T.L. Tan en mr. R.C. Langeler, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 november 2016.